Towards Digital Freedom: 2e editie van de Gr1p- honours module voor de UvA

Voor de tweede keer zal Gr1p vanaf februari 2020 voor het Instituut voor Interdisciplinaire Studies (IIS) van de Universiteit van Amsterdam de Honoursmodule Towards Digital Freedom organiseren. Samen met de Vrije Universiteit verzorgt het IIS dit honours programma voor bachelor studenten die zich, naast hun hoofdstudie, breder willen verdiepen. Het vak bestaat uit 12 bijeenkomsten waarin we steeds terugkeren naar de vraag: wat betekent ‘vrijheid’ in de context van de digitale samenleving? Welke factoren versterken of bedreigen individuele en collectieve vrijheid, en wat is er voor nodig om onze vrijheid te bewaken?

Onze dagelijkse digitale omgeving is te vergelijken met het water waar vissen in zwemmen: voor een vis is water zo vanzelfsprekend dat deze moeilijk zichtbaar is. Door in deze cursus alledaagse digitale infrastructuren zichtbaar te maken, leren we ook begrijpen hoe we hier invloed op kunnen uitoefenen.

Gr1p workshop ‘De slimme stad op z’n Rotterdams’

Op 19 september 2019 organiseert Gr1p een workshop voor gemeente ambtenaren van Rotterdam over smart city ontwikkelingen in hun stad. De workshop, getiteld ‘De slimme stad op z’n Rotterdams’ vindt plaats tijdens het symposium ‘Beyond Smart Cities Today‘, georganiseerd door de Erasmus Universiteit in samenwerking met het Centre for Bold Cities en de Kenniswerkplaats Urban Big Data.

Het doel van de workshop is om voorbij de hype van de slimme stad te kijken naar de rol die digitalisering speelt bij de alledaagse maatschappelijke opgaven van Rotterdam. We vergelijken de digitaliseringstrategieën van verschillende steden en gaan op zoek naar het eigen Rotterdamse slimme stadsprofiel. Hoe vertaalt Rotterdam publieke waarden naar het digitale domein? Hoe maken we daarbij gebruik van de al aanwezige kennis en kunde binnen de gemeente? En hoe doen we dit in goed contact met de bewoners van Rotterdam?

Summer school UvA: Data-walk

Voor de Urban Studies Summer School, Sense, Space and Strategy, georganiseerd door dr. Thea Dukes verzorgen wij op 23 juli 2019 een Data Walk. Deze walk is oorspronkelijk gepionierd door Alison Powell en verder ontwikkeld door het Centre for Bold Cities. De Data Walk is een ontdekkingstocht door de buurt die stap voor stap inzicht geeft, en vragen oproept, over de vele vormen van stedelijke data-verzameling. De Data Walk wordt ingeleid met een lezing over de historische ontwikkeling van data-verzameling in de stedelijke omgeving en wordt afgesloten met presentaties en discussies door en met studenten over hun bevindingen.

Gr1p workshop voor Volksuniversiteit: “Krijg grip op je digitale leefomgeving”

Vrijdag 21 september 2018 begint Gr1p met de cursus “Krijg grip op je digitale leefomgeving” voor de Volksuniversiteit te Amsterdam.

In vier lessen geven we basaal inzicht in de technische werking van het internet, bespreken we de belangrijkste politieke en ethische issues en laten we zien welke keuzes u zelf kunnen maken in hun dagelijkse internetgebruik.

De drie vragen die centraal staan zijn:

  1. Hoe werken uw apparaten en hoe verhouden die zich tot de rest van het internet? Deze kennis stelt u in staat bewuster keuzes te maken over veilig internetten en het bewaken van uw privacy.
  2. Hoe functioneren de verschillende componenten van het internet en hoe liggen de machtsverhoudingen? Deze kennis stelt u in staat bewustere keuzes te maken over de hardware en software die u gebruikt.
  3. Hoe is de macht en verantwoordelijkheid verdeeld tussen overheid, bedrijven, burgers en fabrikanten? Hierdoor krijgt u een beter inzicht in de impact van het internet op de maatschappij.

Op deze manier biedt deze cursus handvatten om bewuster en vrijer in de digitale samenleving te bewegen.

De cursus vindt plaats op vier vrijdagen van 14.00- 16.00 in de centrale vestiging van de Openbare Bibliotheek Amsterdam.

 

 

 

Towards Digital Freedom: Gr1p verzorgt UvA honours class

Voor het Instituut voor Interdisciplinaire Studies (IIS) van de Universiteit van Amsterdam organiseert Gr1p van september – december 2018 de Honoursmodule Towards Digital Freedom. Samen met de Vrije Universiteit verzorgt het IIS dit honours programma voor bachelor studenten die zich, naast hun hoofdstudie, breder willen verdiepen. Het vak bestaat uit 12 bijeenkomsten waarin we steeds terugkeren naar de vraag: wat betekent ‘vrijheid’ in de context van de digitale samenleving? Welke factoren versterken of bedreigen individuele en collectieve vrijheid, en wat is er voor nodig om onze vrijheid te bewaken?

Onze dagelijkse digitale omgeving is te vergelijken met het water waar vissen in zwemmen: voor een vis is water zo vanzelfsprekend dat deze moeilijk zichtbaar is. Door in deze cursus alledaagse digitale infrastructuren zichtbaar te maken, leren we ook begrijpen hoe we hier invloed op kunnen uitoefenen.

The Politics of a Cybernetic World. Exploring today’s digital world through the historical lens of cybernetics

*** This event is now fully booked, if you want to reserve a seat on the waiting list, you can email anne.hovingh@student.uva.nl ***

What: A creative and engaging event exploring the politics of cybernetics with Katherine Hayles, Luc Steels, Andrew Pickering, and Ricarda Franzen
When: March 23, 4-7 PM
Where: Crea Muziekzaal, Nieuwe Achtergracht 170, Amsterdam
Entrance: free, registration required
Funded by the Netherlands Organisation for Scientific Research (NWO) as part of the research project Safeguarding long-term equal stakeholdership in the Smart City & the Center for Urban Studies of the University of Amsterdam as part of a collaboration with the Sheffield Urban Automation Institute

This is the concluding event of the two-day seminar The State of Cybernetics. The digitization of cities, bodies and communities. Click here for more information about this seminar.

What do cities, robots, corporations, political organizations, human bodies and the ecological environment have in common? For the scientists involved in the development of cybernetics in the 1940s, this was all but an awkward question. In seminars organized across the world, the cyberneticians came to think of humans, machines and the social and natural world as identical in their informational essence. In their intellectual and hands-on experimentations, they called forth a world in which machines, bodies and nature are entangled as complex, permanently evolving systems. As they theorized information to flow ever more effortlessly within and between these systems, they conceived new modes of social organization and political subjectivity. Humans no longer appeared as sovereign and bounded individuals but as circuits of polymorphous informational systems.

The purpose of this afternoon is to revisit the legacy of cybernetics to shed light on contemporary digital politics. Many of the fundamental questions asked by cyberneticians regain salience today. What remains of liberal individualism when the boundaries between humans, machines and nature are blurred? What are the systemic properties and operating routines of democracy in a world in which machines and humans are increasingly entangled?

Program:

4-4.30 PM performative reading directed by Ricarda Franzen

“Cybernetics Performed”
A theatrical reading of the Macy Conferences, directed by Ricarda Franzen (University of Amsterdam)

This six week long theatrical research was motivated by an interest in the content and form of the Macy conferences on cybernetics (1946-1953) — the latter described as “a moment when a new set of ideas impinged on the human sciences and began to transform some traditional fields of inquiry.” (Heims 1991). Together with the four performers, counseled by Dorien Zandbergen, and based on an initial idea of David Gauthier’s, Ricarda Franzen directed the actors in exploring the performative potential of a text that she composed entirely out of the original transcripts of the Macy conferences. While the performance features a number of noted cyberneticians, conceptually it centers on the figure of Gregory Bateson as observed through the eyes of his daughter who would go on to write an ethnography of a 1968 conference.

Performed by Jono Freeman, Kaylee Spivey Good, Merel Eigenhuis and Alzbeta Tuckova

4.30-5.30 PM lecture Katherine Hayles and short Q&A

“Does a Computer Have an Umwelt? An Exploration of Meaning-making Beyond the Human”
Keynote lecture professor Katherine Hayles (Duke University)

This talk explores the possibility of meaning-making beyond the human and beyond the biological into artificial forms of cognition. Many of our environmental crises today can be understood as an over-emphasis on humans as the most important species on the planet and an under-recognition of meaning-making among nonhuman animals and plants. Exploring that possibility opens up in a new way how meaning-making occurs, and thus sheds new light on cognitive assemblages, where humans and computational media interact. Jakob von Uexküll’s “umwelt” theory, which he articulated in the 1920s and 1930s, proposes that biological lifeforms construct subjective worlds for themselves based on the kinds of sensory systems they have and their environmental interactions. In addition, von Uexküll was an early cybernetician, proposing feedback mechanisms for many biological systems. Although von Uexküll’s work remains central to biosemiotics, the cybernetic aspect is little known or cited. This nearly-forgotten thread suggests the possibility for an expansion of the umwelt beyond the biological. Computers, like biological organisms, know the world through the data available to them, which may be limited to their programs or may extend into the world through sensors and actuators. The crucial element that the umwelt idea adds to existing discourse is the link between sign and meaning, potentially casting new light on the ways in which computational media construct meanings for themselves as subjects. This talk will explore that possibility, comparing contemporary media archeology with the umwelt and outlining the implications for a theory of meaning for networked and programmable machines.

5.30-6.30 PM lecture Luc Steels and short Q&A

“Cybernetics, Artificial Intelligence, and Artificial Life. Past interactions and future prospects.”
Keynote lecture professor Luc Steels

In the late eighties and nineties I was a core participant – and hence privileged observer – of the rise of Artificial Life, working and interacting intensely with Chris Langton, Rodney Brooks, Francesco Varela and other key players in the field. What were the movitations of this research field and what has come of it?
Artificial Intelligence (AI) had sprung up in the late nineteen fifties out of the earlier work on cybernetics, focusing on similar issues as cybernetics, namely the nature of intelligence and how it could be captured in artifacts, but bringing a new powerful toolkit from the then emerging field of computer science to the table. Computer Science goes beyond electrical engineering by being able to represent and process hugely complex data structures at high speeds, so that it becomes possible to seriously start modeling human language processing, problem solving, logical reasoning, and expert decision-making. By the early nineteen eighties symbolic processing technologies had reached maturity and AI had become a field with industrial applications and a growing impact on information technology. By comparison cybernetics became almost exclusively restricted to the construction of adaptive controllers for autonomous systems.

But by the late eighties there was a kind of revival of cybernetics. Several of the early cybernetic experiments (such as Grey Walter’s Elmer and Elsie) were reconstructed, although now with more solid mechanical and computational technologies. New types of conferences sprung up (such as the Simulation of Adaptive Behavior series with the first one in 1990 (Steels, 1990)), a few seminal workshops (in particular the Corsendonck workshop in 1991 (Steels and Brooks, 1994)), advanced schools (the most famous one being the Trento springschool in 1994 (Steels, 1995)) and new journals (such as the journal of Adaptive Behavior). What was going on? I believe the key objective of this new wave was to address two critical issues that AI had (and still has) trouble with, namely meaning and origins. We argued that a proper handling of meaning required agency, autonomy, embodiment, and an ecological setting, all topics that cybernetics had also integrated. And to understand the origins of intelligence we needed to adapt concepts from evolutionary biology and complex systems science, such as self-organisation, selection, level-formation, a.o. Many ideas and fascinating experiments came out of all this and I will give a short overview and how these ideas spilled over into language and concept formation.

The Alife approach to AI ran its course and is no longer in the spotlight. Instead, during the past decade AI has become dominated by statistical machine learning techniques, generating a tsunami of new technologies and applications thanks to the availability of Big Data and the massive increase in computing power. This has almost swept away both the sophisticated research on knowledge representation and reasoning (although this research has its own huge impact today in the semantic web or expert decision-making systems) and the biologically inspired research that powered the temporary interaction between AI and AL in the nineties. I believe however that in the near future we will see a resurgence of the issues that were raised by Alife-AI, as AI systems become more ubiquitous and widespread.

The recent perception that AI has reached a new peak of achievement, coupled to the development of other digital technologies, such as virtual reality, cloud computing, social media, digital self-monitoring, brain-computer interfaces, etc., has recently given rise to a curious fascinating new set of narratives about the future of humankind. There seems to be a new kind of religion taking shape, centered around digital immortality, which is thought to be achievable through sophisticated virtual AI agents and technologies of mind-uploading based on digital traces of human activity. I will briefly report on an artistic project that explores these issues using the medium of opera.

6.30-7PM Panel and discussion

Panel with Andrew Pickering, Luc Steels and Katherine Hayles

About the contributors

Katherine Hayles is Professor and Director of Graduate Studies in the Program in Literature at Duke University, and Distinguished Professor Emerita at the University of California, Los Angeles. She teaches and writes on the relations of literature, science and technology in the 20th and 21st centuries. Amongst her distinguished works are How We Think: Digital Media and Contemporary Technogenesis; How We Became Posthuman: Virtual Bodies in Cybernetics, Literature and Informatics, and Writing Machines.

Luc Steels is professor of computer science at the University of Brussels (VUB), co-founder and chairman (from 1990 until 1995) of the VUB Computer Science Department (Faculty of Sciences) and founder and first-director of the Sony Computer Science Laboratory in Paris. His main research field is Artificial Intelligence covering a wide range of intelligent abilities, including vision, robotic behavior, conceptual representations and language.

Andrew Pickering is an emeritus professor at the University of Exeter. He is internationally known as a leader in the field of science and technology studies. He is the author of Constructing Quarks: A Sociological History of Particle Physics, The Mangle of Practice: Time, Agency and Science and Kybernetik und Neue Ontologien. In his book The Cybernetic Brain: Sketches of Another Future, he analyses cybernetics as a distinctive form of life spanning brain science, psychiatry, robotics, the theory of complex systems, management, politics, the arts, education, spirituality and the 1960s counterculture, and argues that cybernetics offers a promising alternative to currently hegemonic cultural formations.

Ricarda Franzen works as a dra­maturg, sound artist and researcher at the University of Amsterdam. Coinciding with her interests in art practice, she is interested in aspects of sound in relation to its environment but also as being used in theatre and radio dramas. For the Rotterdam-based laboratory for Unstable Media she co-produced a performance based on the ideas of Buckminster Fuller and Marshall McLuhan. For the theatrical performance she developed for ‘the State of cybernetics,’ she similarly draws inspiration from a group of historical cutting-edge thinkers and tinkerers.

The performers:
Jono Freeman studied as an actor in Sydney Australia, before obtaining a Bachelor in Performance Studies and a DipEd in Drama Method (USYD and UNSW), and becoming a high school Drama teacher.
Kaylee Spivey Good is an American actor working to obtain her MA in Theatre Studies from Universiteit van Amsterdam focusing on the theatricality of antiquites in the early 19th century.
Merel Eigenhuis is -besides an enthusiastic drama teacher- a MA student Theatre Studies. She’s currently most interested in the crossover between digital technologies and contemporary theatre.
Alzbeta Tuckova is a theatre maker and performer studying MA Theatre Studies in UvA.  She has a practical background in performance art and theatre and is passionate about the power of art to express politics.

The organizers

Dorien Zandbergen is an anthropologist of digital culture and politics, currently working as a postdoc researcher at the Sociology Department of the University of Amsterdam. Her current work critically explores the politics of urban digitization. In the documentary In search of the Smart Citizen, which she co-produced with Sara Blom (Creative Commons 2015), she interrogates the vision of the “smart city.” She co-founded Stichting Gr1p  to support artistic and literary interventions that help make complex technological themes, visible, debatable and tangible for a broad audience. Her recent academic publications include “From data fetishism to quantifying selves” (with Tamar Sharon, New Media & Society, 2016) and “We Are Sensemakers.” The (Anti-)politics of Smart City Co-creation” (Public Culture, 2017).

Justus Uitermark is Associate Professor of Sociology at the University of Amsterdam. He is affiliated with the Center for Urban Studies and the Amsterdam Institute for Social Science Research. Uitermark’s research uses relational theorizing and network analysis to examine self-organization, political conflict, and the social organization of the city. With colleagues at the University of Amsterdam, he is currently researching the online/offline interface, utilizing data sourced from Twitter and Instagram to analyze subcultures and social movements. Recent publications include “Longing for Wikitopia. The study and politics of self-organization” (in Urban Studies) and Cities and Social Movements (co-authored with Walter J. Nicholls, Wiley).

The State of Cybernetics. The digitization of cities, bodies and communities. Seminar. Amsterdam. March 22-23


On March 22 and 23, Dorien Zandbergen and Justus Uitermark, based at the University of Amsterdam, organize a seminar entitled “The State of Cybernetics. The digitization of cities, bodies and communities.”

The purpose of the seminar is to revisit the legacy of cybernetics to shed light on contemporary digital politics. Many of the fundamental questions asked by cyberneticians regain salience today. What remains of liberal individualism when the boundaries between humans, machines and nature are blurred? What are the systemic properties and operating routines of democracy in a world in which machines and humans are increasingly entangled?

Scholars from fields as diverse as Philosophy, Anthropology, and Artificial Intelligence will give presentations. The speakers include Simon Marvin, Noortje Marres, Andrew Pickering, Willem Schinkel, Linnet Taylor and Tsjalling Swierstra. 

To allow for an in-depth discussion, there is a limit to the number of participants. Are you interested in taking part? Please inquire with Anne Hovingh: anne.hovingh@student.uva.nl

After you register you will receive a more detailed program with abstracts, locations and times.

The overarching vision for this seminar is to build and strengthen a network of thinkers and practitioners interested in developing critical perspectives regarding digital politics and digital urbanism in particular. This network stretches beyond academia and crosses over to multiple disciplines and fields of practice. Starting September 2018, the aim is to work towards joint research proposals, publications, and events.

The seminar will be concluded by a public event on Friday March 23 at 4PM with lectures by Luc Steels and Katherine Hayles, a theatrical performance prepared by Ricarda Franzen and a discussion between the speakers joined by Andrew Pickering. 

The seminar is funded by the Netherlands Organisation for Scientific Research (NWO) as part of the research project “Safeguarding long-term stakeholdership in Smart Cities” and by the Center for Urban Studies of the University of Amsterdam as part of a collaboration with the Sheffield Urban Automation Institute.

De politiek van luchtkwaliteit: interview Ivonne Jansen-Dings

Ivonne Jansen-Dings

Ivonne Jansen-Dings werkt sinds 2008 bij Waag Society, eerst als programma-ontwikkelaar en sinds mei 2017 als hoofd programma-maker. In die hoedanigheid houdt zij zich bezig met projecten waarin burgers gefaciliteerd worden om zelf hun omgeving, bijvoorbeeld op het gebied van luchtkwaliteit, in kaart te brengen door middel van toegankelijke meettechnologieën. Ivonne is ook betrokken geweest bij het UrbanAirQ project waar in eerdere gesprekken in deze interviewreeks over gesproken is (zie onze interviews met Dave de Jonge, Bas Mijling en Joris Lam). Net als in een voorgaand burger-meetproject van de Waag – het Smart Citizen Kit project – waren in het Urban AirQ project de meetgegevens niet helemaal wetenschappelijk sluitend. Toch, zo zegt Ivonne, zijn dit soort projecten wel degelijk erg betekenisvol.

Het creëren van sociale cohesie

Ivonne: Het is inderdaad zo dat data die voortkomt uit burgermeetprojecten nog niet echt een overtuigende kracht hebben voor andere organisaties. Ik kan me herinneren dat een groep bewoners in Amsterdam de komst van een nieuwe parkeerstrook wilde blokkeren door middel van luchtkwaliteitsmetingen. Ondanks het feit dat het KNMI door middel van een wetenschappelijke analyse heeft laten zien dat er echt waarde in die data zat, is de klacht van de bewoners direct afgewezen: niet op grond van de data, maar omdat die data niet van de GGD was en dus niet officieel was.

Maar deze mensen probeerden alleen maar gesprekspartner te worden in dit hele belangrijke gesprek. En dat doen ze ook nog eens op een heel constructieve manier: deze burgers zijn niet zomaar klagers, maar ze laten op basis van data zien waar precies de grenzen liggen bij dit soort projecten, en dus ook wat alternatieve mogelijkheden kunnen zijn. Voor de overheid zijn dit soort burgers misschien lastig, maar ik ben heel erg blij dat ze er zijn: ze maken het mogelijk voor een grotere groep mensen om zich te verhouden tot de overheid en tot ingewikkelde besluitvormingsprocessen.

Zijn de conventionele middelen die burgers hebben om zich te bemoeien met besluitvormingsprocessen dan niet meer toereikend?

Ik zie dat er steeds minder ruimte is in de samenleving voor mensen om zich te verenigen rondom een onderwerp. Door individualisering, door het feit dat we de vakbondscultuur hebben losgelaten en omdat mensen geen lid meer zijn van politieke partijen. Er zijn nog maar heel weinig plekken en manieren en podia om te zeggen: “Ik maak me hier zorgen over en ik wil dit voor het voetlicht brengen.” En om dat ook nog eens te zeggen met een grote groep mensen op een manier die niet te negeren is. Dat is waar wij met onze projecten op inspelen: wij bieden een plek waar mensen samen kunnen komen, die zich rondom zo’n project en onderwerp willen verenigen. Op die manier creëren we sociale cohesie.

Het organiseren van zaaltjes

Wat is de verhouding tussen dat streven naar het creëren van sociale cohesie enerzijds; en het bewerkstelligen van daadwerkelijke verandering anderzijds? Heb je voor dat laatste niet de politieke mechanismen nodig die we voor handen hebben?

Dat is inderdaad een heel ingewikkeld verhaal.

Ik zie in het algemeen dat vanuit de overheid nog steeds naar participatie wordt gekeken alsof het gaat om het organiseren van zaaltjes. Daar kunnen mensen dan bepaalde besluiten inzien en daarin inspraak hebben. De overheid probeert deze vorm van participatie nu ook relevant te maken voor het digitale domein, maar doet dat door het besluitvormingsproces op een 1 op 1 manier te vertalen naar een digitaal proces: er wordt dus een platform opgericht, daarmee kom je in de raad, en als je honderd likes hebt op je voorstel online, dan gaat het mee in de raad. Ik wil dat niet bagatelliseren want dat is ook super goed en innovatief, maar ik zie ook een andere vorm van participatie die meer gebruik maakt van de decentraliserende mogelijkheden die digitale technologie heeft en die echt naar de andere kant doorslaat. Mensen organiseren zichzelf niet meer via die verticale lijntjes, en daar zal de overheid zich toe moeten gaan verhouden.

Je bedoelt dus eigenlijk dat je met dit soort citizen science projecten niet alleen inspraak probeert te krijgen in bestaande politieke processen, maar ook die processen zelf aan het veranderen bent? Wat voor rol kan data daarin hebben?

In ons project vinden we het vooral heel belangrijk dat we mensen in een betere kennispositie zetten. In de voorgaande trajecten van het Smart Citizen Kit project, en de opvolger, het Urban AirQ project, speelden de vele experts en organisaties die met ons meekeken daar een hele grote rol bij. Mensen van het RIVM, het Longfonds, het KNMI en anderen hebben heel veel presentaties gegeven waarin ze mensen vertelden wat de potentie is van dit soort projecten, wat je ermee kunt en wat andere manieren zijn om luchtkwaliteit te meten. De groep mensen die hierbij betrokken was werd daardoor ook steeds mondiger, en steeds beter geïnformeerd.

Mensen konden op basis van die kennis besluiten om hun eigen gedrag te veranderen – bijvoorbeeld het open of dichtdoen van een raam – maar ik geloof ook dat dat uiteindelijk ook een slagvaardiger samenleving oplevert: als ze namelijk allemaal gaan meten gaat daar ook een daadwerkelijke protestkracht vanuit. Wat ik zie ontstaan is eigenlijk een nieuwe kracht, die dingen kan veranderen. En die de overheid forceert om hun besluitvormingsprocessen op een andere manier in te gaan richten.

De kracht van burger-meetprojecten

Eindpresentatie Urban AirQ project, Waag Society

Maar dan heb je het toch over een traject waarin je de burger traint om de taal te spreken van de professional, en op die manier met een beetje geluk gehoord kan worden. Wat is dan de revolutionaire kracht van dit soort burger-meetprojecten?

Ik denk dat die kracht er ook in zit dat de activiteit van het meten de relatie tot het gemetene verandert. Gewoon het feit dat je als burger luchtkwaliteit aan het meten bent, dat je toegang krijgt tot de tools, verandert je relatie tot het onderwerp luchtkwaliteit. Dus je bent niet meer de persoon die je daarvoor was. Je bent niet meer degene die de hele tijd denkt: “het stinkt hier zo in de straat, het is hier slecht.” In plaats daarvan denk je: “Dit stukje voor mijn raam is van 9 tot 5 misschien niet zo heel goed en dat komt waarschijnlijk doordat altijd die taxi’s daar geparkeerd zijn.” Dus je hebt in 1 keer een heel andere taal gekregen om over het onderwerp na te denken, en je hebt het je op je eigen manier toegeëigend. Dat is dus heel wat anders dan dat hele beperkte “Het is slecht.”

Hoe zou deze vorm van kennis-en inzicht zich kunnen verhouden tot de besluitvormingsprocessen van de overheid?

Nou, we zijn nu bijvoorbeeld bezig met het thema geluid. Daar is ook de stad Barcelona veel mee bezig geweest en we leren veel van hen. Geïnspireerd op wat zij doen gaan we werken met drie typen data: 1) met data gegeneerd door burgers op basis van wat zij willen weten, en hoe zij erover praten; 2) op basis van een zelflerend algoritme dat in staat is om automatisch die metingen te herleiden tot de bron – dus dit geluid komt van een scooter, dit van een tram, etc.; en 3) op basis van hoge kwaliteit meetgegevens van een professionele instantie, dat fungeert als een soort ijkpunt. Door dit project op deze manier op te tuigen zorgen we ervoor dat de meetwaarden zowel dichtbij de beleving van de burger staan, als ook daadwerkelijk invloed kan hebben op beleid. De politieke besluitvorming kan hier dan eigenlijk niet meer omheen.

Tegen de “Uberisering” van lucht

Sensor calibratie

Maar dan toch die vraag: waarom zou je met low-tech, Do It Yourself meetapparatuur aan de slag gaan voor dit soort reguleringsvraagstukken, als je ook al veel professionele meetapparatuur en meetorganisaties hebt?

Nou, een ander aspect waar ik sterk door gemotiveerd word heeft te maken met het feit dat die Do It Yourself sensoren nou eenmaal sterk in ontwikkeling zijn. En wat geldt voor elke technologie, geldt ook hier: het is heel belangrijk om er op een vroeg moment voor te zorgen dat die technologie open en toegankelijk blijft voor een grote groep mensen. Als je niet uitkijkt hebben wij over 10 jaar Uber-Air, of Samsung-Air op je smartphone: in dat scenario is die data opeens niet meer van ons, die moet je dan gaan kopen. Of misschien krijgen we het als we het heel lief vragen, maar dan nog steeds maar in beperkte mate. Je ziet nu al met veel data-verzamelende technologieën dat die informatie ontnomen is aan onze democratische structuren. Die staan ergens in Silicon Valley op een server, daar hebben we dan geen zeggenschap, geen eigenaarschap meer over.

Wat wij nu doen is zo’n technologie helemaal in het begin van het ontwikkelingstraject oppakken, op het moment dat het nog open is, als het nog niet massaal uitgerold is door een Uber.

Wij creëren dus een groep mensen die zich bewust zijn van het feit dat die technologie er is, dat die benaderbaar, aanraakbaar en bereikbaarheid is en dat de data die ze creëren ook echt van hen is. Op die manier creëren we dus nu al de tegenbeweging die over tien jaar nodig is.

Wouter Moraal

 

Wouter Moraal is masterstudent Media Technology aan de Universiteit Leiden. Hij houdt ervan om complexe materie om te zetten in begrijpelijke artikelen, presentaties, filmpjes en interactieve installaties. Zijn doel is om mensen bewust te maken van hun technologische omgeving, zodat ze controle kunnen uitoefenen over hun eigen leven. Hij is actief betrokken als vrijwilliger bij het Privacy Café, de Internetvrijheid Toolbox en andere projecten die gesteund worden door digitale burgerrechten organisatie Bits of Freedom. Ook initieerde hij een online burgercampagne tegen de voormalige Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens.

Wouter leerde tijdens zijn Bachelor Taal- en Cultuurstudies de verwikkelingen van media, technologie en cultuur kritisch te bevragen. Sindsdien is hij vooral geïnteresseerd in de rol van technologie als het gaat om privacy, veiligheid en vrijheid. Tijdens zijn huidige masteropleiding houdt hij zich zowel praktisch als theoretisch bezig met uiteenlopende onderwerpen op het snijvlak van wetenschap, technologie en kunst.

Wouter Moraal op Twitter

 

 

 

De politiek van luchtkwaliteit: interview Joost Wesseling, RIVM

Joost Wesseling met sensor kit

Joost Wesseling is een gepromoveerd kernfysicus, die in de luchtkwaliteit is beland. “In de natuurkunde heb je maar een handjevol echte basisvergelijkingen. En als je die ooit een keertje hebt leren oplossen, dan maakt het niet zoveel uit of je een kerncentrale, een atoomkern, een stoom-watersysteem of luchtkwaliteit doorrekent,” legt hij uit. Sinds 11 jaar werkt hij voor het centrum milieukwaliteit van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Bilthoven. Het RIVM houdt zich onder meer bezig met het genereren van modellen die luchtkwaliteit berekenen, waarbij meetstations deze modellen ijken. Wesseling werkt daarnaast ook veel met burgers die zelf aan de slag willen met het meten van luchtkwaliteit.

Waarom burgers meten

Wat is de motivatie van mensen om zelf luchtkwaliteit te meten?

 Milieudefensie is op een gegeven moment begonnen om burgers te betrekken bij het meten met Palmes buisjes. Dat was in een periode dat er heel veel discussie was over de kwaliteit van rekenmodellen die wij op onze afdeling in beheer hebben. Tegenwoordig kom je heel zelden nog tegen dat mensen zelf meten omdat ze niet geloven wat wij uitrekenen. Veel vaker is het: “ja, geweldig die metingen, ik geloof het best wel, maar het dichtstbijzijnde station is tien kilometer die kant op en ik wil weten hoe het in mijn achtertuin of op de school van mijn kinderen zit.” Ik heb ook een achtertuin vol met sensoren hangen. Niet omdat ik niet geloof wat ik zelf uitreken. Het is gewoon leuk om het zelf te doen. Je hebt mensen die meten het weer, je hebt mensen die meten straling, je hebt mensen die meten ultraviolet en je hebt mensen die meten luchtkwaliteit. En dat wil niet zeggen dat ze daarmee het systeem allemaal per definitie wantrouwen.

Hoe zit het met de betrouwbaarheid van de data die burgers genereren met hun luchtkwaliteitsmetingen?

Als je het hebt over Palmes-buisjes voor stikstofdioxide, die hebben een onzekerheid in de orde van 20-25%. Dat betekent dat ze niet goed genoeg zijn voor gebruik in officiële metingen, die onzekerheid mag niet hoger zijn dan 15%. De onzekerheid van onze eigen stikstofdioxide metingen, is 8%. Maar er wordt steeds meer getest met digitale sensoren. Wij zetten ons ervoor in om die metingen steeds beter te maken. We hebben vorig jaar een symposium georganiseerd: Samen meten aan Luchtkwaliteit heette dat. Daarin hebben we een lijn uitgezet waarin we burgers en andere overheden willen faciliteren om beter te meten.

Wat houdt dat beter meten in?

Onder meer het meten op de langere termijn en het kalibreren van hun technologieën aan onze stations: we hebben een aantal van onze meetpunten zo uitgerust dat andere partijen daar hun sensoren bij kunnen zetten. We helpen ook met data-opslag en data-analyse. Dat is allemaal gericht op de vraag hoe je de kwaliteit van die metingen naar een hoger plan kunt tillen.

Rijden jullie daar jezelf niet mee in de wielen? Maken die goedkope, vrijwillige metingen jullie werk niet overbodig? 

Nou, onze Directeur Generaal wil dat we nog meer dan dat we al deden de discussie met burgers aangaan. En je ontkomt er ook niet aan: alle vragen op milieugebied en luchtkwaliteit gebied komen uiteindelijk bij het RIVM. En er komen nou eenmaal heel veel vragen daarover op in de samenleving. Zoals Milieudefensie dat als eerste deed, met data naar een nationale of lokale overheid gaan en zeggen: “Wij hebben dit gemeten, het klopt niet met wat jullie doen.” Wij zijn toen al voor burgermetingen gaan samenwerken met Milieudefensie, omdat we vertrouwen hadden in onze rekenmodellen. We ijkten hun Palmes-buisjes en we gebruikten hun metingen om de juistheid van onze rekenmodellen aan te tonen, en om die hier en daar aan te passen waar nodig.

Aan de muur op het RIVM: het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit

Een aantal jaar geleden hebben we met z’n allen binnen het milieusegment bedacht om nog meer in dat proces van betrokkenheid door burgers mee te gaan. En als we daarmee helpen om de metingen beter te maken, kan het zijn dat blijkt dat ons model misschien op punten bijgepast moet worden. Dat is inherent aan modellen, dat zien we niet zozeer als een bedreiging. En als je het niet als bedreiging ziet wordt het ook een stuk makkelijker om mee te gaan.

Is het officiële meetnet overbodig?

Ik begreep ook dat het RIVM de opdracht heeft gekregen om het meetnet goedkoper te maken en dat citizen science daarbij een rol gaan spelen?

De laatste paar jaren speelt inderdaad een discussie over kosten: zo’n meetpunt kost tot ongeveer honderdduizend euro plus nog enkele tienduizenden euro’s per jaar aan onderhoud en voor het vervangen van de apparatuur. Dus we hebben de discussie of we wel al die, pak ‘m beet, tachtig meetpunten van het RIVM en anderen in Nederland in stand moeten houden. En ze zijn ook niet meer voor alle stoffen in deze aantallen echt nodig: er zijn Europese regelingen die zeggen dat je vooral verplicht bent om te meten bij hoge concentraties vervuiling. Nou, de concentraties nemen af, dus je kunt gaan bedenken: oké, misschien heb ik ze niet allemaal meer nodig. Luchtkwaliteit is voor sommige stoffen echt heel erg veel beter geworden de laatste tien jaar.

Maar we begrepen ook van Bert Brunekreef dat er nog steeds vrij veel onbekend is op het gebied van luchtvervuiling. Bijvoorbeeld als het gaat om ultrafijn stof.

Ja, maar ultrafijn stof wordt niet overal in hele grote hoeveelheden gevonden, dat is vooral een Schiphol discussie op het moment, en een beetje chemische industrie. Bovendien is ultrafijn stof niet gereglementeerd vanuit Europa. Je hoeft het niet te meten. Meetverplichtingen hebben alleen betrekking op stikstofdioxide, stikstofoxide, fijn stof, twee soorten ozon, benzeen, en nog wat andere, in totaal een stuk of twintig stoffen. En voor de meeste van die stoffen zitten we steeds lager in concentratie.

Maar dan zou het meten dus eigenlijk helemaal niet nodig zijn, ook niet door burgers?

Nou, we doen nog wel wat meer dan alleen voldoen aan de Europese regels: we maken bijvoorbeeld ook kaarten voor de luchtkwaliteit in heel Nederland. Zowel jaarlijkse kaarten met heel veel detail, maar ook uurlijkse kaarten. En om die kaarten beter te maken, ze te ijken, gebruiken we meetdata. Dus als je zomaar een aantal stations zou sluiten, kan dat misschien volgens de strikte interpretatie, maar dat betekent wel dat je kaart en andere gegevens minder uitgebreid geijkt kan worden. Dus we zien nu wel ontwikkelingen om andersoortige data te gebruiken voor onze milieurapportage en bijbehorende kaarten, zoals metingen van andere dan referentieapparatuur.

Luchtkwaliteit meet-installatie in het RIVM sensor lab

Stipjes op de kaart

Dat gaat dus over data die door burgers wordt aangeleverd?

Ja. Onze kaarten worden nu gevoed door alle meetdata van onszelf, DCMR [de milieudienst van en voor de Rijnmondgemeenten en de provincie Zuid-Holland, DZ], GGD Amsterdam en de provincie Limburg. Alle officiële metingen zitten daarin. Maar we kunnen daar zonder teveel problemen ook metingen van anderen instoppen en daarmee de kaart nog gedetailleerder maken.

Maar dan krijg je dus allerlei data door elkaar waarvan sommige stipjes op de kaart betrouwbaar en geijkt zijn, en anderen minder betrouwbaar?

Nou, we willen wel dat het goede data is. Dat is ook als het ware de worst die we anderen voorhouden: als iemand de moeite doet om een goede meting te verkrijgen, dan krijgt die daar als beloning stipjes op de kaart voor terug die van henzelf zijn, waarmee die kaart in hun gebied gedetailleerder wordt. We willen uiteindelijk een soort van kwaliteitskeurmerk geven. We zitten er ook aan te denken om op een ‘on the fly’ manier een verschillend gewicht aan de data van verschillende apparaten te kunnen geven: dus we testen apparaten en naarmate we bijvoorbeeld de sensor van Jantje of Pietje meer gaan vertrouwen, gaat ‘ie ook zwaarder meewegen. En verder is het ook zo dat het aantal sensoren dat je gebruikt meeweegt: met tien-twintig setjes Palmes-buisjes kun je kwalitatief dezelfde luchtkwaliteit ijking mee behalen als met een actief meetstation.

Gaat jullie toekomstige meetnet afhangen van de grillige inzet van metende vrijwilligers?

Nou, het één zal het ander nooit helemaal vervangen. Er zal altijd een soort backbone blijven van de officiële metingen. Maar we hopen en verwachten dat door voldoende hulp en platform te bieden, er altijd voldoende mensen en partijen zijn die data willen leveren. En het maakt voor ons rekensysteem niet uit of één station op een gegeven moment wegvalt een paar uur. Elk station heeft wel een keertje de hik, of is in onderhoud. Net zo makkelijk zou je dus ook data van een particulier of van een gemeente mee kunnen nemen. En als die wegvalt, nou oké, dan wordt dat stukje kaart iets minder mooi, iets minder gedetailleerd. Maar daarmee blijft de kaart nog wel bestaan. Dus als je maar voldoende data-leveranciers hebt mogen ze best allemaal een beetje variëren in de tijd.

De cybernetische burger

U zegt tegelijkertijd dat dat de noodzaak om te meten aan het afnemen is, dat de luchtkwaliteit beter wordt door al ingezet beleid. Maar veel burgers die zelf meten doen dat omdat ze denken dat er wel nog meer data nodig is over luchtkwaliteit, en omdat ze daarmee verandering willen bereiken. Zo bestaat het idee om het verkeer op basis van meer lokale/real-time metingen beter te stroomlijnen.

Het idee om verkeer dynamisch te regelen is al minstens tien jaar oud, met het verschil dat je daar nu voor duizend euro apparatuur aan kwijt bent en tien jaar geleden was het twintig duizend euro. Maar het is, voor zover mij bekend, nog nooit echt praktisch nuttig gebleken. Want iedereen ziet een beetje over het hoofd dat je wel kunt wel constateren dat de luchtkwaliteit in de middag slecht is, maar ja, als er nou eenmaal vijftigduizend auto’s naar het zuiden de stad uit moeten, die gaan niet zeggen van: “oh jee, de luchtkwaliteit is slecht, ik ga maar niet.” Je moet het wel altijd koppelen aan het handelingsperspectief wat er is. En voor verkeer is dat soms gewoon heel weinig.

Maar wat is dan wel het handelingsperspectief dat je kunt koppelen aan citizen science?

Om een voorbeeld te noemen, er zijn al een tijdje ideeën voor een fietsrouteplanner, waar luchtkwaliteit als weegfactor inzit. Dan kun je kijken: ga ik linksom of rechtsom

Wesseling met prototype behuizing voor een DIY sensor-kit: “ons ontwerpcriterium is dat het goedkoop is en dat mensen het zelf kunnen maken.”

? Zelf heb ik weleens een kaartje gemaakt tussen hier en de Uithof, er zijn best wel veel mensen die die route fietsen. Afhankelijk van de roetconcentraties kon je dan kiezen wat de beste route is. Een ander voorbeeld hoe je die data kunt gebruiken is voor de omgeving van een schoolplein. Veel mensen brengen hun kinderen met de auto naar school. Je kunt nu sensoren op zo’n schoolplein ophangen en ook twee straten verder weg waar geen direct verkeer is, en de waarden vergelijken. Als je dan afspreekt dat iedereen een dag met de fiets komt, kun je de sensorwaarden op het schoolplein vergelijken met achtergrondwaarden en zien dat het lokaal effect heeft als meer mensen de auto thuislaten.

Zijn de sensoren die nu op de markt zijn goed genoeg om mensen daar betrouwbare informatie over aan te leveren?

Tot twee, drie jaar geleden kwam er vooral gecertificeerde rommel uit die goedkope sensoren. Nu is dat niet meer zo. Je zult nooit kunnen zien of de luchtkwaliteit exact boven of onder een bepaalde grenswaarde is. Dat moet je echt niet verwachten. Maar ze vertellen wel of het op het plekje waar de sensor hangt nu heel erg slecht is, gewoon slecht, of geweldig goed. Dat kan die technologie nu wel bieden.

Dus de visie die u heeft over de toekomstige stad is die van mensen die op basis van steeds meer data hun gedrag steeds nauwkeuriger kunnen afstemmen op hun omgeving?

Ja, idealiter zou je een soort beeld van een stad kunnen maken waarin je met kleurtjes aangeeft: Waar is de luchtkwaliteit goed? Maar waar is ook bijvoorbeeld de luchtvochtigheid redelijk? Waar is het qua temperatuur een beetje goed toeven? Geluid is ook een belangrijke. Je hebt dan een hele hoop factoren die je semi real-time, of helemaal real-time op zo’n kaart kunt weergeven. Dus je kunt kijken naar alles wat voor mensen belangrijk is om door het leven te gaan op een dag. Als je dat allemaal kunt digitaliseren op de een of andere manier, nou dan kun je ze ook keuzevrijheid, meer keuzemogelijkheden bieden.

Grote verzameling data

Voegen jullie bij het RIVM al die verschillende typen data samen?

Ja, dat is de charme van het RIVM. In tegenstelling tot andere, private organisaties kunnen wij heel breed en op lange termijn bezig zijn. Dus wij zetten bijvoorbeeld ook niet alleen in op luchtkwaliteit. Daarnaast is ons centrum, centrum milieukwaliteit, voor een deel geherstructureerd. Daarbij is een afdeling gevormd die zich specifiek op innovatie richt, dus dat maakt het beheer-technisch, financieel en qua menskracht makkelijker om breder bezig te zijn. Een van onze nieuwe activiteiten is het ontwikkelen van een dataplatform waar ook andere soorten data worden opgenomen. We hebben hiernaast bijvoorbeeld het centrum Veiligheid, die zijn ook met citizen science-achtige dingen bezig op het gebied van het meten van straling. En we hebben mensen die zich hier met geluid bezig houden, of met waterkwaliteit of landbouwkwaliteit. Lucht heeft nu een beetje een momentum, ook omdat de technologie op een goed punt zit, maar voor ons geplande dataplatform maakt het niet uit of je luchtkwaliteit, waterkwaliteit, geluid, of whatever meet. En dat dataplatform staat dus open voor bijdragen van allerlei andere partijen in de samenleving.

Wat is het doel dat het RIVM heeft met dat dataplatform?

Een paar jaar geleden heeft het RIVM het Gewaagde Doel geformuleerd. Dat doel is: “Bijdragen aan een verlenging van de gezonde levensduur in Nederland van twee jaar.” Dat is best wel ambitieus en natuurlijk ook lastig om te meten. Maar alles wat daaraan bijdraagt heeft de warme belangstelling van het RIVM. En betere luchtkwaliteit hoort daarbij, maar ook leren hoe je beter met luchtkwaliteit kunt omgaan leidt statistisch tot langere levensverwachting. En niet alleen langere levensduur, maar ook langere gezonde levensduur.

Individu versus Collectief

Gaan die geïndividualiseerde, ad-hoc oplossingen – een blokje omrijden bijvoorbeeld – voor luchtverontreiniging niet ten koste van meer structurele en collectieve maatregelen?

Je bedoelt “Ik zorg voor mijn eigen luchtkwaliteit en de rest zoekt het maar uit?” We zien het soms weleens langskomen ja, van die hele geïndividualiseerde oplossingen. Ooit kwam er iemand met een rugzak met planten langs: Aan de onderkant zat een soort substraat en dan een bak plantjes erin die moesten zorgen voor betere luchtkwaliteit. En daar bovenop een HEPA-filter. Dat filter is zo extreem efficiënt dat hij die planten voor fijnstof eigenlijk overbodig maakte. Over dat rugzakje hebben we vrij serieus mee zitten denken. Want als mensen baat hebben van dat soort oplossingen, wie zijn wij om daar wat te vinden?

Ik denk ook dat de opkomst van geïndividualiseerde oplossingen ook komt doordat er een grote variëteit van klachten die mensen hebben ten gevolge van luchtkwaliteit. Voor al die klachten bestaan veel verschillende typen oplossingen. Sommige mensen gaan naar de Wadden omdat ze daar baat bij hebben, anderen gebruiken zo’n filter. En met name in de hoek van de COPD achtige klachten, kan ik me voorstellen dat mensen zeggen: “Ik kan beter functioneren, ik ben minder moe als ik daar een individuele maatregelen ook voor tref.”

Roet-meetinstallatie in het RIVM sensor-lab

Ik heb nog niet gezien dat dat ten koste zou gaan van meer collectief denken. Ik zie dat elkaar niet noodzakelijkerwijs bijten. Want juist als mensen zo bewust bezig zijn met de keuzes die ze hebben, zal vermoed ik ook snel de realisatie komen dat hoe beter het is, hoe meer keuzes jij hebt. Als je in een stad bent die heel vervuild is, zijn er niet veel gezonde routes te nemen, dan moet je je heel bewust laten gidsen. Maar als alle routes goed zijn, stil zijn, veel bomen hebben, verkeersluw met goede luchtkwaliteit, dan heb jij dus meer keuzes. Als je merkt dat jouw keuze beperkt wordt zou dat er juist toe kunnen leiden dat je meer opties wil hebben.

Hoe verhoudt dat individuele handelingsperspectief zich tot bestuurlijke keuzen die bijvoorbeeld genomen moeten worden vanuit een stadsbestuur?

Burgers kunnen aan de hand van sensoren die bijvoorbeeld laten zien dat een straat veel vuiler is dan werd aangenomen, de discussie voeren. Dan genereer je meer gedetailleerde kennis op lokaal niveau wat over het algemeen ook tot meer discussies en hopelijk handelingsmogelijkheden leidt.

Maar in Amsterdam blijkt bijvoorbeeld al uit de metingen van het GGD dat op een aantal punten de NO2 waarden ver boven de berekende waarden liggen. En dat lijkt niet echt tot actief beleid te leiden. Dus wat halen lokale metingen van burgers dan uit in dat beleidsklimaat?

Amsterdam is ook een beetje een aparte case. Als je de monitoringsrapportage van het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit leest zul je zien dat daarin al jaren gemopperd wordt over de luchtkwaliteit in Amsterdam. En dat ook al jaren wordt geconstateerd dat het beeld wat Amsterdam in de officiële monitoring geeft van de luchtkwaliteit, niet goed aansluit bij eigen metingen in Amsterdam. Er zijn, voor zover mij bekend, tot op heden geen stevige discussies geweest in de gemeenteraad van Amsterdam over hoe het nou komt dat de metingen van de GGD in concentratieniveau hoger zijn dan de berekeningen. Het is dus een keuze van een stad om daar op een bepaalde manier mee om te gaan. Als we nog meer metingen zouden hebben, die ongetwijfeld hetzelfde laten zien, kun je je dus afvragen of dat uit zou maken. De handelingsruimte is erg afhankelijk van de keuzes die een gemeente maakt.

Gezond verstand

Ziet u uzelf gebruik maken van al die data op die manier?

Het zal voor mij persoonlijk niet zo heel veel uitmaken, want heel veel van de informatie die je uit zo’n app haalt, heb ik al. Die uurlijkse kaart bouw ik zelf, die heb ik op mijn telefoon. En een aantal andere dingen kan ik ook nog wel vrij makkelijk inschatten: als ik kan ga ik niet naast een hele drukke weg fietsen. Want heel vaak is het verschil alleen maar één straatje opschuiven en dan zit je uit de drukte. De keuze is soms heel simpel.

Voor dat soort beslissingen heb je dus eigenlijk helemaal geen data nodig? Dat is gewoon gezond verstand.

Ja, het is misschien meer dat mensen even getriggerd moeten worden van: “joh, ga tien meter naar links en dan naar rechts.” Het handelingsperspectief is voor een deel ook domweg dat het kwartje even moet vallen. En misschien dat als het kwartje valt, het de volgende keer helemaal niet meer nodig is. Dus ik denk niet dat het iets is wat mensen continue nodig hebben.