De politiek van luchtkwaliteit: interview David Gelauff, Gemeente Amsterdam

David Gelauff is programmamanager luchtkwaliteit van het Team Duurzaamheid/programma luchtkwaliteit van de Gemeente Amsterdam.

Wat is het programma luchtkwaliteit?

Dit programma was opgezet in de nasleep van  de implementatie  van Europese regelgeving over normen voor luchtkwaliteit  in nationale wetgeving in 2007, in een wet die bekendstaat als de wet milieubeheer. Die normen zouden voor Nederland gaan gelden in 2010. In Nederland leidde dat tot een groot probleem. Dat heeft ermee te maken dat de wet milieubeheer gekoppeld is aan de wet ruimtelijke ordening. Dat is in veel landen niet zo, hier wel. En omdat we hier een nationale juridische traditie hebben die zegt: “regels van deelwetten moeten niet onderling tegen elkaar ingaan,” hadden een paar slimmerds snel door hoe ze daar gebruik van moesten maken. Die zagen dat allerlei enorme bouwprojecten ingingen tegen deze luchtkwaliteitsnormering. Met het argument dat Nederland door die bouwprojecten haar normen niet zou gaan halen, zijn ze dat gaan aanvechten voor de rechter. Dat ging bijvoorbeeld over de Zuidas. Zo’n uitbreidingsplan zou veel extra verkeer gaan trekken. Dan kun je uitrekenen dat je dan de norm niet gaat halen. Dat is wat aannemelijk gemaakt werd, en waarin de rechter meeging.

Een aantal bestemmingsplannen werden óf on hold gezet, of zelfs vernietigd. Door heel Nederland lagen in één keer allerlei grote plannen plat. Die vertragingen liepen in de honderden miljoenen.

Zijn gelijke niet in de wereld

Dus toen is er heel snel een nationaal plan bedacht om iets te doen met die luchtkwaliteit. Dat werd het Nationaal Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit, het NSL. Dat is dus wat anders dan het meetnet van onder meer het RIVM en GGD. Dit gaat echt over berekeningen. Dit model kent zijn gelijke niet in de wereld. We besteden er elk jaar veel tijd aan om daar veel informatie in te stoppen. Er worden onder meer ontwikkelprojecten boven een aantal vierkante meters in gestopt. Op basis van een heleboel variabelen wordt dan berekend wat de impact is op luchtkwaliteit. Wat er ook in wordt gestopt zijn de maatregelen die genomen worden op het gebied van luchtkwaliteit, en hun berekende effecten. Het programma waar ik voor werk, is opgezet om die luchtkwaliteitsverbeteringsprojecten door te voeren en te monitoren. We werken daarvoor samen met een aantal kennisinstituten: zo hebben we een dag in de week standaard iemand bij ons rondlopen van TNO, om onze maatregelen mee door te rekenen. Bijvoorbeeld wat het effect is op de luchtkwaliteit van een milieuzone voor scooters. En we halen onze monitoringsdata bij de GGD vandaan, uit eigen verkeersmodellen en gegevens over het soort voertuigen dat door de stad rijdt en metingen van luchtkwaliteit.

screen grab NSL kaart

“Maar je méét toch gewoon?”

We werken veel direct met de politiek, waar dit altijd een hot item is. Het is een heel complex verhaal. We hebben veel te maken met allerlei belangen en actiegroepen uit het maatschappelijke middenveld die ook van alles van vinden en goed kunnen lobbyen. Het gaat aan de ene kant over gezondheid, aan de andere kant over de vraag wat je lokaal kunt doen. Dan hebben we het over het lokale verkeer en daarbij ligt het altijd gevoelig wat je doet.

Wat het ook ingewikkeld maakt is het hele meetverhaal. Er wordt vaak relatief simpel gedacht zowel door publiek als door politiek van: ja, maar je méét toch gewoon en je ziet het toch gewoon? Maar dat is gewoon niet zo bij dit onderwerp. Wat ik vooral geleerd heb in dit werk is dat als je wilt weten of het goed gaat met de luchtkwaliteit, dat niet een kwestie is van gewoon meten of tellen. Maar dat je ook veel moet modelleren en berekenen. En dat zorgt ook vaak voor veel wantrouwen.

Waaruit bestaat dat wantrouwen?

Dat gaat bijvoorbeeld om de rol die de norm speelt in het bepalen van luchtkwaliteit. Dat is een ingewikkelde figuur. Die gaat niet over de vraag: ga je er een keer overheen? Want je gaat er altijd een keer overheen. Want ja, als er een vieze, stinkende, hele oude diesel langskomt, dan zit je er al overheen, dan spat ie al rood uit. Terwijl dat moment misschien maar twintig seconden is. Het is dus niet voor niets dat de wettelijke normen over jaargemiddelden en maximaal aantal overschrijdingsdagen gaat, en niet over incidentele normoverschrijdingen. En om echt te kunnen zien hoe het gaat met de luchtkwaliteit moet je kijken naar langjarige trends. Die zijn positief. Maar dat is wel altijd een ingewikkelde geweest in het uitleggen, en maakt hem ook altijd heel vatbaar voor vermoedens dat er gesjoemeld wordt met cijfers. Dat wantrouwen heb ik heel veel gezien.

Wat ook soms wantrouwen oproept is dat het beheer van luchtkwaliteit in Amsterdam belegd is bij de gemeente, bij de GGD. Hoewel het voor de buitenwereld lijkt alsof de GGD het belang van de gemeente dient, is het wettelijk zo geregeld dat de GGD binnen de gemeente een aparte status heeft. De GGD is er voor het belang van de Amsterdammer en hun gezondheid en mag zich echt als luis in de pels opstellen. Het is dus juist goed dat zij het meetnet beheren, want wij zijn daarin veel minder onafhankelijk: wij moeten ook de andere belangen dienen van deze stad, door bijvoorbeeld te zorgen dat die bouwprojecten door kunnen.

Milieuzones niet bespreekbaar

Wat is in grote lijnen de politieke houding in Amsterdam als het gaat over luchtkwaliteit?

Om dat te begrijpen is het wel goed om even terug te gaan naar de controverse rondom de plannen van Marijke Vos, toen zij in 2006 voor Groen Links wethouder was in Amsterdam met een portefeuille waar ook Milieu in zat. Zij wilde voor Amsterdam, als eerste stad in Nederland, een milieuzone instellen voor vervuilende auto’s, bijvoorbeeld auto’s zonder roetfilter. Dat is een enorm heftig ding geworden, waar hoog politiek spel is gespeeld. De Tweede Kamer is er volop in gegaan, het is een enorme politieke tegenstelling geweest. De VVD liep hier rond met stickers: “bent u rijk genoeg om links te zijn?” Want die zeiden: “Je gaat iedereen zijn auto ontnemen.” Het was ook best een behoorlijk strenge milieuzone die toen werd voorgesteld, dat heeft bijna tot het aftreden van een wethouder geleid.  Uiteindelijk is die milieuzone er niet gekomen.

Oldtimers-liefhebbers protesteren tegen milieuzone

In plaats daarvan ging er heel veel aandacht uit naar de vraag: “hoe krijg je dan het milieu, en het verkeer schoner?” Dus de nadruk kwam te liggen op het stimuleren van schoner verkeer, en ook van slimmer verkeer. Door bijvoorbeeld te zorgen voor minder opstoppingen en het stimuleren en het faciliteren van schoner vervoer. Dat reguleren kon echt gewoon niet, dat is—op de milieuzone voor vrachtverkeer na, die in 2009 in alle grote steden is ingevoerd—heel lang in Amsterdam niet bespreekbaar geweest.

Maar toen zag je dat andere steden voorop gingen lopen op het gebied van milieuzones. Utrecht als eerste, toen begon ook Rotterdam erover te spreken. Onder andere door de aanhoudende aandacht van belangengroepen heeft het toch ook in Amsterdamse vorig jaar geleid tot een raadsmeerderheid voor een heel maatregelenpakket waarin milieuzones weer een belangrijke rol spelen. Het zijn wel een relatief lichte versies voor bestelauto’s, taxis, touringcars, brommers en scooters. Ze gaan niet over gewone personenauto’s en we kunnen ook geen afspraken maken met brancheorganisaties en belangenorganisaties over de fasering van het strenger maken van die milieuzones. Er is geen raadsmeerderheid voor gekomen om dat erin te krijgen.

Vanuit sec de doelen van het luchtkwaliteitsbeleid zouden strengere milieuzones absoluut bijdragen aan een nog schonere stad. Maar intern, als gemeente, is dat altijd een afweging met andere belangen. Over vitaliteit en bereikbaarheid van de stad bijvoorbeeld. Je kunt de stad ook niet afsluiten voor al het verkeer.

Juichverhalen

In plaats van regulering is er wel veel interesse voor de innovatieve aanpak. Zo zien we allerlei innovaties op ons afkomen die te maken hebben met het zuiveren van de lucht. Vaak is het enthousiasme groter dan de realiteit van de plannen, maar we moeten daar wel iedere keer weer op reageren. Een tijdje terug stond er een juich-artikel in een landelijk dagblad over een fabrikant die met ionisatie een soort super stofzuigers had bedacht wat een fantastische oplossing was voor luchtverontreiniging. Dat zou heel veel werkgelegenheid gaan bieden, daar ging iedereen mee aan de haal. Maar gelukkig voordat we zelf hoefden te antwoorden had NRC al met een fact-checker berekend dat we 25.000 van die apparaten neer zouden moeten zetten om substantieel iets bij te dragen.

Een ander voorbeeld is de smog-vrije toren van Daan Roosegaarde waarin fijnstof wordt omgezet in grofstof voor korrels waar je misschien wel mooie dingen van kunt maken. Die toren werkt echt, maar het zijn dingen die niet de capaciteit hebben om een stad, of zelfs een lokaal knelpunt substantieel te verschonen.

Externe oplossingen

Ook is er veel te doen om groen, tegenwoordig, wilde verhalen over planten die de lucht enorm kunnen zuiveren. Wij zijn helemaal ni
et tegen groen, en sommig groen vangt wel degelijk fijnstof of andere vervuilende stoffen op, maar dat is alleen maar wat er toevallig langs komt. En in het ergste geval kan groen juist de vuiligheid te lang op grondniveau houden waar het wordt ingeademd. Dus hoewel er genoeg redenen zijn om je bomen te koesteren vanuit het oogpunt van klimaatbeheersing en klimaatverandering, zijn bomen vaak helemaal niet zo goed voor de lokale luchtkwaliteit. Zelfs in het model van het RIVM zit een correctiefactor die aangeeft dat als er veel bomen staan, de luchtkwaliteit daar iets viezer wordt. Ga dat maar eens uitleggen.

De hoop op een oplossing die de lucht extern zuivert  is vaak ook de wens van mensen die graag de auto gewoon willen blijven gebruiken.. Ja, dat zie je natuurlijk op al die onderwerpen hè. Bijvoorbeeld ook de oplossingen om CO2 op te slaan in plaats van heel erg hard in te zetten op gewoon: weg van die vervuilende energie.

Toekomstmuziek

Toch blijkt David zelf ook wel aangetrokken tot innovatieve systemen om de stad te kunnen besturen. Het idee dat je met veel data een real-time accuraat beeld kunnen krijgen van de stad, wat je ook op de toekomst kunt projecteren spreekt hem erg aan. 

We hebben heel veel real-time data. Intern zijn we erg bezig met de vraag: “hoe ontsluit je dat nou en hoe kun je [daar] nou heel snel op een publieksvriendelijke manier ook bijvoorbeeld allerlei scenario’s mee doorrekenen?” Al is het maar een eerste grove inschatting van wat betekent het als je een deel van de stad afsluit voor autoverkeer.

Waar komt al die data vandaan?

Het zou kunnen dat Google een deel van de informatie levert en je je eigen modellen erin zet. Je zou ook kunnen denken dat je data die toch al openbaar is van Google gebruikt. Maar ook heel veel data wordt hier zelf al verzameld. We zijn nu ook met TNO het Urban Strategy Model aan het onderzoeken, daarmee kun je zoveel mogelijk data combineren om heel snel te kunnen zien hoe het er real-time in de stad aan toegaat en ook wat er gebeurt als je bepaalde maatregelen gaat doorvoeren. Op een heleboel terreinen. Het zou natuurlijk te gek zijn als je inzichtelijk kon maken van: “hé, als we dit deel van de stad afsluiten dan betekent het dit voor de luchtkwaliteit, dit voor het geluid, en dit voor de economische vitaliteit van zo’n gebied, want hè, want hoe moeten we dan de bevoorrading gaan regelen?” Dat is nog wel toekomstmuziek, er moet nog een hele hoop onderzoek [gedaan worden].

Twee soorten citizen science

En wat gebeurt er nou precies als burgers zelf dat soort tools, om hun omgeving te monitoren, in handen krijgen? Om die aan te kunnen laten sluiten op de bestuurs en beleidspraktijken van de stad, moet je van goede huize komen, zo blijkt. David geeft twee voorbeelden van wat hij geslaagde citizen science projecten vindt:

Neem bijvoorbeeld het iSPEX programma, daar hebben relatief veel mensen aan mee gedaan. Dat zat heel goed in elkaar. Je moest je aanmelden bij het RIVM, je kreeg een duidelijke uitleg, je moest een opzetstukje op je telefoon zetten en pas als het RIVM een app stuurde moest je met z’n allen gaan meten. Het geeft geen beeld van de luchtkwaliteit op langere termijn, maar het is wel een fantastisch mooi experiment dat laat zien wat je kunt doen met Citizen Science en hoe je dat op een grotere schaal kunt toepassen. Dan kun je in 1 keer in heel Nederland met al die Iphones een leuk beeld neerzetten van hoe de luchtkwaliteit is op dat moment.

En dan had je natuurlijk het project van milieudefensie waarbij ze twee of drie keer een jaar lang luchtkwaliteit gemeten hebben in alle grote steden [zie ook ons interview met Ivo Stumpe]. Daar zag je ook dat ze het steeds wetenschappelijker gingen aanpakken. Eerst vroegen ze gewoon aan mensen: “Wie wil er mee doen?” En die mensen kregen dan zo’n Palmes-buisje in de buurt te hangen. Dat was nog helemaal niet afgestemd op de vraag wat nou de meest vieze plekken zijn in de stad volgens de metingen van de overheid. En ook niet: “zijn dat nou de plekken waar wettelijke normen voor gelden?”

Die normen leggen namelijk heel precies vast waar je precies moet meten. Dus daar kwam een rapport uit wat op zich in grote lijnen wel ongeveer weergaf – wat we al wisten – waar de grote problemen zaten. Maar wij konden daar, achteraf gezien, nog redelijk makkelijk van zeggen: “ja, maar het is nog steeds amateurisme in vergelijking met wat we zelf hebben. Dus we zien hier niks nieuws.” Dat hebben ze heel goed opgepakt. De laatste twee keer hebben ze heel duidelijk gekeken van: “oké, waar zitten dan écht die zwaar belaste punten en hoe vinden we wat preciezer locaties waar we aan wettelijke normen moeten voldoen? Ze konden zo hun data tegenover die van ons zetten en zo ook verschillen aan het licht brengen.

Het kwam trouwens bijna altijd overeen met ons eigen beeld. Dus het is niet gebeurd dat daar in één keer een probleem met de luchtkwaliteit naar boven kwam dat wij helemaal niet hadden voorzien, of niet hadden gezien. Maar het lukte ze wel om er extra aandacht voor te generen. Namelijk, ook al informeer je publiek of bijvoorbeeld de gemeenteraad, pas als het in de krant staat wordt het in een serieus probleem.

Bij andere Citizen Science projecten gaat het wat minder goed in wetenschappelijke zin. En die kloof wordt niet altijd even makkelijk overbrugd. Daar is de GGD ook een paar keer tegenaan gelopen. Zoals bij de Waag, daar ging de GGD puur integer vanuit een wetenschappelijke visie uitleggen aan de mensen bij de Waag: “ja, het is heel leuk, maar het is nog enorm in de kinderschoenen en die sensoren die jullie hebben die halen het gewoon echt niet bij wat er hier in de stad al zit.” Ja, en dat moet je aan mensen vertellen die echt zeker weten dat hun straat de vieste van de stad is. En die dat ook nog eens zien op zo’n sensor. Ja, dat is bijna niet te pareren. Daar is soms zo’n wantrouwen, dat komt moeilijk samen.

Serieus nemen

Het probleem is ook dat mensen de data die ze zelf meten op een heel andere manier interpreteren dan wij, en dat daardoor ook weer wantrouwen ontstaat. Wat je bijvoorbeeld krijgt is dat mensen verwachten dat we direct actie ondernemen als hun meters laten zien dat de luchtkwaliteit slecht is. Maar dat is dan waarschijnlijk dat ene dingetje dat langsreed, of omdat de wind even verkeerd stond. En als we niet meteen actie ondernemen voelen mensen zich ook snel niet serieus genomen.

Maar we nemen mensen juist wel serieus. Als mensen klagen van: “hé, onze straat is in een keer heel veel drukker geworden en we willen weten hoe het zit met de luchtkwaliteit”, dan gaan we toch altijd serieus even kijken van: hé, is het niet handig om hier ook gewoon een Palmes-buisje op te hangen of niet. En dat gebeurt ook regelmatig. Ik denk dat we het gewoon wel redelijk goed in de smiezen hebben.

Niet aansluiten op beleid

Ik denk wel dat het een goede ontwikkeling is dat die sensoren steeds sensitiever worden, want die zijn nu nog van een echt heel andere kwaliteit dan die we zelf hebben.

Maar dan nog, ja, weet ik niet precies wat je eraan hebt. Je zou er misschien eens een keertje een volledig onverwachte bron van luchtvervuiling mee kunnen ontdekken. Dat zou kunnen hè? Dat je zegt van: “nou, nu is het hier al tien dagen lang is het op dezelfde plek zoveel viezer dan we verwacht hadden.” Hooguit dat je er eens een keertje, ja, zo op die manier iets mee ontdekt wat anders misschien een paar jaar had geduurd voordat je het had ontdekt.

Maar ik denk ook dat het je op een gegeven moment niet meer gaat helpen om steeds meer en steeds lokaler te meten. Luchtkwaliteit is zo grillig, het levert alleen maar heel veel meer verwarring op op een gegeven moment, nog meer data. Dan ga je alleen maar zien dat het lokaal van straat tot straat verschilt en dat gaat alleen maar heel veel meer ruis veroorzaken denk ik. Daar kun je op een gegeven moment geen maatregelen meer op nemen. Je kunt niet als iemand belt: “ik heb hier net gemeten” dan even de straat afsluiten.

Om maatregelen te kunnen nemen denk ik echt dat we al genoeg data hebben. Met onze vijftien kleine laboratoria en de honderd tot honderdvijftig Palmes-buisjes hangen. Dat is eigenlijk al heel erg dekkend.

Ik denk ook dat het grote gevaar erin zit dat iedereen met z’n eigen resultaten zijn eigen belangen gaat nastreven. En daarom dat het uiteindelijk zijn doel voorbij streeft. Want op een gegeven moment kan de politiek er ook niets meer mee en wordt het door de wetenschap weggerelativeerd, en dan doet het niets meer.

De ideale rol van de burger

Maar wat is voor jou de ideale rol voor burgers in dit plaatje? Hoe zou jij het het liefst zien?

Kijk ik zou het liefst hebben dat het geïnformeerde burgers zijn die lol hebben in techniek gebruiken, maar ook de relativiteit ervan snappen zeg maar. En die wel kritisch meedenken van: “ben je wel op weg met het goede beleid te maken?” Ik denk dat dat, dat zou natuurlijk het ideaalbeeld zijn. Maar ja, dat is ook wel een soort wishful thinking natuurlijk.

Vind hier de andere interviews.

De politiek van luchtkwaliteit: interview Bas Mijling, KNMI

Bij het KNMI zit Bas Mijling op twee stoelen, zoals hij zelf zegt. Vanuit de ene stoel houdt hij zich bezig met de vervuiling die wordt waargenomen door satellieten en met de vraag hoe die gegevens te herleiden zijn tot lokale uitstootbronnen. Vanuit de tweede stoel is hij bezig met de vraag hoe die metingen meer fijnmaziger en lokaler te maken. Zijn droom is een werkend netwerk van precieze lokale metingen om erachter te komen waar de hotspots van vervuiling in een stedelijke omgeving zitten.

Pluimen

We bekijken een satellietkaart van de wereld.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deze metingen komen van het OMI instrument: het Ozon-Monitoring-Instrument, gebouwd door Dutch Space, een hoofdzakelijk Nederlands project. Dat instrument is op een NASA satelliet geschroefd en gelanceerd in 2004. Die kijkt naar beneden en meet hoe zonlicht door de atmosfeer gaat en terug ketst omhoog het satellietinstrument in. En door dat per golflengte te bekijken kun je zien waar je informatie mist en dat vertelt weer hoe de atmosfeer bepaalde informatie geabsorbeerd heeft. En dat vertelt je weer wat voor gassen er in de atmosfeer zitten. Deze kaart laat specifiek de vervuiling door NO2 zien, stikstofdioxide. Die rode wolkjes die je op de kaart ziet, dat noemen we pluimen. Wij willen ook heel graag die pluimen kunnen herleiden tot de bron. Het doel daarvan is te bepalen of beleidsmaatregelen effectief zijn.

NO2

Waarom is deze kaart specifiek op NO2 gericht?

Het is een van de stoffen waarvan de wettelijk-gestelde grenswaarden nog steeds regelmatig overschreden worden, dus het is belangrijk om het in de gaten te houden. En ook omdat het een belangrijke indicator is voor luchtvervuiling: NO2 komt vrij bij verbrandingsprocessen, waar je dus NO2 ziet, zie je vaak ook veel andere vervuiling, zoals roet en fijnstof. Waar rook is, is vuur.

NO2 is ook een goede stof om te meten, omdat het relatief kort leeft, het reageert snel weg. Dat betekent ook dat de NO2 dichtbij de bron blijft. Dat zie je ook op die kaart, het is redelijk lokaal allemaal wat je ziet. Je ziet zo’n stad als met Madrid, dat is gewoon één punt op de kaart, dat is niet helemaal uitgesmeerd over heel Spanje.

Taboe op luchtvervuiling

Wat doe jij met dit soort kaarten?

Mijn promotieonderzoek ging erover een algoritme te vinden dat de pluimen die je ziet terug kan rekenen naar de uitstootbron. Op die manier vond ik wereldwijd veel uitstootbronnen die nog onbekend waren, of ongedocumenteerd. Bijvoorbeeld kolencentrales: in China heb je daar veel van, kolencentrales die niet op een lijst staan, waar je lastig gegevens van krijgt, en waarvan je ook niet weet of ze filters gebruiken. Ook in het Midden-Oosten zie je het heel goed terugkomen. Al die kleine landjes werken niet met elkaar samen en houden hun productiegegevens supergeheim voor elkaar. Dan gaat het bijna altijd over de petrochemische industrie. Niemand wil vertellen wat hun emissiegegevens zijn, maar als je op de satellietbeelden kijkt zie je dat ze echt een heel duidelijk vervuilingsprobleem hebben. En in de Golf zie je al die boorplatforms.

entree van KNMI gebouw

Dus door middel van dit soort kaarten onthul je eigenlijk feiten die anderen liever geheim houden?

Ja, die metingen kun je zo van het internet afhalen, het is allemaal open data waarop dit onderzoek gebaseerd is. Maar het is redelijk specialistische data, dus niet ieder mens zal er zomaar mee aan de haal gaan en om het daarna terug te rekenen naar zo’n emissieproduct is ook een redelijke klus.

Maar verder zie je ook dat het taboe op luchtvervuilingsproblematiek er bij een aantal landen ook vanaf gegaan is. Wat je bijvoorbeeld in China ziet, daar hebben wij een samenwerking van zo’n jaar of acht mee lopen. Acht jaar geleden werd duidelijk dat daar een milieuproblematiek was. Maar als wij onze resultaten op conferenties presenteerden werden ze vaak ontkent of ontkracht. Er werd gezegd: “jullie gebruiken de algoritmes vanuit het Westen en je laat het los op China, maar de lucht in China heeft een heel andere samenstelling, dus dat zou je niet zomaar 1 op 1 kunnen doen.”

Maar in de afgelopen tijd zie je dat dat helemaal omgeslagen is. Het is helemaal opengegooid. Ze zijn van een handje meetstations naar vijftienhonderd meetstations gegaan, over het hele land. Ook wetenschappers geven steeds vaker toe dat het probleem ernstig is. Er mag steeds meer vrijuit over gesproken worden. In mijn optiek hebben ze dat gedaan om een volksoproer te voorkomen. Als mensen de hele dag lopen te rochelen en kinderen astma krijgen, en mensen leggen vervroegd het loodje, en je krijgt misschien maar 1 keer per maand blauwe lucht te zien, dan kun je niet meer volhouden dat het mist is.

Dichter bij huis

Voor Nederland is de kwaliteit van ons werk trouwens op dit moment niet goed genoeg. Dat heeft te maken met de ruimtelijke resolutie van het instrument. Dat is redelijk groot, het bekijkt de uitstoot op een schaal van 20 bij 20 kilometer. We krijgen binnenkort een nieuw instrument, de TROPOMI: het TROPOsferisch Monitoring Instrument. Dus die krijgt een betere resolutie en dan kun je in plaats van een heel stedelijk gebied echt gaan kijken naar stukken van steden. Het wordt dan opeens zes bij zes kilometer.

Waarom moet er meer gemeten worden in een stad?

Zelf zou ik dat willen om nog preciezer te kunnen bekijken waar luchtverontreiniging precies door veroorzaakt wordt. Ik deed dat al met dat algoritme om vervuilingsdata op wereldschaal terug te rekenen naar de bron. Op een gegeven moment kwam het besef bij mij dat je dat ook voor steden kan doen. Wat je dan nodig hebt is een stadsnetwerk van meetinstrumenten en dan zou je perfect voor een stad kunnen bepalen: waar zitten de hotspots van vervuiling, waar zitten de onverwachte greenspots? Maar toen kwam ik erachter dat er eigenlijk helemaal niet of slechts beperkt in steden wordt gemeten. En toen raakte ik geïnteresseerd in alternatieve manieren om luchtvervuiling te kunnen meten. Dat was zo’n 6 jaar geleden, toen kwamen allerlei dingen ook samen: nieuwe sensortechnologie, Internet of Things, noem maar op.

Meten wat het nú is

Maar je had natuurlijk ook al die Palmes-buisjes, vond je die niet bruikbaar?

Het probleem van die buisjes is dat ze geen instantane meting doen, hè, die meten een maand lang en dan weet je wat de gemiddelde belasting op dat plekje was over een maand. Maar het mooiste is om te weten wat het nú is. Dus ik was persoonlijk van het begin af aan meer geïnteresseerd in technologie die net als een thermometer kan vertellen wat de temperatuur nu is.

En toen kwam er een tijd waarin iedereen aan het experimenteren ging met nieuwe hardware, de Arduino, micro-controllers, om temperatuur te gaan meten bijvoorbeeld, of de luchtdruk. En ik vroeg me toen af: “oké, wat voor sensoren zijn er beschikbaar voor luchtverontreiniging?” En die waren er nauwelijks. Dan praten we over vijf, zes jaar terug.”

Lessen uit twee Citizen Science projecten

Bas raakte toen betrokken bij het Air Quality Egg project eind 2010, waar ook Ivo Stumpe in ons vorige interview over sprak. In dat project ging een diverse groep vrijwilligers, onder leiding van Ed Borden en gefaciliteerd door de Waag Society, aan de slag met de bouw van een digitaal apparaat dat luchtkwaliteit zou kunnen meten en dat de vorm zou aannemen van een ei, vandaar de naam.

Ja, ik was er bijgehaald als deskundige en ik was ook gemotiveerd en enthousiast om zelf zoiets te kunnen realiseren. Ik vond het een hele bijzondere wereld waar ik in stapte, ik was blij verrast door de multidisciplinaire aanpak die je daar had. Er zat een soort denkteam en een ontwerpteam en er zaten hackers die wilden meteen al gaan solderen. Het was heel mooi om dat te zien.

Maar vanaf het begin af aan heb ik aangegeven: “Jongens, het cruciale onderdeel als je zoiets wilt doen, is de sensor zelf, een elektronisch onderdeeltje en dat is gewoon niet goed.” Dus je kan wel gaan filosoferen of je het in een ei-vorm wilt hebben, of in een boterhamtrommel, of een vogelhuisje. Het concept is niet eens bewezen. En het is goed als je daar op verschillende niveaus over nadenkt, maar die andere niveaus namen de overhand.

Je bedoelt de sociale dimensie?

Ja, in dat project, en ook later in het Urban Air Quality project dat werd gefinancierd door het AMS en dat samen met de Waag werd uitgevoerd, zag ik echt een clash van twee werelden: Ik streefde een soort puur wetenschappelijk experiment na om de datakwaliteit te waarborgen, terwijl zij meer oog hadden voor het organisatorische aspect en voor de impact bij de burger zelf. Ze waren bij wijze van spreken meer geïnteresseerd in – ik chargeer hè – in de interactie van de publieksbijeenkomsten en wat voor vragen en interesses en bezorgdheden zouden opborrelen, dan een waterdicht meetprincipe op te stellen waardoor het experiment echt zou lukken.

In het Air Quality Egg project werd dat maar niet opgepikt, dat is de reden waarom ik vrij snel daar weg was. En dat is jammer, want je wilt het liefst dat zoiets slaagt. En ook bij Urban AirQ vorige zomer kostte het me heel veel moeite om dat er toch door te drukken.

Electronica die niet doet wat het belooft

Ik vind de Waag een heel bijzondere club en een unieke club, maar juist in dit project ging er denk ik naar mijn mening iets mis. Dat is dat ze al blij waren met het feit aan te tonen dat mensen graag willen meten. Dat was voor hen het hogere doel, een soort bewustwording. Het participeren aan de hand van elektronica die vaak niet doet wat het belooft.

Gelukkig lag een plan om te gaan meten op basis van een nieuwe sensor, een elektrochemische sensor geproduceerd door Alphasense. Dat was wel een vooruitgang met de sensor die het Air Quality Egg gebruikte en die de Waag daarna ook gebruikte voor hun Smart Citizen Kit project, die op basis van metaaloxide werkt.

Maar ik zag dat project aan het mislukken was. Ik was heel erg bang dat het weer een soort demonstratieproject zou worden voor burgerparticipatie. Maar dat zou nu gênant worden. Dan zou je dus weer een grote groep mensen, in dit geval gemotiveerde mensen uit Amsterdam die echt oprechte zorgen hebben over kwaliteit van de lucht in de straat, weer met een dooie mus blij maken. Dat is de beste manier om dit soort initiatieven voorgoed om zeep te helpen. Want niemand wil meer meedoen. Dus ik zeg: “Luister eens, we moeten het beter aan gaan pakken, we moeten het wetenschappelijker aan gaan pakken.” De Waag had er in eerste instantie niet zo’n oren naar. Maar uiteindelijk werd het toch een heel goed wetenschappelijk project.

Het redden van een project

Met die nieuwe elektrochemische sensor verloopt het signaal heel erg in de tijd. Stel je daarbij voor dat je één volt meet uit je sensor en één volt betekent dat er tien microgram stikstofdioxide in de lucht zit. Maar als dat signaal verloopt meet je misschien twee maanden later drie volt, wat dan duidt op tien microgram.

Bovendien, dat is nog zo’n ding, die sensoren zijn heel erg afhankelijk van temperatuur en luchtvochtigheid. Luchtvochtigheid werd niet gemeten in het eerste prototype. Dus heb ik gezegd: “Luister, we moeten de luchtvochtigheid absoluut meenemen, want anders kunnen we daar niet voor corrigeren en zitten we weer met een probleem.” Want ik weet wel wat de luchtvochtigheid is bij Dave [de Jonge van de GGD] in z’n meetstation, maar ik weet niet hoe het bij de burger aan zijn voorgevel is.

Dus kalibratie wordt dan superbelangrijk. Dat moet je bij die sensors stuk voor stuk doen, vooraf en ook na afloop. Dat hebben we gedaan. En doordat we dat gedaan hebben, hebben we het project kunnen redden, omdat we achteraf konden bepalen hoe die nul-instelling zeg maar verliep. Achteraf hebben we daarvoor kunnen corrigeren.

Die wetenschappelijke benadering lijkt me echt wel vereist. Anders zou ik me behoorlijk bekocht voelen, als ik twee maanden zo’n sensor thuis heb en ik krijg achteraf te horen van: “Ja, maar het zijn maar indicatieve waardes. En die keer dat jij honderdveertig gemeten hebt is eigenlijk een stuk lager, want die sensor doet iets wat we eigenlijk niet precies begrijpen.” Snap je?

Een markt voor goedkope sensoren

Waarom zet je je zo in voor dit soort participatieve meetprojecten?

Kijk, ik wil gewoon dat er meer meetdata en een goed lokaal meetnet komt. En dat kan. Het is mogelijk dat je over een aantal jaren helemaal geen tussenpersoon nodig hebt zoals ik, of iemand op het RIVM, of wie dan ook. Dan koop je gewoon een dingetje in de winkel of via de webshop, die doet wat ‘ie belooft. Maar zo ver zijn we nog niet. Er zijn wel veel nieuwe technieken. En door de lage kosten ervan komen ze binnen bereik van burgers. Dus het zou het mooist zijn dat je mee kan liften op de bereidwilligheid van een heel cohort. We moeten er alleen voor zorgen dat ze gemotiveerd blijven door goed gereedschap te geven. Of in ieder geval een goede handleiding bij slecht gereedschap.

Het is nu belangrijk dat fabrikanten merken dat er vraag is, dat er een markt is voor die goedkope sensoren, ook al zijn ze nu nog slecht. Daarom is het belangrijk dat ze gebruikt worden, ook al is het redelijk complex om er iets goeds uit te persen. Die feedback is belangrijk voor de makers om een betere, nieuwe generatie te maken.

Dus uiteindelijk maakt het mij, om eerlijk te zijn, niet uit of die vraag komt vanuit burgers of wijkgemeenschappen of stadsdelen. En eigenlijk wil ik me helemaal niet bezighouden met de evaluatie van die dingen, maar juist met de analyse van die metingen. Om de emissies op te zoeken en dat soort dingen. Maar ja, om daar te kunnen komen heb ik een stap terug genomen en heb mezelf opgevoerd als een soort validatie-deskundige.

Waarom meer data?

Je zegt dat je meer data wilt, maar wat zou je dan kunnen doen met die extra lokale data? Zou dat zich vertalen naar specifieker of gerichter beleid?

Nou, je moet eerst kennis hebben om acties te kunnen ondernemen. Lijkt mij. Kijk als jij je kinderen zou willen sturen naar een school net naast de ringweg, dan moet je nu maar de directeur op zijn blauwe ogen geloven dat die snelweg helemaal geen invloed heeft op de speelplaats die ernaast ligt. Het zou overtuigender zijn om te meten of dat inderdaad zo is. Dan heb je materiaal om ermee aan de slag te gaan. En wie dat dan doet, of dat dan een bezorgde buur is, of een stadsdeel, dat maakt mij persoonlijk niet zoveel uit. Waar het mij steeds om gaat is dat we kennis nodig hebben die er nu niet is.

Verwachtingsmanagement

Maar burgers die zelf meten doen dat omdat ze de hoop hebben dat ze met die data ook echt iets kunnen veranderen aan hun leefomgeving.

Kijk, Citizen Science heeft twee aspecten. In zijn puurste vorm gaat Citizen Science over een burger die meehelpt aan een wetenschappelijk project. En dat is eigenlijk precies wat hier aan de hand is. Maar de vergissing die vaak gemaakt wordt, is dat de motivatie van de burger om mee te doen aan een wetenschappelijk project, is om op zichzelf te kwantificeren zeg maar. Juist bij luchtverontreiniging lopen die twee aspecten heel erg door elkaar heen. Dus de motivatie is heel anders. Als jij gevraagd wordt om mee te werken voor een wetenschappelijk project om het aantal insecten te tellen in de lente door het aantal dooie vliegjes op je nummerbord te tellen, dat is een experiment. Dan doe je dat echt voor de wetenschap, dat is duidelijk. Maar als jij gevraagd wordt om bij jouw voordeur de luchtvervuiling te meten met een experimenteel apparaat, dan denk je: “Hé, dat is van mij.” Kijk en daar loopt het vaak een beetje mank in de communicatie.

Op een van de meetings van het Urban AirQ project heb ik dat ook verteld aan de deelnemers. Die hadden eerst het plan om met de data naar de rechter te stappen om aan te tonen hoe vies hun straat wel niet was. Ik heb uitgelegd dat er geen absoluut getalletje uitkomt waarmee je naar de rechter kan. Dat kan je echt nu al vergeten. Maar om de motivatie niet helemaal weg te nemen, heb ik ze ook verteld dat ze pioniers zijn op dit gebied. En dat vonden ze heel prettig om te horen.

Vind hier de andere interviews.

De politiek van luchtkwaliteit: interview Ivo Stumpe

Ivo Stumpe is een professioneel activist die zich inspant voor grote thema’s, zoals recht op betaalbaar wonen, vestiging van vluchtelingen, en milieu. Hij was was 8 jaar lang duoraadslid van Amsterdam Anders en werkte van 2007 tot 2015 in verschillende functies voor Milieudefensie. Voor die vereniging was Ivo een pionier in het participatief meten: in 2012 leidde hij een publiekscampagne waarbij burgers zelf op straat door middel van de Palmes buisjes waar Dave de Jonge het in ons vorige interview ook over had, NO2 waarden gingen meten. In 2011 raakte Ivo geïnteresseerd in het Air Quality Egg project, een van de eerste projecten waarbij burgers uitgenodigd werden om met digitale sensoren bevestigd op open source hardware computers, luchtkwaliteit te meten.

Harten veroveren

Ivo vertelt waar de focus door Milieudefensie op luchtkwaliteit vandaan kwam.

We waren er met een aantal vooral juridische campagnes in geslaagd om 34 nieuwe weguitbreidingen tegen te houden. Dat begon met het winnen van een zaak tegen de verbreding van de A4 bij Leiderdorp, dat leidde tot het stilleggen van andere, vergelijkbare projecten. Dat deden we door de luchtkwaliteitsmodellen waar de overheid zich aan moest houden vanuit Brussel, verder door te rekenen dan de overheid dat zelf deed. En door aan te tonen dat een verbreding van die weg, door haar aanzuigende werking, op het hele traject van Amsterdam tot Den Haag zou leiden tot meer files en overschrijdingen van de luchtkwaliteitsnormen. Wij vonden voldoende aangetoond dat meer verkeer slecht is en dat files niet worden veroorzaakt door te weinig asfalt, maar door teveel auto’s. En als je dat aanpakt dat je dus niet alleen betere lucht hebt, maar ook minder verkeersdoden en het is beter voor het klimaat, lost parkeerproblemen op, de hele reutemeteut.

Hoewel wij dus succesvol waren, hadden we wel een probleem: we hadden met onze aanpak niet de harten van burgers veroverd. Er werd gezegd in de media dat de economie stil kwam te liggen door ons, en dat wij zelfs voor méér files zorgden door de weguitbreidingen niet door te laten gaan. Platforms zoals GeenStijl kwamen met gefotoshopte borden langs de weg met: “deze file wordt u aangeboden door Milieudefensie.”

Het bleek moeilijk om mensen mee te krijgen in onze bredere visie. Het mobiliseren van mensen bij de Overtoom tegen wegverbreding bij Leiderdorp, die abstractie krijg je er nooit in, mensen leggen die verbanden niet. Dus toen ik campagneleider werd, moest er tegelijk ook bezuinigd worden, en hebben we besloten om al onze aandacht te focussen op één publiekscampagne. Ik besloot toen om die over luchtkwaliteit te laten gaan en om daarbij luchtkwaliteit te branden als gezondheid: dat is veel minder abstract hè. En het is lokaal, er zit veel meer emotie in, en je hebt zeg maar aanwijsbare slachtoffers bij wijze van spreken. Niemand is tegen gezondheid. Ook VVD-ers willen niet dat hun kinderen astma krijgen.

Uiteindelijk gaat het natuurlijk nooit om gelijk hebben, want dat hadden we al, wetenschappelijk was daar geen discussie over. Gelijk krijgen, daar ging het om, via de politiek, en die politiek bereik je weer via mensen en media. En, nou ja, dan moet je dus op zoek naar geschikte campagnemiddelen.

Het lukte ons om mensen te mobiliseren ook mede dankzij een ander campagne-instrument waar we toen voor kozen: we ontdekten de Palmes buisjes als middel om grote groepen mensen direct te betrekken bij het doen van meten. Die buisjes meten NO2, wat indicatief is voor vervuiling. We hebben in de krant aangekondigd dat dat project er zou zijn en samen met het Milieucentrum Amsterdam zijn we op heel veel plekken met mensen één maand gaan meten.

Sjoemelmodellen

We speelden daarmee in op het wantrouwen dat veel mensen hadden richting de modellen en berekeningen die toen werden gehanteerd om luchtkwaliteitsbeleid te voeren, en daar hadden ze soms nog gelijk in ook. Het was veel te makkelijk voor ambtenaren om te sjoemelen met die modellen. Want zo’n model, daar zitten tientallen factoren in en ambtenaren die een probleem hadden omdat de lucht in de buurt die onder hun bestuur viel te vies was, probeerden dat te verhelpen door een beetje te gaan sleutelen aan het model. Als je in dat model honderd vrachtwagens minder laat rijden in je wijk is opeens je probleem weg. En dat soort gesjoemel had weer te maken met de wetgeving die grenswaarden voor bepaalde stoffen stelden. Voor NO2 is dat 40 µg/m3. Iedereen was erop gericht om daaronder te blijven. Dus als je dan een curve maakte voor wat er per straat berekend was, kreeg je een hele harde breuk bij de 39 microgram. Er waren massaal veel straten die 39 microgram hadden en veel minder die meer dan 40 hadden. Terwijl dat wiskundig natuurlijk helemaal niet kan.

Mechanismen om dat te controleren waren er niet. Daar wilden wij voor zorgen: Wij wilden dat er meer werd gemeten en minder gerekend. Je had natuurlijk wel de meetstations van GGD en RIVM, maar dat waren er erg weinig. En wat wij ook deden: overal waar een meetpunt was gingen we kijken wat op dat punt berekend werd door een model. En dan zag je vaak gigantische verschillen. Vooral dat er vaak veel hogere concentraties gemeten werden dan dat er berekend werden. En veel mensen gingen mede vanwege onze campagne de overheidsgegevens wantrouwen. Van: “klopt dat wel?” En heel vaak konden wij niet zeggen of het wel of niet klopte omdat we geen betere data hadden. Er was vaak geen data. En toen kwamen we erop dat we eigenlijk zelf wel wilden weten hoe dat zit met die luchtkwaliteit. Onze campagne leidde tot meerdere Kamermoties en dat leidde tot flinke verbetering: De modellen en controle op de data is nu wel veel beter geworden.

De waarde van meten

Dus uit de meetcampagne die we toen deden met Palmes buisjes kwam een kaart van Nederland met allemaal stippen waar we de waarden van gingen duiden. Maar mensen interpreteerden die stippen niet altijd correct: dan zaten ze in de buurt van een rode stip, met veel NO2, en dan maakten ze zich zorgen, terwijl dat misschien niet terecht was omdat die stip 5 kilometer van hun huis was. Bovendien, waar je woont hoeft überhaupt niet iets te zeggen over hoeveel slechte lucht je inademt. at hangt veel meer samen met waar je werkt, of hoe lang je in de file staat.

En dat was een van de bezwaren van bijvoorbeeld de GGD, dat allerlei mensen zich zorgen gingen maken terwijl daar misschien geen aanleiding voor was. Ze maakten zich verder ook zorgen over het feit dat wij de waarde van het meten naar beneden haalden, dat we het niet op een wetenschappelijke manier deden. Inmiddels heeft ook de GGD de waarde van deze buisjes en het betrekken van burgers ingezien.

Heel goed campagnemiddel

Als campagne-organisatie kun je ook zeggen: “We gaan nu tienduizend handtekeningen verzamelen.” Dan sta je weer met je handtekeningen op dat plein. En dan komen ze allemaal braaf naar buiten en dan zeggen ze: “dankjewel,” en “dat vind ik ook heel belangrijk. Doei!” En dan gaan ze weer naar binnen. Dat is heel on-sexy voor de media en geeft dus relatief weinig druk, het is ongevaarlijk.

Foto: (c) Michiel Wijnbergh

Wat wij wilden aantonen is dat mensen zich echt zorgen maken over die luchtkwaliteit. Dat je dus burgers hebt die iets kunnen doen, iets wat visueel is en iets wat meer autoriteit heeft dan alleen maar zeggen: “ik vind dit nou eenmaal,” of “ik ben hier bang voor.”

Als je zelf meet en data verzamelt, daar kan je foto’s van maken, je kunt die mensen laten interviewen en je kan zo iemand meenemen naar een wethouder en die data aanbieden, waar ze vervolgens inhoudelijk op moeten reageren. Dat was voor ons een heel goed campagne-middel, dat heeft heel goed gewerkt.

Het Air Quality Egg project

Er zitten best wel wat technische beperkingen aan het meten met Palmes-buisjes. Je krijgt pas na een maand een gemiddeld cijfer van de vervuiling. Als je het nog beter wilt doen, ga je een jaar lang meten, maar dat is best een opgave, organisatorisch en voor al die burgers met wie je wilt gaan meten. En het geeft nog steeds geen real-time data. Dus qua moderne communicatiemiddelen, ergens over Tweeten, een grafiekje op de website, dat soort dingen, is ook lastig.

Dus toen hoorden we over het Air Quality Egg project. Dat was nieuw en goedkoop, het zou maar zo’n honderd dollar kosten geloof ik, en het gaat langer mee dan Palmes-buisjes. Het produceert elke vijf minuten een cijfer.

Wij hadden echt al van die visioenen: “Als we er honderd in een stad hebben dan kan je gewoon met kaarten met kleurtjes erop zien hoe in de loop van de dag de vervuiling toeneemt en dan weer minder.” Dat leek ons fantastisch. Zeker op de communicatieafdeling waren ze helemaal happy, van: “ja, dit en dat kun je er mee doen!” Websites ervan maken, en Twitter alerts en de hele mikmak, wat allemaal niet mogelijk is met zo’n suf buisje waar na anderhalf jaar een cijfer uit komt rollen. Dus wij hadden daar echt wel heel veel zin in.

Uiteindelijk hebben we dat Air Quality Egg niet voor onze campagne gebruikt, daarvoor was het niet op tijd functioneel. Daar komt bij dat de GGD en het RIVM soms ook met Palmes-buisjes werken. Dat sloot aan bij hun systeem. Een nieuw experimenteel goedkoop elektronisch metertje werd niet vertrouwd en dat zou onze metingen erg kwetsbaar maken voor kritiek.

Mondige burgers

Maar veel mensen die meedoen aan dat soort metingen hebben natuurlijk een ander doel voor ogen dan jullie. Zij reageren op de belofte dat ze met die technologie direct iets kunnen doen aan vervuiling in hun omgeving.

Ja, daar is een mismatch tussen hoe het luchtkwaliteitsbeleid werkt en wat de verwachtingen zijn. Er waren bijvoorbeeld actiegroepen die dachten: “er wordt hier een weg uitgebreid dus we gaan nu meten en dan laten we zien dat het vies is en dan gaat het vast niet door.” Ja, nou, wel. Dat gaat wel door. Maar je kunt wel meten en daarmee aantonen dat je je kennelijk zorgen maakt. En dát je je zorgen maakt zou een aanleiding kunnen zijn voor politici om er nog een keer over na te denken. Maar als het besluit genomen is, of dat de politici die voor jou bereikbaar zijn daar niet over gaan, dan heeft dat helemaal geen nut. Dus als je wilt bereiken dat een weguitbreiding niet doorgaat kan ik je nu al vertellen dat je straks teleurgesteld bent. Nou ja, er waren toch mensen die gingen het dan toch proberen en werden inderdaad teleurgesteld. Dat is jammer.

 Een andere belofte die je vaak hoort rondom citizen science projecten is dat het mensen handelingsvaardigheid geeft: niet om hun omgeving te veranderen via beleid, maar doordat ze zelf samen betekenisvolle keuzes kunnen maken.

Het is een beetje een D66 ideaal hè, allemaal mondige burgers die zelf de eigen omgeving met elkaar gaan organiseren. Heel veel anarchisten zouden dat ook heel graag willen, maar ik ben het nog niet tegengekomen. Ik ben daar iets te cynisch voor.

Uiteindelijk gaan mensen altijd toch díe keuze maken, die voor hen als individu goed is en niet voor hen als collectief. En daarbij hebben ze ook vaak niet de lange termijn voor ogen. Wij zagen scholen die dan bijvoorbeeld hun speeltuin wilden overdekken en die lucht daarin wilden filteren. Maar ja, weet je… om drie uur worden die kinderen opgehaald. En dan? Dat is gewoon flauwekul. Of iemand had een ding uitgevonden, een metertje die luchtkwaliteit meet, dat kon je zo op het stuur van je fiets klikken. Als je dan fiets en je ziet dat er vervuiling is, dat je dan toch snel rechtsaf gaat. Los van het feit dat het voor jouw gezondheid niks uitmaakt dat je een keer achter een bus staat of een vrachtwagen; dat soort oplossingen zijn lokaal en gaan niet over bredere, systemische oplossingen.

Het gaat óns om lange-termijn en collectieve doelen, die nou eenmaal niet zo snel op het netvlies van het individu staan. Wat wij uiteindelijk wilden is gewoon meer treinen, minder auto’s. En strengere normen voor vrachtwagens en dat soort dingen. Het ging ons niet zozeer om het behagen van het individu zeg maar, met al zijn angsten.

Het commons-dilemma

Die lokale, individuele oplossingen zorgen misschien ook wel voor het afbrokkelen van een gevoel van solidariteit.

 Ja. Ze zorgen een beetje voor een soort van gated community, wat je voor elkaar krijgt door het genereren van aandacht, door middel van de politiek en de media, voor jouw specifieke, lokale probleem. De mensen in Oude Amstel die daar in een villawijk wonen kregen meer aandacht voor hun school die langs de snelweg gebouwd zou worden, dan andere scholen in hetzelfde schuitje. Er zitten drie kinderdagverblijven op de Overtoom met vuilere lucht. De toegang tot media en de politiek is niet democratisch verdeeld.

Ik vind het van ontzettend grote waarde dat je onafhankelijke, wetenschappelijke instituten hebt, met een algemeen geformuleerde, a-politieke opdracht om gewoon vast te stellen hoe het in elkaar zit in Nederland en daar ook zelfstandig over mogen publiceren en communiceren.

Een andere belofte van citizen science is dat mensen op basis van meetwaarden hun eigen gedrag gaan veranderen. Dat ze dan bijvoorbeeld de auto laten staan. Dat het zorgt voor bewustzijnsverandering en zo zorgt voor een schonere leefomgeving.

Dat idee dat als we iedereen zelf laten meten zodat mensen het weten en dat het dan wel goed komt, dat is niet zo. Verreweg de meeste mensen die gingen meten met milieudefensie hadden zelf ook een auto. En die vonden dat, als het erop aan komt, zij wél hun auto voor de deur mogen zetten en dat andere mensen vaker op de fiets moeten.

Het is heel menselijk om een probleem te agenderen dat moet worden opgelost zonder jezelf verantwoordelijk te maken. Dat kun je mensen bijna niet verwijten. De enige oplossing is dus dat je als collectief besluit wat voor het collectief goed is. En dat is soms belastingen, of iets verbieden, of iets subsidiëren wat geld kost, of dat soort dingen. En dat is ontzettend on-liberaal, maar het is het enige dat werkt.

Dat is het commons-dilemma. Dat kun je dus alleen maar regelen met afspraken en dat is wetgeving. Want wat je eigenlijk bij elk maatschappelijk-economisch vraagstuk hebt, het enige wat je kunt doen is zorgen dat we collectief besluiten dat iets een probleem is. En dan vervolgens aan de politiek de opdracht geven om de oplossingen daarvoor op te leggen aan iedereen. Ook al zijn die pijnlijk.

Benzine toevoer afsluiten

Een jaar of vijf geleden zijn we benaderd door Volvo. Die gingen ook zo’n NO2 sensortje inbouwen in de luchtroulatie van de airconditioning. Als de lucht dan té vies was, dan sloten  ze de luchtaanvoer van de airconditioning en ging ‘ie recirculeren. Ze vroegen aan ons of we daar als Milieudefensie onze steun aan wilden geven. Nou ja, zei ik, “ik zou zo’n dingetje in de uitlaat zetten en als het té vies is, dan sluit ‘ie de benzine toevoer af.” Nou, dat vonden ze niet grappig.

Hè, het is de hoop dat er iets wordt uitgevonden wat op een technische manier al onze problemen oplost. Terwijl de meeste dingen gedragsissues zijn. Als ik ga fietsen in plaats van met de auto, dat is veel effectiever. En dat is wat wij wilden. Wij wilden niet ook alleen maar een dingetje die de auto schoner maakt, wij wilden ook gewoon minder auto’s. Want dat is namelijk én goed voor de lucht én voor het klimaat én je kinderen worden niet doodgereden door een fiets onder een auto en al die andere dingen.

Vind hier de andere interviews.

De politiek van luchtkwaliteit: interview Dave de Jonge, GGD

Ons eerste gesprek uit deze serie is met Dave de Jonge, senior projectleider luchtkwaliteit bij de GGD in Amsterdam.

Dave’s afdeling beheert dertig meetstations die luchtconcentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) en andere vervuilding (NO, NO2, SO2, CO, O3 en Benzeen) meten. We zagen Dave voor het eerst aan het werk in 2014 bij een bijeenkomst over de zogenaamde Smart Citizen Kit. Met deze Kit zouden Amsterdammers zelf de luchtkwaliteit rond hun woning kunnen meten. Het was aan Dave om te zeggen of dat ook was gelukt. Hij was uitgesproken: “deze technologie is waardeloos voor het meten van luchtkwaliteit.” Er was geen enkele correlatie tussen de waarnemingen van zijn meetstations en de metingen van de Smart Citizen Kits.

screengrabluchtmeetnet

Screen grab van luchtmeetnet.nl

screengrabluchtmeetnet3

Screen grab van luchtmeetnet.nl – metingen aan de Stadhouderskade.

 

Hoe Dave meet

We kijken naar luchtmeetnet.nl. De bolletjes corresponderen met meetstations en de kleuren zijn indicaties voor de vervuiling: groen is goed, paars is slecht. We kunnen zien dat aan de Stadhouderskade in Amsterdam acht types luchtverontreiniging worden gemeten, terwijl dat er aan de Nieuwerdammerdijk vier zijn.

Dit is de website die wij gezamenlijk hebben met organisaties als de DCMR en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid (RIVM). Wij hadden dit vroeger voor het gebied in Amsterdam maar nu zijn er meetstations door heel Nederland aangesloten. Naast de 30 grote meetstations, die dagelijks worden gekalibreerd en gecontroleerd, zijn er ook palmesbuisjes door de stad verspreid. In die buisjes zit een oplossing die reageert met NO2, waaruit je weer de hoeveelheid verontreiniging kunt afleiden. In tegenstelling tot fijnstof, dat als een deken over de stad ligt en niet zoveel verschilt van plek tot plek, geldt dat voor NO2 lokale waarden wel sterk kunnen verschillen. Dat kan zomaar verdubbelen of verdrievoudigen, dus daarvoor heb je die buisjes.

Waar ik vooral voor ingehuurd ben is om te zorgen dat de data die je achter de bolletjes ziet in orde is. En dat je niet een paars balletje ziet omdat de monitor niet goed is. De monitors worden ter plekke automatisch getest, met gasflessen. We hebben een grote database waar elk uur niet alleen gegevens binnenkomen, maar ook resultaten van die kalibraties. Dit systeem bekijkt of de metingen binnen bepaalde grenswaardes vallen. Zo niet, dan gaat de monitor van het internet af en gaan wij met de monteurs kijken. Het kan dan zijn dat een gasfles leeg is of dat de airconditioning stuk is. Nu vriest het bijvoorbeeld en dat is niet fijn voor zo’n monitor.

 

screengrabluchtmeetnet5

screengrabluchtmeetnet4

Screen grab van luchtmeetnet.nl – metingen aan de Nieuwendammerdijk

Meten versus berekenen

Hoe wordt beleid gemaakt met die metingen?

Juridisch gezien zijn onze metingen niet-bindend. Luchtkwaliteit wordt vastgesteld door middel van wat ze berekeningen noemen, die weer gebaseerd zijn op schattingen van de hoeveelheid verkeer op een bepaalde plek. Elke gemeente met een beetje verkeer moet dat soort schattingen maken. Als je op basis van die berekeningen boven de 40 µg/m3  NO2 uitkomt, kom je op een lijst en krijg je geld om er wat aan te doen. Juridisch gezien tellen alleen deze berekeningen, waarbij de metingen die wij doen gebruikt worden als input en controle hiervoor.

De Gemeente Amsterdam kijkt niet alleen naar die berekeningen en de wettelijke grenswaarden. Als je kijkt naar NO2, een indicator van je luchtkwaliteit, dan heb je toch wel een heleboel plekken waarvan de berekeningen aangeven dat we in de buurt van de grenswaarden zitten maar waarbij onze metingen laten zien dat we erboven zitten, bijvoorbeeld op de Prins Hendrikkade voor het Centraal Station.

De Gemeente luistert ook naar het advies dat wij ze geven. Wij zeggen bijvoorbeeld: je moet wat aan roet doen. Want daar kan je lokaal wat aan doen en het heeft echt een hele grote gezondheidsimpact. Roet is ook een heel lokaal: terwijl fijnstof als een deken over de stad ligt, fluctueert roet sterk.

Er zit allerlei rotzooi vast aan roet; een bak zware metalen bindt zich aan dat roet. Dat roet breekt door je afweermechanisme, als een soort tunneltje – een nano tube noemen ze dat ook wel – waardoorheen die rotzooi je lichaam in komt. Ik zeg altijd: elke nanogram roet minder zie je terug in minder ziektekosten.

Citizen science?

Bij het interview laat Dave een apparaatje zien dat hij net kreeg toegestuurd van de fabrikant.

Van dit soort apparaatjes, van verschillende formaten, hebben we er het afgelopen jaar veel voorbij zien komen. De fabrikanten gaan het op de markt brengen en ze willen van mij horen of het werkt. Het idee achter dit soort apparaatjes is telkens hetzelfde: je kan als burger zèlf luchtkwaliteit meten. De apparaatjes communiceren standaard via internet. En op dat gebied is het goed geregeld. Je krijgt er een ontzettend mooie app bij. Het ziet er gelikt uit. Je kan inzoomen, het gaat vrij snel, en het kost ook nog vrij weinig – maar een paar euro per maand.

Maar het eerste wat ik denk is van: “ja, welke sensor zit daar in? En hoe lang gaat die mee? Hoeveel onzin spuugt dat apparaat uit?” Het probleem is dat degene die het maakt altijd zal zeggen: “Dit werkt, dit is goed, we hebben met de universiteit samengewerkt, we hebben met een onderzoeksinstituut samengewerkt.” En op het eerste gezicht denk je dan misschien dat dit een mooie nieuwe stap is naar betere metingen, minder onderhoud, minder kosten, meer gebruiksvriendelijkheid.

Ik moet nog kijken hoe het precies zit met dit apparaatje, maar vaak houden ze liever geheim wat voor sensor erin zit. Want zo’n pakketje wordt vaak voor – ik noem maar wat – honderd euro verkocht, terwijl hij een sensor heeft van maar een paar euro.”

Kalibratie

Dave vertelt over een project rond metingen door burgers waar hij recent bij was betrokken.

De Waag Society heeft weer zo’n project gedaan, een vervolg op de Smart Citizen Kit, Urban AirQ. Omdat ze zelf weinig kennis hebben over hoe het meten echt gaat, betrekken ze er allerlei instituten bij. De GGD deed mee, ECN deed mee, de KNMI ook. En vooral omdat het KNMI erbij was, werd het een heel interessant project. Ze gaven de sensoren mee aan burgers om een maand te meten, vooral natuurlijk op plekken waar de burgers denken dat het waarschijnlijk veel erger is dan de modellen zeggen.

Dan heb je zo’n eerste bijeenkomst en dan merk je dat ze zich niet goed verdiept hebben in wat er al gebeurt. Ze weten wel dat er meetstations zijn, maar niet dat we ook nog op honderdvijftig plekken van die buisjes hebben. Dat is ons probleem, dat we slecht zijn in het uitleggen van wat we allemaal doen, maar het ligt ook aan de mensen die alleen maar aan hun eigen project denken.

Ze hadden een bepaald merk gevonden en dat gingen ze zelf in elkaar solderen. Heel goedkoop. Daarnaast kwam ECN met betere apparatuur, die ging ook meten om te kijken of er hetzelfde uitkwam. En wij hebben geholpen bij het kalibreren van die apparaatjes, door er een paar op ons dak te zetten, naast onze meetstations. Het KNMI heeft uiteindelijk alle gegevens geanalyseerd.

Het is een vreselijke klus geworden, met name vanwege de verificatie en kalibratie. De scores van de goedkope sensoren zijn vergeleken met onze meetstations, vooraf en achteraf. Elke sensor had een eigen verhouding tot de echte waarde van NO2. En die verhouding was heel anders voorin het traject en later in het traject. De gevoeligheid van de sensoren wordt langzaam minder – de sensoren lopen weg als het ware – en dat gebeurt al na een paar weken. Als dat lineair is, kan je proberen daarvoor te corrigeren. De weersomstandigheden spelen ook mee. Als de zon erop kwam werd het erg heet in dat kastje. We zagen dat de gevoeligheid helemaal anders wordt vanaf dertig graden. Ze hadden ook een sensor gerepareerd, waardoor de gevoeligheid opeens weer veranderde. En de sensoren bleken fijnstof helemaal niet te kunnen meten.

Het KNMI heeft toen bedacht om een model te maken waarbij rekening gehouden wordt met de vertekeningen om dat vervolgens toe te passen op de metingen van burgers. Dat was de eerste stap. Vervolgens moesten ook de pieken eruit. Als het in de zomer te warm werd in het doosje, beïnvloedde dat de waarden. En soms waren er internetproblemen bij mensen thuis, dan viel de wifi bijvoorbeeld uit. En uiteindelijk kon je dan gaan kijken of je patronen kon herkennen. En, ja, dan zie je inderdaad bijvoorbeeld de avondspits. Als een apparaat in de buurt van zo’n meetstation staat, dan dansen uiteindelijk de metingen mee met de echte metingen.

Er is heel veel uitgerekend. Beter dan dit kan je het niet doen. We hebben er veel van geleerd.

Illusie van transparantie

Mensen hebben dus het idee dat de scores van hun sensors de luchtkwaliteit meten, maar eigenlijk is dat de ruwe data die vervolgens uitvoerig wordt bewerkt. Juist bij metingen door burgers, heb je veel bewerkingen nodig om tot een goede meting te komen. Moeten we dan niet spreken van een illusie van transparantie? 

Ja, er zit een enorme trein tussen die metingen en de werkelijkheid. Een van mijn belangrijkste conclusies is dat je meetapparatuur heel goedkoop kunt aanschaffen en dat je dan, met al die berekeningen, in de buurt kan komen van de scores die je verwacht. Maar de vraag was eerste anders: “ik ben een burger, ik woon hier, er wordt hier niet gemeten, dus ik wil nu weleens weten hoe erg het hier is.” Die vraag werd tijdens het gesprek: “zie ik wat ik verwacht?” Want als je iets ziet wat we niet verwachten – als we spikes in de data zien – zullen mensen die er verstand van hebben in eerste instantie zeggen: “Nou, ik geloof dat niet zomaar.” Het kan natuurlijk zo zijn dat dat wél klopt, maar ik zie nog niet zomaar gebeuren dat dat dan voor waarheid wordt aangenomen. Er zit zoveel fluctuatie, onzekerheid en onnauwkeurigheid in die sensoren. Daar kan je voor corrigeren, maar die correcties werken op een gegeven moment niet meer. Al die projecten die nu op dit moment lopen, die zitten allemaal nog in de fase dat we de data alleen geloven als er uitkomt wat we verwachten.

Een tweede conclusie voor mij is dat deze manier van meten nog niet goedkoper lijkt dan een gewoon meetstation, want er gaat veel tijd zitten in het controleren van de metingen en het corrigeren van de scores. De echte kosten zitten sowieso niet in de meetapparatuur. Onze monitoren kosten zo’n 10.000 tot 15.000 euro. Die gaan tien jaar mee. De kosten worden gemaakt voor het personeel dat het systeem in de gaten houdt en de apparatuur onderhoudt. Die kosten liggen hoger als je meer bewerkingen moet uitvoeren op de metingen.

Informatiebehoefte

Dit soort projecten ontstaan wel omdat mensen het gevoel hebben dat er niet genoeg data is. Niet genoeg lokale data. Maar jij zegt eigenlijk dat we al voldoende weten over de luchtkwaliteit in Amsterdam?

Er zijn misschien een paar gebieden waar rare dingen gebeuren. Maar in Amsterdam geldt dat we heel goed weten hoe die luchtkwaliteit eruit ziet, vooral door die buisjes metingen, zo’n honderdvijftig. Voor een stad als Amsterdam zijn dat echt heel veel meters. Als je het heel neutraal bekijkt, weten we eigenlijk al vreselijk veel over de luchtkwaliteit. En de kans dat jij in een straat woont die veel vervuilder is dan dat wij weten, hè, die is niet zo groot.

 Maar burgers willen ook handelingsperspectief, op basis van heel lokale data. Ze willen bijvoorbeeld weten of ze voor of achter op het balkon moeten zitten en welke route ze het beste kunnen nemen naar hun werk.

Ook dit soort dingen hebben we al heel veel onderzocht. Waar kan je het beste fietsen of lopen? Hoe vies zijn rondvaartboten? Er is weinig dat nog onbekend is. Hier kan je over de Wibautstraat fietsen of je fietst langs de Amstel – die verschillen weten we wel voor de meeste stoffen. Dus het gaat hooguit nog om nuanceverschillen die je kunt vinden, maar ook die ga je niet vinden met dit soort burgerapparatuur. Die sensoren zijn daar niet nauwkeurig genoeg voor.  Ze zijn heel grof, het is alsof we een weegschaal voor een olifant gebruiken om een suikerklontje te wegen. Ook zijn ze slecht te kalibreren.

Druk

Het betrekken van burgers bij het meten van luchtkwaliteit klinkt heel sympathiek en wordt ook belangrijk gevonden om betrokkenheid te creëren bij het onderwerp, maar jij ziet dus ook negatieve effecten?

Nou, in zijn algemeenheid vind ik het leuk als mensen vragen stellen en geïnteresseerd zijn in luchtmetingen. Er gaat een hoop geld in onze luchtmetingen zitten en het is niet altijd even goed te volgen voor de buitenwereld, dus als dit een stap is daartoe dan vind ik dat een hele goede ontwikkeling. Mensen gaan dan inderdaad nadenken over de vraag: “ja, waarom heb ik eigenlijk nog een auto, of waarom koop ik een diesel, of wat komt er uit mijn hout-gestookte open haard? En over wat voor stofjes hebben we het dan?” En als je dan zo’n filter ziet met fijnstof hè, dat heeft impact, dus ik denk dat die interactie wel werkt.

Uiteindelijk hopen we natuurlijk met z’n allen dat het goed komt en dat die sensor echt goed meet en dat die natuurlijk dit soort problemen niet heeft. Maar wat ik nu zie: het demotiveert je burgers als je heel eerlijk bent, hè. Het grootste gevaar, en dat is wel ook in het verleden gebeurd, is dat er onzin op internet komt en dat mensen gaan afhaken. De mensen die zo’n meetproject organiseren zeggen vaak wel: “let op, dit is een proef”, maar toch, voor de buitenwereld is dat verschil niet zo duidelijk. Ik heb weleens gezien dat de gemeente helemaal in paniek raakte omdat een burger had gezegd: “Mijn sensor geeft 10 ppm aan, ik wil evacueren, doe er wat aan.”

En het is niet alleen maar de kwaliteit van die data. Ook al klopt het, mensen gaan ook afhaken als ze, hè, zo heel veel data op zich af zien komen. Die weer twintig nieuwe luchtkwaliteitswebsites zien, vol met tabellen met gegevens, waarvan ze dan nog moeten gaan uitzoeken wat die precies betekenen voor hun gezondheid.

Ook zie je dat er druk komt op organisaties als het RIVM om het goedkoper te gaan doen, dat meten. De overheid wil dat er een mix wordt gevonden van wat er nu al is, maar dan minder, aangevuld met goedkopere apparatuur Dat noemen ze het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit 2.0. Heel interessant, maar ook heel vervelend als je dus weet dat er van je verwacht wordt dat het straks allemaal goedkoper moet.

Vind hier de andere interviews.