De politiek van luchtkwaliteit: interview Dave de Jonge, GGD

Ons eerste gesprek uit deze serie is met Dave de Jonge, senior projectleider luchtkwaliteit bij de GGD in Amsterdam.

Dave’s afdeling beheert dertig meetstations die luchtconcentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) en andere vervuilding (NO, NO2, SO2, CO, O3 en Benzeen) meten. We zagen Dave voor het eerst aan het werk in 2014 bij een bijeenkomst over de zogenaamde Smart Citizen Kit. Met deze Kit zouden Amsterdammers zelf de luchtkwaliteit rond hun woning kunnen meten. Het was aan Dave om te zeggen of dat ook was gelukt. Hij was uitgesproken: “deze technologie is waardeloos voor het meten van luchtkwaliteit.” Er was geen enkele correlatie tussen de waarnemingen van zijn meetstations en de metingen van de Smart Citizen Kits.

screengrabluchtmeetnet

Screen grab van luchtmeetnet.nl

screengrabluchtmeetnet3

Screen grab van luchtmeetnet.nl – metingen aan de Stadhouderskade.

 

Hoe Dave meet

We kijken naar luchtmeetnet.nl. De bolletjes corresponderen met meetstations en de kleuren zijn indicaties voor de vervuiling: groen is goed, paars is slecht. We kunnen zien dat aan de Stadhouderskade in Amsterdam acht types luchtverontreiniging worden gemeten, terwijl dat er aan de Nieuwerdammerdijk vier zijn.

Dit is de website die wij gezamenlijk hebben met organisaties als de DCMR en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid (RIVM). Wij hadden dit vroeger voor het gebied in Amsterdam maar nu zijn er meetstations door heel Nederland aangesloten. Naast de 30 grote meetstations, die dagelijks worden gekalibreerd en gecontroleerd, zijn er ook palmesbuisjes door de stad verspreid. In die buisjes zit een oplossing die reageert met NO2, waaruit je weer de hoeveelheid verontreiniging kunt afleiden. In tegenstelling tot fijnstof, dat als een deken over de stad ligt en niet zoveel verschilt van plek tot plek, geldt dat voor NO2 lokale waarden wel sterk kunnen verschillen. Dat kan zomaar verdubbelen of verdrievoudigen, dus daarvoor heb je die buisjes.

Waar ik vooral voor ingehuurd ben is om te zorgen dat de data die je achter de bolletjes ziet in orde is. En dat je niet een paars balletje ziet omdat de monitor niet goed is. De monitors worden ter plekke automatisch getest, met gasflessen. We hebben een grote database waar elk uur niet alleen gegevens binnenkomen, maar ook resultaten van die kalibraties. Dit systeem bekijkt of de metingen binnen bepaalde grenswaardes vallen. Zo niet, dan gaat de monitor van het internet af en gaan wij met de monteurs kijken. Het kan dan zijn dat een gasfles leeg is of dat de airconditioning stuk is. Nu vriest het bijvoorbeeld en dat is niet fijn voor zo’n monitor.

 

screengrabluchtmeetnet5

screengrabluchtmeetnet4

Screen grab van luchtmeetnet.nl – metingen aan de Nieuwendammerdijk

Meten versus berekenen

Hoe wordt beleid gemaakt met die metingen?

Juridisch gezien zijn onze metingen niet-bindend. Luchtkwaliteit wordt vastgesteld door middel van wat ze berekeningen noemen, die weer gebaseerd zijn op schattingen van de hoeveelheid verkeer op een bepaalde plek. Elke gemeente met een beetje verkeer moet dat soort schattingen maken. Als je op basis van die berekeningen boven de 40 µg/m3  NO2 uitkomt, kom je op een lijst en krijg je geld om er wat aan te doen. Juridisch gezien tellen alleen deze berekeningen, waarbij de metingen die wij doen gebruikt worden als input en controle hiervoor.

De Gemeente Amsterdam kijkt niet alleen naar die berekeningen en de wettelijke grenswaarden. Als je kijkt naar NO2, een indicator van je luchtkwaliteit, dan heb je toch wel een heleboel plekken waarvan de berekeningen aangeven dat we in de buurt van de grenswaarden zitten maar waarbij onze metingen laten zien dat we erboven zitten, bijvoorbeeld op de Prins Hendrikkade voor het Centraal Station.

De Gemeente luistert ook naar het advies dat wij ze geven. Wij zeggen bijvoorbeeld: je moet wat aan roet doen. Want daar kan je lokaal wat aan doen en het heeft echt een hele grote gezondheidsimpact. Roet is ook een heel lokaal: terwijl fijnstof als een deken over de stad ligt, fluctueert roet sterk.

Er zit allerlei rotzooi vast aan roet; een bak zware metalen bindt zich aan dat roet. Dat roet breekt door je afweermechanisme, als een soort tunneltje – een nano tube noemen ze dat ook wel – waardoorheen die rotzooi je lichaam in komt. Ik zeg altijd: elke nanogram roet minder zie je terug in minder ziektekosten.

Citizen science?

Bij het interview laat Dave een apparaatje zien dat hij net kreeg toegestuurd van de fabrikant.

Van dit soort apparaatjes, van verschillende formaten, hebben we er het afgelopen jaar veel voorbij zien komen. De fabrikanten gaan het op de markt brengen en ze willen van mij horen of het werkt. Het idee achter dit soort apparaatjes is telkens hetzelfde: je kan als burger zèlf luchtkwaliteit meten. De apparaatjes communiceren standaard via internet. En op dat gebied is het goed geregeld. Je krijgt er een ontzettend mooie app bij. Het ziet er gelikt uit. Je kan inzoomen, het gaat vrij snel, en het kost ook nog vrij weinig – maar een paar euro per maand.

Maar het eerste wat ik denk is van: “ja, welke sensor zit daar in? En hoe lang gaat die mee? Hoeveel onzin spuugt dat apparaat uit?” Het probleem is dat degene die het maakt altijd zal zeggen: “Dit werkt, dit is goed, we hebben met de universiteit samengewerkt, we hebben met een onderzoeksinstituut samengewerkt.” En op het eerste gezicht denk je dan misschien dat dit een mooie nieuwe stap is naar betere metingen, minder onderhoud, minder kosten, meer gebruiksvriendelijkheid.

Ik moet nog kijken hoe het precies zit met dit apparaatje, maar vaak houden ze liever geheim wat voor sensor erin zit. Want zo’n pakketje wordt vaak voor – ik noem maar wat – honderd euro verkocht, terwijl hij een sensor heeft van maar een paar euro.”

Kalibratie

Dave vertelt over een project rond metingen door burgers waar hij recent bij was betrokken.

De Waag Society heeft weer zo’n project gedaan, een vervolg op de Smart Citizen Kit, Urban AirQ. Omdat ze zelf weinig kennis hebben over hoe het meten echt gaat, betrekken ze er allerlei instituten bij. De GGD deed mee, ECN deed mee, de KNMI ook. En vooral omdat het KNMI erbij was, werd het een heel interessant project. Ze gaven de sensoren mee aan burgers om een maand te meten, vooral natuurlijk op plekken waar de burgers denken dat het waarschijnlijk veel erger is dan de modellen zeggen.

Dan heb je zo’n eerste bijeenkomst en dan merk je dat ze zich niet goed verdiept hebben in wat er al gebeurt. Ze weten wel dat er meetstations zijn, maar niet dat we ook nog op honderdvijftig plekken van die buisjes hebben. Dat is ons probleem, dat we slecht zijn in het uitleggen van wat we allemaal doen, maar het ligt ook aan de mensen die alleen maar aan hun eigen project denken.

Ze hadden een bepaald merk gevonden en dat gingen ze zelf in elkaar solderen. Heel goedkoop. Daarnaast kwam ECN met betere apparatuur, die ging ook meten om te kijken of er hetzelfde uitkwam. En wij hebben geholpen bij het kalibreren van die apparaatjes, door er een paar op ons dak te zetten, naast onze meetstations. Het KNMI heeft uiteindelijk alle gegevens geanalyseerd.

Het is een vreselijke klus geworden, met name vanwege de verificatie en kalibratie. De scores van de goedkope sensoren zijn vergeleken met onze meetstations, vooraf en achteraf. Elke sensor had een eigen verhouding tot de echte waarde van NO2. En die verhouding was heel anders voorin het traject en later in het traject. De gevoeligheid van de sensoren wordt langzaam minder – de sensoren lopen weg als het ware – en dat gebeurt al na een paar weken. Als dat lineair is, kan je proberen daarvoor te corrigeren. De weersomstandigheden spelen ook mee. Als de zon erop kwam werd het erg heet in dat kastje. We zagen dat de gevoeligheid helemaal anders wordt vanaf dertig graden. Ze hadden ook een sensor gerepareerd, waardoor de gevoeligheid opeens weer veranderde. En de sensoren bleken fijnstof helemaal niet te kunnen meten.

Het KNMI heeft toen bedacht om een model te maken waarbij rekening gehouden wordt met de vertekeningen om dat vervolgens toe te passen op de metingen van burgers. Dat was de eerste stap. Vervolgens moesten ook de pieken eruit. Als het in de zomer te warm werd in het doosje, beïnvloedde dat de waarden. En soms waren er internetproblemen bij mensen thuis, dan viel de wifi bijvoorbeeld uit. En uiteindelijk kon je dan gaan kijken of je patronen kon herkennen. En, ja, dan zie je inderdaad bijvoorbeeld de avondspits. Als een apparaat in de buurt van zo’n meetstation staat, dan dansen uiteindelijk de metingen mee met de echte metingen.

Er is heel veel uitgerekend. Beter dan dit kan je het niet doen. We hebben er veel van geleerd.

Illusie van transparantie

Mensen hebben dus het idee dat de scores van hun sensors de luchtkwaliteit meten, maar eigenlijk is dat de ruwe data die vervolgens uitvoerig wordt bewerkt. Juist bij metingen door burgers, heb je veel bewerkingen nodig om tot een goede meting te komen. Moeten we dan niet spreken van een illusie van transparantie? 

Ja, er zit een enorme trein tussen die metingen en de werkelijkheid. Een van mijn belangrijkste conclusies is dat je meetapparatuur heel goedkoop kunt aanschaffen en dat je dan, met al die berekeningen, in de buurt kan komen van de scores die je verwacht. Maar de vraag was eerste anders: “ik ben een burger, ik woon hier, er wordt hier niet gemeten, dus ik wil nu weleens weten hoe erg het hier is.” Die vraag werd tijdens het gesprek: “zie ik wat ik verwacht?” Want als je iets ziet wat we niet verwachten – als we spikes in de data zien – zullen mensen die er verstand van hebben in eerste instantie zeggen: “Nou, ik geloof dat niet zomaar.” Het kan natuurlijk zo zijn dat dat wél klopt, maar ik zie nog niet zomaar gebeuren dat dat dan voor waarheid wordt aangenomen. Er zit zoveel fluctuatie, onzekerheid en onnauwkeurigheid in die sensoren. Daar kan je voor corrigeren, maar die correcties werken op een gegeven moment niet meer. Al die projecten die nu op dit moment lopen, die zitten allemaal nog in de fase dat we de data alleen geloven als er uitkomt wat we verwachten.

Een tweede conclusie voor mij is dat deze manier van meten nog niet goedkoper lijkt dan een gewoon meetstation, want er gaat veel tijd zitten in het controleren van de metingen en het corrigeren van de scores. De echte kosten zitten sowieso niet in de meetapparatuur. Onze monitoren kosten zo’n 10.000 tot 15.000 euro. Die gaan tien jaar mee. De kosten worden gemaakt voor het personeel dat het systeem in de gaten houdt en de apparatuur onderhoudt. Die kosten liggen hoger als je meer bewerkingen moet uitvoeren op de metingen.

Informatiebehoefte

Dit soort projecten ontstaan wel omdat mensen het gevoel hebben dat er niet genoeg data is. Niet genoeg lokale data. Maar jij zegt eigenlijk dat we al voldoende weten over de luchtkwaliteit in Amsterdam?

Er zijn misschien een paar gebieden waar rare dingen gebeuren. Maar in Amsterdam geldt dat we heel goed weten hoe die luchtkwaliteit eruit ziet, vooral door die buisjes metingen, zo’n honderdvijftig. Voor een stad als Amsterdam zijn dat echt heel veel meters. Als je het heel neutraal bekijkt, weten we eigenlijk al vreselijk veel over de luchtkwaliteit. En de kans dat jij in een straat woont die veel vervuilder is dan dat wij weten, hè, die is niet zo groot.

 Maar burgers willen ook handelingsperspectief, op basis van heel lokale data. Ze willen bijvoorbeeld weten of ze voor of achter op het balkon moeten zitten en welke route ze het beste kunnen nemen naar hun werk.

Ook dit soort dingen hebben we al heel veel onderzocht. Waar kan je het beste fietsen of lopen? Hoe vies zijn rondvaartboten? Er is weinig dat nog onbekend is. Hier kan je over de Wibautstraat fietsen of je fietst langs de Amstel – die verschillen weten we wel voor de meeste stoffen. Dus het gaat hooguit nog om nuanceverschillen die je kunt vinden, maar ook die ga je niet vinden met dit soort burgerapparatuur. Die sensoren zijn daar niet nauwkeurig genoeg voor.  Ze zijn heel grof, het is alsof we een weegschaal voor een olifant gebruiken om een suikerklontje te wegen. Ook zijn ze slecht te kalibreren.

Druk

Het betrekken van burgers bij het meten van luchtkwaliteit klinkt heel sympathiek en wordt ook belangrijk gevonden om betrokkenheid te creëren bij het onderwerp, maar jij ziet dus ook negatieve effecten?

Nou, in zijn algemeenheid vind ik het leuk als mensen vragen stellen en geïnteresseerd zijn in luchtmetingen. Er gaat een hoop geld in onze luchtmetingen zitten en het is niet altijd even goed te volgen voor de buitenwereld, dus als dit een stap is daartoe dan vind ik dat een hele goede ontwikkeling. Mensen gaan dan inderdaad nadenken over de vraag: “ja, waarom heb ik eigenlijk nog een auto, of waarom koop ik een diesel, of wat komt er uit mijn hout-gestookte open haard? En over wat voor stofjes hebben we het dan?” En als je dan zo’n filter ziet met fijnstof hè, dat heeft impact, dus ik denk dat die interactie wel werkt.

Uiteindelijk hopen we natuurlijk met z’n allen dat het goed komt en dat die sensor echt goed meet en dat die natuurlijk dit soort problemen niet heeft. Maar wat ik nu zie: het demotiveert je burgers als je heel eerlijk bent, hè. Het grootste gevaar, en dat is wel ook in het verleden gebeurd, is dat er onzin op internet komt en dat mensen gaan afhaken. De mensen die zo’n meetproject organiseren zeggen vaak wel: “let op, dit is een proef”, maar toch, voor de buitenwereld is dat verschil niet zo duidelijk. Ik heb weleens gezien dat de gemeente helemaal in paniek raakte omdat een burger had gezegd: “Mijn sensor geeft 10 ppm aan, ik wil evacueren, doe er wat aan.”

En het is niet alleen maar de kwaliteit van die data. Ook al klopt het, mensen gaan ook afhaken als ze, hè, zo heel veel data op zich af zien komen. Die weer twintig nieuwe luchtkwaliteitswebsites zien, vol met tabellen met gegevens, waarvan ze dan nog moeten gaan uitzoeken wat die precies betekenen voor hun gezondheid.

Ook zie je dat er druk komt op organisaties als het RIVM om het goedkoper te gaan doen, dat meten. De overheid wil dat er een mix wordt gevonden van wat er nu al is, maar dan minder, aangevuld met goedkopere apparatuur Dat noemen ze het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit 2.0. Heel interessant, maar ook heel vervelend als je dus weet dat er van je verwacht wordt dat het straks allemaal goedkoper moet.

Vind hier de andere interviews.
Geplaatst in Geen categorie.