De politiek van luchtkwaliteit: interview Bert Brunekreef, IRAS

Bert Brunekreef op zijn werkkamer op het IRAS

Bert Brunekreef werd door onze vorige interviewee Dave de Jonge aan ons voorgesteld als de “Johan Cruijff op het gebied van luchtkwaliteit.” Werkend voor het in Utrecht gelegen IRAS doet hij al meer dan dertig jaar onderzoek naar de samenstelling van luchtkwaliteit en gezondheidseffecten daarvan. Hij houdt zich bezig met kostbare professionele meetmethodes om fijn stof te meten, maar heeft ook samen met het RIVM en het Longfonds meegewerkt aan het ontwikkelen van een gratis luchtkwaliteitsapp voor geïnteresseerde en bezorgde burgers. Brunekreef beweegt zich als zodanig tussen vele werelden met aan de ene kant wetenschappers en experts voor wie het meten van luchtkwaliteit kwestie is van levenslange training en expertise, en aan de andere kant een groeiende groep mensen die op meer directe manier ook zelf bij het meten en beoordelen van luchtkwaliteit betrokken wil worden. Binnen dit complexe domein werkt Brunekreef aan innovatieve vertalingen tussen gemeten waarden en
handelingsperspectief.

Meten met burgers

Wat heeft u gemerkt de afgelopen jaren van de opkomst van citizen science?

Nou, wij doen er zelf eigenlijk ook al zo’n 30 jaar aan mee, maar wij noemen dat dan “personal monitoring”: dat houdt in dat we onderzoekspopulaties uitrusten met meetapparatuur om te meten wat zij daadwerkelijk inademen. We gebruiken daar steeds verfijndere technologie voor.

Wat meten jullie dan precies en met wat voor technieken?

We meten fijn stof, wat eigenlijk heel lastig is om te meten. Daarvoor gebruiken we een apparaat dat fijn stof “gravimetrisch” meet. Dat apparaat zit in een rugzak waarmee iemand een paar dagen rondloopt. Een “cycloontje” op het apparaat zuigt zo’n 24 a 48 uur fijn stof deeltjes aan, die we vervolgens wegen in één van onze weegkamers. Dat gebeurt op microgram niveau, dus je hebt een ontzettend gevoelige weegschaal nodig en je moet zorgen dat allerlei andere condities goed in de gaten worden gehouden. In onze weegkamer wordt de lucht dan ook strak op dertig procent relatieve vochtigheid gehouden, op precies twintig graden binnen hele nauwe marges. Er wordt ook statische elektriciteit afgevoerd, omdat dat de metingen kan beïnvloeden, en nog een aantal van die trucs.

Dat is dan wel heel verschillend van het citizen science zoals wij dat hebben leren kennen, waarbij goedkope sensoren en lichte apparaatjes worden gebruikt.

 Ja, zo’n rugzakje kost enkele duizenden euro’s, en ook de analyse van de data is heel kostbaar, omdat we het heel betrouwbaar willen doen. Zo’n weegkamer kost ongeveer een ton. Daarbij, niemand loopt voor zijn lol met die rugzakjes rond, die zijn best zwaar. Je kunt dat dus maar voor een beperkt aantal dagen doen en dan geef ik een kleine financiële compensatie aan de proefpersonen om het leed te verzachten. Maar als je niet oppast vertonen ze gedragsveranderingen: dat mensen die op dinsdag zo’n rugzakje krijgen dan hun boodschappen die ze normaal op dinsdag doen dan maar op woensdag doen zodat ze de deur niet uit hoeven met dat ding.

Maar dat citizen science waar jullie het over hebben gaat erom mensen de gelegenheid te geven zelf hun luchtverontreiniging te meten met goedkope technologie en daar handelingsperspectieven aan te koppelen. En dat is een lastige, want goedkope technologie is niet noodzakelijkerwijs betrouwbaar.

Ter illustratie, ik was afgelopen september op een congres in Londen waar aan het publiek koolmonoxide monitortjes werden uitgedeeld. Ik heb er drie meegenomen en die bij een paar collega’s uitgezet. Die apparaatjes gaven keurig een signaal door aan onze smartphones, maar dat signaal bleek nergens op te slaan. Dat ding gaf getallen die drie tot acht keer hoger waren dan wat je op het meetpunt van het landelijk meetnet kunt vinden. Het gaf pieken op momenten dat er geen pieken zijn. En dat terwijl koolmonoxide op zich veel makkelijker te meten is dan bijvoorbeeld stikstofoxide omdat het in hogere concentraties voorkomt. Daar gaat het dus al fout, of in ieder geval niet altijd goed. Na een week of twee besloten we om dat apparaat maar weer af te schakelen.

Hoe komt het volgens u dat dat apparaat zo slecht werkte?

Het zijn apparaten die ooit wel een keer gekalibreerd zijn geweest met een laboratoriumtest, maar als ze vervolgens en masse geproduceerd worden is er geen kwaliteitscontrole meer. Over het algemeen bij citizen science projecten denk ik ook dat er niet genoeg gespecialiseerde kennis is over welke meetmethode het meest geschikt is voor welke stof. De meetmethode die je moet gebruiken en de plek waar je de sensoren moet ophangen hangt af van het type stof waar je mee te maken hebt. Gaat het bijvoorbeeld om een gasvormige stof zoals bij NO2, of om deeltjes zoals bij fijn stoffen? En heb je te maken met een reactieve of een niet-reactieve stof? NO2 is bijvoorbeeld heel reactief, om dat goed te meten moet je dicht op de bron zitten en moet er niet veel tussen de bron en jouw meetapparaat zijn. Voor niet-reactieve stoffen, zoals CO, is dat heel anders.

Dollartekens

Waar ik ook een beetje bang voor ben is dat er een “technology-push” is bij die sensor-ontwikkeling. Ik ben nu, samen met het Longfonds, betrokken bij een project dat door enkele commerciële partijen is geïnitieerd, waarbij ze een sensor op de markt willen zetten die de luchtkwaliteit binnenshuis bijhoudt. Zij hebben gewoon dollartekens in hun ogen met hun sensor van driehonderd euro die ze op de consumentenmarkt proberen uit te zetten, terwijl er heel veel op aan te merken is. Maar het gebeurt toch. Of wij het nou leuk vinden of niet, de mensen vinden het leuk. Dus ja, moet je er wat mee en dan is het belangrijk dat je steeds blijft benadrukken richting fabrikanten dat ze aan bepaalde eisen moeten voldoen. Dus ik ben maar in de begeleidingscommissie van dat project gaan zitten om te kijken of ik het een beetje in goede banen kan leiden.

Wat houden uw interventies in dat soort projecten meestal in?

Dat gaat bijvoorbeeld over het koppelen van meetwaarden aan handelingsperspectieven. Dat is ingewikkeld. Er bestaan veel misverstanden over de vraag welke maatregelen voor luchtkwaliteit passend zijn en wat je daar als individu aan kan bijdragen. Een paar jaar geleden waren er van die berichten in het nieuws over smog in Parijs en dat ze de auto’s van de weg haalden vanwege de smog. Nou, als je die smog-episodes, die Londen en Parijs een aantal jaren achter elkaar hebben geraakt, goed door-analyseert, zie je dat de helft of meer van de luchtverontreiniging terug te voeren is op ammoniakuitstoot in landbouwgebieden in Nederland, België, Frankrijk.

Total body scan

Wat wij veel tegenkomen in citizen science projecten is het idee dat het belangrijk is om real-time te meten, zodat mensen direct hun gedrag op basis van de meetwaarden kunnen aanpassen.

Dat is ook zo’n voorbeeld van waar het vaak mis gaat. Het idee is dat als mensen van minuut tot minuut data kunnen zien, ze daarnaar kunnen handelen. Een fijn stof sensor die  van minuut tot minuut meet laat allerlei variaties zien. Je zet een kookplaat of gasfornuis aan en het gaat omhoog. Maar we hebben geen interpretatie van wat die real-time waarden gezondheidskundig betekenen. Gezondheidskundige informatie gaat over waarden die over langere periodes gemeten worden, uurwaarden, dagwaarden en nog langere periodes. Als we mensen van minuut tot minuut informeren over hoe het is, zonder dat we daar een gezondheidskundige betekenis aan kunnen geven, ja dan… ben je mogelijkerwijs dus een enorme hoeveelheid ruis en onrust aan het produceren.

Het is een beetje te vergelijken denk ik met die total body scan aanbieders. Weet je, het is allemaal onzin, onder ons gezegd. Een heleboel mensen komen in de reguliere gezondheidszorg terecht met een lijstje van al dan niet vermeende kwalen, die komen uit zo’n scan, wat leidt tot overbelasting van de gezondheidszorg. Dit gaat ten koste van de capaciteiten die je beter kunt besteden aan mensen waar echt iets mee aan de hand is. Dat risico heb je in het geval van luchtkwaliteit denk ik ook.

Maar hoe kun je dan wel handelingsperspectief koppelen aan meetwaarden?

Bijvoorbeeld door meetwaarden direct te koppelen aan gezondheidswaarden. Initiatiefnemers van meetprojecten hebben de neiging om wettelijke normen te hanteren als grens tussen goed en kwaad. Maar die wettelijke normen zijn het product van [een] politiek besluitvormingsproces, waar ook economische en andere overwegingen een rol in spelen. Daarom hebben we voor een recent ontwikkelde luchtkwaliteitsapp “Mijn Luchtkwaliteit” geadviseerd om de klassen waarin concentraties worden weergegeven te koppelen aan gezondheidseffecten. Dat is de innovatie van deze app: bij hetzelfde gezondheidseffect delen we de gemeten waarden van verschillende stoffen (stikstofdioxide, ozon en fijn stof) in bij dezelfde categorie. En we kijken daarbij dus niet naar wat de wettelijke normen zijn.

Screenshot luchtkwaliteitsapp “Mijn Luchtkwaliteit”, ontwikkeld in opdracht van het RIVM, DCMR Milieudienst Rijnmond, GGD Amsterdam, Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant en de Provincie Limburg in samenwerking met Het Longfonds, Milieudefensie en het IRAS-instituut

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een les over luchtkwaliteit

De handelingsperspectieven die door deze app worden aangereikt zijn redelijk beperkt, een individu kan ervoor kiezen meer of minder fysiek actief te zijn afhankelijk van de luchtkwaliteit. Is er niet een actievere, meer heroïsche rol weggelegd voor de metende burger?

De individuele burger heeft niet zoveel invloed op luchtkwaliteit. We realiseren ons bijvoorbeeld vaak niet dat fijn stof voor de helft in de atmosfeer wordt gevormd, en daar doe je als individuele burger niet zo veel aan.

Hoe zit dat dan met die fijn stof?

Ammoniakmolecuul (NH3) bron: Wikimedia Commons

Fijn stof bestaat uit een ingewikkelde cocktail van primaire en secundaire fijnstof. Primaire fijnstof is fijn stof die rechtstreeks wordt uitgestoten door verkeer, industrie, bouwactiviteiten en  bijvoorbeeld ook kippenstallen. Dan gaat het over stof die ontstaat door verbrandingsprocessen en mechanische processen: dus het slepen met zand, boren, fresen, zagen, en bijvoorbeeld de beweging van kippen in stallen waar een deel van naar buiten dwarrelt. Secundaire fijnstof wordt in de atmosfeer gevormd door chemische reacties waar ammoniak, stikstofoxiden en zwaveloxiden de belangrijkste ingrediënten bij zijn. Vooral ammoniak speelt daarin een grote rol, en dat komt voor 90% uit de landbouw of veeteelt. Dus ongeveer de helft van het fijn stof dat we inademen wordt niet uitgestoten, maar in de atmosfeer gevormd, voor een groot deel via de ammoniakemissies van de landbouw. Dat wordt weleens vergeten. Ook is het zo dat wat we hier aan luchtverontreiniging produceren gemiddeld in een dag het land weer uit is en wordt vervangen door stoffen die uit het buitenland komen. Daar zijn geen immigratieregels en grenscontroles voor, het waait allemaal gewoon lekker door. Dus met zeer lokale informatie over fijn stof uitstoot doe je hier niks tegen. Dat doe je alleen met grensoverschrijdend langetermijnbeleid.

Werkt het beleid dat we hebben?

De Europese Unie heeft al tientallen jaren luchtkwaliteitsbeleid, wat met vallen en opstaan tot stand is gekomen. Maar omdat er problemen zijn die als belangrijker worden gezien dan de luchtkwaliteit, is het wat minder hoog op de politieke agenda komen te staan. Toch zie je wel dat met al ingezet beleid we de concentratie luchtverontreiniging hier in Nederland langzaam zien afnemen. Het voortouw hiervoor wordt genomen door de grote steden. Parijs, Milaan en Madrid hebben besloten om diesel te gaan verbannen. Dat zal een grote invloed hebben, want zeker in Zuid-Europa is de diesel heel populair. Zelfs de Duitsers, die altijd erg voor diesel zijn geweest, beginnen nu serieus na te denken over elektrificatie van het personenauto wagenpark. Dat heeft te maken met veranderende percepties in de samenleving. Binnen een jaar of tien, twintig zal de elektrische auto de boventoon gaan voeren.

Kolen stoken

Welke rol moet wetgeving hebben in het verder terugdringen van luchtverontreiniging? Zoals milieu-zones, regulering, het verbieden van bepaalde voertuigen in bepaalde delen van de stad?

Stikstofdioxidemolecuul (NO2) bron: Wikimedia Commons

Je hebt inderdaad van oudsher de neiging om van bovenaf te zeggen van: “dit mag niet meer en dat mag niet meer”, maar het moet ook draagvlak hebben. Een typisch voorbeeld is houtverbranding in open haarden. Het in brand steken van vaste brandstof is zo primitief, zo negentiende-eeuws. Toen er in 1952 rond de vierduizend mensen dood gingen door luchtverontreiniging in Londen, heeft men zich gerealiseerd dat het stoken van kolen en het hebben van open vuren om je huis te verwarmen, niet meer van deze tijd is. En na een paar jaar delibereren heeft men daar gewoon verboden om kolen te stoken. Nu, in de open-haarden discussie, zie je dat gemeenten erop inzetten dat ze de eigenaren van open haarden willen voorlichten over wat ze wel en niet moeten stoken en hoe ze het moeten doen en wanneer wel en niet. Dat zit meer in het “nudgen,” en niet in het verbieden. Eigenlijk zou je in de bouwvoorschriften moeten regelen dat een open haard niet meer in een huis thuishoort, maar die dingen hebben soms een lange gewenningsperiode nodig. Als je even denkt aan het beleid rond passief roken: heel lang dacht men dat meeroken alleen zorgde voor een beetje irritatie aan het slijmvlies en je ogen die wat gaan prikkelen en zo. Maar toen duidelijk werd dat het ook tot longkanker en hart en vaatziekten kan leiden, is er een steeds verdere inperking ontstaan van waar je wel en niet mag roken. Ook die open haard gaat wel een keer verdwijnen. Niet vandaag of morgen.

Dus de rol van de metende burger is in al deze ontwikkelingen marginaal?

Nou, wat ik me wel voor kan stellen is dat die metende burger meer kwantitatief inzicht krijgt, even vooropgesteld dat de meting ook echt iets voorstelt. En dat kan zich dan vertalen in een stukje politieke druk, dat de persoon zich bijvoorbeeld aansluit bij een milieuorganisatie of op een partij gaat stemmen die het milieu hoog in het vaandel heeft zitten. Misschien kan deze persoon lokaal aandringen op verkeersmaatregelen op plekken waar het heel druk is, bijvoorbeeld op plekken waar het verkeer steeds vaststaat voor een stoplicht dat niet goed is afgesteld.

Nieuwe vragen

Hebben we eigenlijk genoeg data als het gaat over luchtkwaliteit?

Er worden vele duizenden artikelen per jaar over luchtkwaliteit gepubliceerd, dus er wordt heel veel over nagedacht door heel veel professionele instanties en door burgers en er wordt heel veel gemeten. Maar er poppen iedere keer weer nieuwe vragen op, bijvoorbeeld over ultrafijnstof rond vliegvelden. Tot voor kort werd dat gewoon niet gemeten. Er zijn nu een paar studies geweest wereldwijd, waaronder ook door TNO rondom Schiphol, die laten zien dat concentraties ultrafijnstof daar echt hoog zijn. De precieze samenstelling van die stof is anders dan ultrafijnstof van wegtransport, maar dat weten we niet goed. En de gezondheidseffecten weten we ook niet. Daar gaat een onderzoek naar lopen met een hoop gekrakeel, want Schiphol wil het eigenlijk liever niet weten. Want als er iets aan de hand zou zijn ja, wat moet je dan? Milieudefensie heeft zijn standpunt al bepaald: de helft minder vliegen. Dat gaat dus niet gebeuren. Misschien dat je iets aan het zwavelgehalte van de brandstof kan doen, die bepaalt namelijk mede de ultrafijn productie. Maar ik vind in ieder geval dat we het moeten willen weten. En als je het dan weet, dan pas is de volgende vraag: doe je er iets mee? Wil je daar iets mee? Dat wordt het een heel politiek verhaal, zeker rond Schiphol waar natuurlijk alles politiek is.

Nog een andere lastige vraag waar we voor staan is hoever je luchtverontreiniging kunt terugschroeven. Want het wordt steeds duidelijker dat hoe laag de luchtverontreiniging ook wordt, je nog steeds effecten op de gezondheid ziet. Hoe ver dat doorgaat weten we niet. Voor zo’n vraag moet je die baten gaan uitrekenen, hoeveel kost het bijvoorbeeld om een vol levensjaar erbij te krijgen?

Micro-levens, “your true age” en daly’s

De kosten van luchtverontreiniging meet je dus in levensjaren?

Ja, zo wordt het al enige tijd gecommuniceerd, ook richting burgers zelf. Maar dat is natuurlijk een heel ingewikkeld proces van omrekening. En het is de vraag wat de meest effectieve vorm van communicatie is. Zo spreken we vaak over verloren levensjaren, maar dat spreekt mensen niet erg aan. De reactie die je niet zelden krijgt is: het laatste jaar van je leven is toch het leukste niet, dus dat wil ik wel missen. Maar je moet eigenlijk aan 85-jarigen vragen hoe belangrijk zij een jaartje extra vinden. Dus je hebt nog een aantal andere vertalingen die een wat specifiekere relatie leggen met het dagelijkse gedrag. De Engelsman Spiegelhalter heeft het begrip micro-levens geïntroduceerd. Eén microleven is een half uur van je leven.

Hoe koppel je dat dan aan luchtkwaliteit?

We hebben meegedaan aan een project waarbij we de schadelijkheid van luchtkwaliteit omrekenden naar aantallen sigaretten. Die vergelijking communiceert het makkelijkst. Dan gaat het dus niet over de precieze chemicaliën die je inademt, want die zijn bij sigaretten-roken en verontreinigde lucht niet hetzelfde, maar over het gezondheidseffect. Met zo’n vergelijking kun je ook aantonen hoeveel micro-levens je verliest bij welke blootstelling aan luchtverontreiniging.

We hopen dat dit soort omrekeningen mensen iets meer na doen denken over de gevolgen van dit soort ingewikkelde blootstellingen. Andere concepten, zoals “Je werkelijke leeftijd” of “for disability adjusted life years” (daly’s), dat gaat dan niet alleen om verloren levensjaren, maar ook om verloren kwaliteit van leven in de tijd dat je nog wel in leven bent. Die daly’s zijn uitgerekend voor een aantal honderden verschillende medische condities, maar ook voor een groep van meer dan zeventig risicofactoren waaronder luchtverontreiniging.

Maar toch, de link tussen wat je zelf ervaart als patiënt en luchtverontreiniging, die is niet zo simpel. Als iemand met astma een verergering van zijn klachten heeft, is de link met waar het precies vandaan komt vaak heel moeilijk te leggen. Het kan ook zijn dat ‘ie met de kat van de buren in aanraking is gekomen, of dat er huisstofmijt in huis is die bij het opschudden van je kussen is vrijgekomen.

Het gaat telkens beter toch, met de luchtkwaliteit in het algemeen?

Ja, in feite is het een succesverhaal, maar we zijn nog lang niet waar we moeten wezen, en ontwikkelingen gaan langzaam.

Vind hier de andere interviews.
Geplaatst in De politiek van luchtkwaliteit.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.