De politiek van luchtkwaliteit: interview Joost Wesseling, RIVM

Joost Wesseling met sensor kit

Joost Wesseling is een gepromoveerd kernfysicus, die in de luchtkwaliteit is beland. “In de natuurkunde heb je maar een handjevol echte basisvergelijkingen. En als je die ooit een keertje hebt leren oplossen, dan maakt het niet zoveel uit of je een kerncentrale, een atoomkern, een stoom-watersysteem of luchtkwaliteit doorrekent,” legt hij uit. Sinds 11 jaar werkt hij voor het centrum milieukwaliteit van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Bilthoven. Het RIVM houdt zich onder meer bezig met het genereren van modellen die luchtkwaliteit berekenen, waarbij meetstations deze modellen ijken. Wesseling werkt daarnaast ook veel met burgers die zelf aan de slag willen met het meten van luchtkwaliteit.

Waarom burgers meten

Wat is de motivatie van mensen om zelf luchtkwaliteit te meten?

 Milieudefensie is op een gegeven moment begonnen om burgers te betrekken bij het meten met Palmes buisjes. Dat was in een periode dat er heel veel discussie was over de kwaliteit van rekenmodellen die wij op onze afdeling in beheer hebben. Tegenwoordig kom je heel zelden nog tegen dat mensen zelf meten omdat ze niet geloven wat wij uitrekenen. Veel vaker is het: “ja, geweldig die metingen, ik geloof het best wel, maar het dichtstbijzijnde station is tien kilometer die kant op en ik wil weten hoe het in mijn achtertuin of op de school van mijn kinderen zit.” Ik heb ook een achtertuin vol met sensoren hangen. Niet omdat ik niet geloof wat ik zelf uitreken. Het is gewoon leuk om het zelf te doen. Je hebt mensen die meten het weer, je hebt mensen die meten straling, je hebt mensen die meten ultraviolet en je hebt mensen die meten luchtkwaliteit. En dat wil niet zeggen dat ze daarmee het systeem allemaal per definitie wantrouwen.

Hoe zit het met de betrouwbaarheid van de data die burgers genereren met hun luchtkwaliteitsmetingen?

Als je het hebt over Palmes-buisjes voor stikstofdioxide, die hebben een onzekerheid in de orde van 20-25%. Dat betekent dat ze niet goed genoeg zijn voor gebruik in officiële metingen, die onzekerheid mag niet hoger zijn dan 15%. De onzekerheid van onze eigen stikstofdioxide metingen, is 8%. Maar er wordt steeds meer getest met digitale sensoren. Wij zetten ons ervoor in om die metingen steeds beter te maken. We hebben vorig jaar een symposium georganiseerd: Samen meten aan Luchtkwaliteit heette dat. Daarin hebben we een lijn uitgezet waarin we burgers en andere overheden willen faciliteren om beter te meten.

Wat houdt dat beter meten in?

Onder meer het meten op de langere termijn en het kalibreren van hun technologieën aan onze stations: we hebben een aantal van onze meetpunten zo uitgerust dat andere partijen daar hun sensoren bij kunnen zetten. We helpen ook met data-opslag en data-analyse. Dat is allemaal gericht op de vraag hoe je de kwaliteit van die metingen naar een hoger plan kunt tillen.

Rijden jullie daar jezelf niet mee in de wielen? Maken die goedkope, vrijwillige metingen jullie werk niet overbodig? 

Nou, onze Directeur Generaal wil dat we nog meer dan dat we al deden de discussie met burgers aangaan. En je ontkomt er ook niet aan: alle vragen op milieugebied en luchtkwaliteit gebied komen uiteindelijk bij het RIVM. En er komen nou eenmaal heel veel vragen daarover op in de samenleving. Zoals Milieudefensie dat als eerste deed, met data naar een nationale of lokale overheid gaan en zeggen: “Wij hebben dit gemeten, het klopt niet met wat jullie doen.” Wij zijn toen al voor burgermetingen gaan samenwerken met Milieudefensie, omdat we vertrouwen hadden in onze rekenmodellen. We ijkten hun Palmes-buisjes en we gebruikten hun metingen om de juistheid van onze rekenmodellen aan te tonen, en om die hier en daar aan te passen waar nodig.

Aan de muur op het RIVM: het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit

Een aantal jaar geleden hebben we met z’n allen binnen het milieusegment bedacht om nog meer in dat proces van betrokkenheid door burgers mee te gaan. En als we daarmee helpen om de metingen beter te maken, kan het zijn dat blijkt dat ons model misschien op punten bijgepast moet worden. Dat is inherent aan modellen, dat zien we niet zozeer als een bedreiging. En als je het niet als bedreiging ziet wordt het ook een stuk makkelijker om mee te gaan.

Is het officiële meetnet overbodig?

Ik begreep ook dat het RIVM de opdracht heeft gekregen om het meetnet goedkoper te maken en dat citizen science daarbij een rol gaan spelen?

De laatste paar jaren speelt inderdaad een discussie over kosten: zo’n meetpunt kost tot ongeveer honderdduizend euro plus nog enkele tienduizenden euro’s per jaar aan onderhoud en voor het vervangen van de apparatuur. Dus we hebben de discussie of we wel al die, pak ‘m beet, tachtig meetpunten van het RIVM en anderen in Nederland in stand moeten houden. En ze zijn ook niet meer voor alle stoffen in deze aantallen echt nodig: er zijn Europese regelingen die zeggen dat je vooral verplicht bent om te meten bij hoge concentraties vervuiling. Nou, de concentraties nemen af, dus je kunt gaan bedenken: oké, misschien heb ik ze niet allemaal meer nodig. Luchtkwaliteit is voor sommige stoffen echt heel erg veel beter geworden de laatste tien jaar.

Maar we begrepen ook van Bert Brunekreef dat er nog steeds vrij veel onbekend is op het gebied van luchtvervuiling. Bijvoorbeeld als het gaat om ultrafijn stof.

Ja, maar ultrafijn stof wordt niet overal in hele grote hoeveelheden gevonden, dat is vooral een Schiphol discussie op het moment, en een beetje chemische industrie. Bovendien is ultrafijn stof niet gereglementeerd vanuit Europa. Je hoeft het niet te meten. Meetverplichtingen hebben alleen betrekking op stikstofdioxide, stikstofoxide, fijn stof, twee soorten ozon, benzeen, en nog wat andere, in totaal een stuk of twintig stoffen. En voor de meeste van die stoffen zitten we steeds lager in concentratie.

Maar dan zou het meten dus eigenlijk helemaal niet nodig zijn, ook niet door burgers?

Nou, we doen nog wel wat meer dan alleen voldoen aan de Europese regels: we maken bijvoorbeeld ook kaarten voor de luchtkwaliteit in heel Nederland. Zowel jaarlijkse kaarten met heel veel detail, maar ook uurlijkse kaarten. En om die kaarten beter te maken, ze te ijken, gebruiken we meetdata. Dus als je zomaar een aantal stations zou sluiten, kan dat misschien volgens de strikte interpretatie, maar dat betekent wel dat je kaart en andere gegevens minder uitgebreid geijkt kan worden. Dus we zien nu wel ontwikkelingen om andersoortige data te gebruiken voor onze milieurapportage en bijbehorende kaarten, zoals metingen van andere dan referentieapparatuur.

Luchtkwaliteit meet-installatie in het RIVM sensor lab

Stipjes op de kaart

Dat gaat dus over data die door burgers wordt aangeleverd?

Ja. Onze kaarten worden nu gevoed door alle meetdata van onszelf, DCMR [de milieudienst van en voor de Rijnmondgemeenten en de provincie Zuid-Holland, DZ], GGD Amsterdam en de provincie Limburg. Alle officiële metingen zitten daarin. Maar we kunnen daar zonder teveel problemen ook metingen van anderen instoppen en daarmee de kaart nog gedetailleerder maken.

Maar dan krijg je dus allerlei data door elkaar waarvan sommige stipjes op de kaart betrouwbaar en geijkt zijn, en anderen minder betrouwbaar?

Nou, we willen wel dat het goede data is. Dat is ook als het ware de worst die we anderen voorhouden: als iemand de moeite doet om een goede meting te verkrijgen, dan krijgt die daar als beloning stipjes op de kaart voor terug die van henzelf zijn, waarmee die kaart in hun gebied gedetailleerder wordt. We willen uiteindelijk een soort van kwaliteitskeurmerk geven. We zitten er ook aan te denken om op een ‘on the fly’ manier een verschillend gewicht aan de data van verschillende apparaten te kunnen geven: dus we testen apparaten en naarmate we bijvoorbeeld de sensor van Jantje of Pietje meer gaan vertrouwen, gaat ‘ie ook zwaarder meewegen. En verder is het ook zo dat het aantal sensoren dat je gebruikt meeweegt: met tien-twintig setjes Palmes-buisjes kun je kwalitatief dezelfde luchtkwaliteit ijking mee behalen als met een actief meetstation.

Gaat jullie toekomstige meetnet afhangen van de grillige inzet van metende vrijwilligers?

Nou, het één zal het ander nooit helemaal vervangen. Er zal altijd een soort backbone blijven van de officiële metingen. Maar we hopen en verwachten dat door voldoende hulp en platform te bieden, er altijd voldoende mensen en partijen zijn die data willen leveren. En het maakt voor ons rekensysteem niet uit of één station op een gegeven moment wegvalt een paar uur. Elk station heeft wel een keertje de hik, of is in onderhoud. Net zo makkelijk zou je dus ook data van een particulier of van een gemeente mee kunnen nemen. En als die wegvalt, nou oké, dan wordt dat stukje kaart iets minder mooi, iets minder gedetailleerd. Maar daarmee blijft de kaart nog wel bestaan. Dus als je maar voldoende data-leveranciers hebt mogen ze best allemaal een beetje variëren in de tijd.

De cybernetische burger

U zegt tegelijkertijd dat dat de noodzaak om te meten aan het afnemen is, dat de luchtkwaliteit beter wordt door al ingezet beleid. Maar veel burgers die zelf meten doen dat omdat ze denken dat er wel nog meer data nodig is over luchtkwaliteit, en omdat ze daarmee verandering willen bereiken. Zo bestaat het idee om het verkeer op basis van meer lokale/real-time metingen beter te stroomlijnen.

Het idee om verkeer dynamisch te regelen is al minstens tien jaar oud, met het verschil dat je daar nu voor duizend euro apparatuur aan kwijt bent en tien jaar geleden was het twintig duizend euro. Maar het is, voor zover mij bekend, nog nooit echt praktisch nuttig gebleken. Want iedereen ziet een beetje over het hoofd dat je wel kunt wel constateren dat de luchtkwaliteit in de middag slecht is, maar ja, als er nou eenmaal vijftigduizend auto’s naar het zuiden de stad uit moeten, die gaan niet zeggen van: “oh jee, de luchtkwaliteit is slecht, ik ga maar niet.” Je moet het wel altijd koppelen aan het handelingsperspectief wat er is. En voor verkeer is dat soms gewoon heel weinig.

Maar wat is dan wel het handelingsperspectief dat je kunt koppelen aan citizen science?

Om een voorbeeld te noemen, er zijn al een tijdje ideeën voor een fietsrouteplanner, waar luchtkwaliteit als weegfactor inzit. Dan kun je kijken: ga ik linksom of rechtsom

Wesseling met prototype behuizing voor een DIY sensor-kit: “ons ontwerpcriterium is dat het goedkoop is en dat mensen het zelf kunnen maken.”

? Zelf heb ik weleens een kaartje gemaakt tussen hier en de Uithof, er zijn best wel veel mensen die die route fietsen. Afhankelijk van de roetconcentraties kon je dan kiezen wat de beste route is. Een ander voorbeeld hoe je die data kunt gebruiken is voor de omgeving van een schoolplein. Veel mensen brengen hun kinderen met de auto naar school. Je kunt nu sensoren op zo’n schoolplein ophangen en ook twee straten verder weg waar geen direct verkeer is, en de waarden vergelijken. Als je dan afspreekt dat iedereen een dag met de fiets komt, kun je de sensorwaarden op het schoolplein vergelijken met achtergrondwaarden en zien dat het lokaal effect heeft als meer mensen de auto thuislaten.

Zijn de sensoren die nu op de markt zijn goed genoeg om mensen daar betrouwbare informatie over aan te leveren?

Tot twee, drie jaar geleden kwam er vooral gecertificeerde rommel uit die goedkope sensoren. Nu is dat niet meer zo. Je zult nooit kunnen zien of de luchtkwaliteit exact boven of onder een bepaalde grenswaarde is. Dat moet je echt niet verwachten. Maar ze vertellen wel of het op het plekje waar de sensor hangt nu heel erg slecht is, gewoon slecht, of geweldig goed. Dat kan die technologie nu wel bieden.

Dus de visie die u heeft over de toekomstige stad is die van mensen die op basis van steeds meer data hun gedrag steeds nauwkeuriger kunnen afstemmen op hun omgeving?

Ja, idealiter zou je een soort beeld van een stad kunnen maken waarin je met kleurtjes aangeeft: Waar is de luchtkwaliteit goed? Maar waar is ook bijvoorbeeld de luchtvochtigheid redelijk? Waar is het qua temperatuur een beetje goed toeven? Geluid is ook een belangrijke. Je hebt dan een hele hoop factoren die je semi real-time, of helemaal real-time op zo’n kaart kunt weergeven. Dus je kunt kijken naar alles wat voor mensen belangrijk is om door het leven te gaan op een dag. Als je dat allemaal kunt digitaliseren op de een of andere manier, nou dan kun je ze ook keuzevrijheid, meer keuzemogelijkheden bieden.

Grote verzameling data

Voegen jullie bij het RIVM al die verschillende typen data samen?

Ja, dat is de charme van het RIVM. In tegenstelling tot andere, private organisaties kunnen wij heel breed en op lange termijn bezig zijn. Dus wij zetten bijvoorbeeld ook niet alleen in op luchtkwaliteit. Daarnaast is ons centrum, centrum milieukwaliteit, voor een deel geherstructureerd. Daarbij is een afdeling gevormd die zich specifiek op innovatie richt, dus dat maakt het beheer-technisch, financieel en qua menskracht makkelijker om breder bezig te zijn. Een van onze nieuwe activiteiten is het ontwikkelen van een dataplatform waar ook andere soorten data worden opgenomen. We hebben hiernaast bijvoorbeeld het centrum Veiligheid, die zijn ook met citizen science-achtige dingen bezig op het gebied van het meten van straling. En we hebben mensen die zich hier met geluid bezig houden, of met waterkwaliteit of landbouwkwaliteit. Lucht heeft nu een beetje een momentum, ook omdat de technologie op een goed punt zit, maar voor ons geplande dataplatform maakt het niet uit of je luchtkwaliteit, waterkwaliteit, geluid, of whatever meet. En dat dataplatform staat dus open voor bijdragen van allerlei andere partijen in de samenleving.

Wat is het doel dat het RIVM heeft met dat dataplatform?

Een paar jaar geleden heeft het RIVM het Gewaagde Doel geformuleerd. Dat doel is: “Bijdragen aan een verlenging van de gezonde levensduur in Nederland van twee jaar.” Dat is best wel ambitieus en natuurlijk ook lastig om te meten. Maar alles wat daaraan bijdraagt heeft de warme belangstelling van het RIVM. En betere luchtkwaliteit hoort daarbij, maar ook leren hoe je beter met luchtkwaliteit kunt omgaan leidt statistisch tot langere levensverwachting. En niet alleen langere levensduur, maar ook langere gezonde levensduur.

Individu versus Collectief

Gaan die geïndividualiseerde, ad-hoc oplossingen – een blokje omrijden bijvoorbeeld – voor luchtverontreiniging niet ten koste van meer structurele en collectieve maatregelen?

Je bedoelt “Ik zorg voor mijn eigen luchtkwaliteit en de rest zoekt het maar uit?” We zien het soms weleens langskomen ja, van die hele geïndividualiseerde oplossingen. Ooit kwam er iemand met een rugzak met planten langs: Aan de onderkant zat een soort substraat en dan een bak plantjes erin die moesten zorgen voor betere luchtkwaliteit. En daar bovenop een HEPA-filter. Dat filter is zo extreem efficiënt dat hij die planten voor fijnstof eigenlijk overbodig maakte. Over dat rugzakje hebben we vrij serieus mee zitten denken. Want als mensen baat hebben van dat soort oplossingen, wie zijn wij om daar wat te vinden?

Ik denk ook dat de opkomst van geïndividualiseerde oplossingen ook komt doordat er een grote variëteit van klachten die mensen hebben ten gevolge van luchtkwaliteit. Voor al die klachten bestaan veel verschillende typen oplossingen. Sommige mensen gaan naar de Wadden omdat ze daar baat bij hebben, anderen gebruiken zo’n filter. En met name in de hoek van de COPD achtige klachten, kan ik me voorstellen dat mensen zeggen: “Ik kan beter functioneren, ik ben minder moe als ik daar een individuele maatregelen ook voor tref.”

Roet-meetinstallatie in het RIVM sensor-lab

Ik heb nog niet gezien dat dat ten koste zou gaan van meer collectief denken. Ik zie dat elkaar niet noodzakelijkerwijs bijten. Want juist als mensen zo bewust bezig zijn met de keuzes die ze hebben, zal vermoed ik ook snel de realisatie komen dat hoe beter het is, hoe meer keuzes jij hebt. Als je in een stad bent die heel vervuild is, zijn er niet veel gezonde routes te nemen, dan moet je je heel bewust laten gidsen. Maar als alle routes goed zijn, stil zijn, veel bomen hebben, verkeersluw met goede luchtkwaliteit, dan heb jij dus meer keuzes. Als je merkt dat jouw keuze beperkt wordt zou dat er juist toe kunnen leiden dat je meer opties wil hebben.

Hoe verhoudt dat individuele handelingsperspectief zich tot bestuurlijke keuzen die bijvoorbeeld genomen moeten worden vanuit een stadsbestuur?

Burgers kunnen aan de hand van sensoren die bijvoorbeeld laten zien dat een straat veel vuiler is dan werd aangenomen, de discussie voeren. Dan genereer je meer gedetailleerde kennis op lokaal niveau wat over het algemeen ook tot meer discussies en hopelijk handelingsmogelijkheden leidt.

Maar in Amsterdam blijkt bijvoorbeeld al uit de metingen van het GGD dat op een aantal punten de NO2 waarden ver boven de berekende waarden liggen. En dat lijkt niet echt tot actief beleid te leiden. Dus wat halen lokale metingen van burgers dan uit in dat beleidsklimaat?

Amsterdam is ook een beetje een aparte case. Als je de monitoringsrapportage van het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit leest zul je zien dat daarin al jaren gemopperd wordt over de luchtkwaliteit in Amsterdam. En dat ook al jaren wordt geconstateerd dat het beeld wat Amsterdam in de officiële monitoring geeft van de luchtkwaliteit, niet goed aansluit bij eigen metingen in Amsterdam. Er zijn, voor zover mij bekend, tot op heden geen stevige discussies geweest in de gemeenteraad van Amsterdam over hoe het nou komt dat de metingen van de GGD in concentratieniveau hoger zijn dan de berekeningen. Het is dus een keuze van een stad om daar op een bepaalde manier mee om te gaan. Als we nog meer metingen zouden hebben, die ongetwijfeld hetzelfde laten zien, kun je je dus afvragen of dat uit zou maken. De handelingsruimte is erg afhankelijk van de keuzes die een gemeente maakt.

Gezond verstand

Ziet u uzelf gebruik maken van al die data op die manier?

Het zal voor mij persoonlijk niet zo heel veel uitmaken, want heel veel van de informatie die je uit zo’n app haalt, heb ik al. Die uurlijkse kaart bouw ik zelf, die heb ik op mijn telefoon. En een aantal andere dingen kan ik ook nog wel vrij makkelijk inschatten: als ik kan ga ik niet naast een hele drukke weg fietsen. Want heel vaak is het verschil alleen maar één straatje opschuiven en dan zit je uit de drukte. De keuze is soms heel simpel.

Voor dat soort beslissingen heb je dus eigenlijk helemaal geen data nodig? Dat is gewoon gezond verstand.

Ja, het is misschien meer dat mensen even getriggerd moeten worden van: “joh, ga tien meter naar links en dan naar rechts.” Het handelingsperspectief is voor een deel ook domweg dat het kwartje even moet vallen. En misschien dat als het kwartje valt, het de volgende keer helemaal niet meer nodig is. Dus ik denk niet dat het iets is wat mensen continue nodig hebben.

Geplaatst in Geen categorie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *