Towards Digital Freedom: 2e editie van de Gr1p- honours module voor de UvA

Voor de tweede keer zal Gr1p vanaf februari 2020 voor het Instituut voor Interdisciplinaire Studies (IIS) van de Universiteit van Amsterdam de Honoursmodule Towards Digital Freedom organiseren. Samen met de Vrije Universiteit verzorgt het IIS dit honours programma voor bachelor studenten die zich, naast hun hoofdstudie, breder willen verdiepen. Het vak bestaat uit 12 bijeenkomsten waarin we steeds terugkeren naar de vraag: wat betekent ‘vrijheid’ in de context van de digitale samenleving? Welke factoren versterken of bedreigen individuele en collectieve vrijheid, en wat is er voor nodig om onze vrijheid te bewaken?

Onze dagelijkse digitale omgeving is te vergelijken met het water waar vissen in zwemmen: voor een vis is water zo vanzelfsprekend dat deze moeilijk zichtbaar is. Door in deze cursus alledaagse digitale infrastructuren zichtbaar te maken, leren we ook begrijpen hoe we hier invloed op kunnen uitoefenen.

Gr1p workshop ‘De slimme stad op z’n Rotterdams’

Op 19 september 2019 organiseert Gr1p een workshop voor gemeente ambtenaren van Rotterdam over smart city ontwikkelingen in hun stad. De workshop, getiteld ‘De slimme stad op z’n Rotterdams’ vindt plaats tijdens het symposium ‘Beyond Smart Cities Today‘, georganiseerd door de Erasmus Universiteit in samenwerking met het Centre for Bold Cities en de Kenniswerkplaats Urban Big Data.

Het doel van de workshop is om voorbij de hype van de slimme stad te kijken naar de rol die digitalisering speelt bij de alledaagse maatschappelijke opgaven van Rotterdam. We vergelijken de digitaliseringstrategieën van verschillende steden en gaan op zoek naar het eigen Rotterdamse slimme stadsprofiel. Hoe vertaalt Rotterdam publieke waarden naar het digitale domein? Hoe maken we daarbij gebruik van de al aanwezige kennis en kunde binnen de gemeente? En hoe doen we dit in goed contact met de bewoners van Rotterdam?

Summer school UvA: Data-walk

Voor de Urban Studies Summer School, Sense, Space and Strategy, georganiseerd door dr. Thea Dukes verzorgen wij op 23 juli 2019 een Data Walk. Deze walk is oorspronkelijk gepionierd door Alison Powell en verder ontwikkeld door het Centre for Bold Cities. De Data Walk is een ontdekkingstocht door de buurt die stap voor stap inzicht geeft, en vragen oproept, over de vele vormen van stedelijke data-verzameling. De Data Walk wordt ingeleid met een lezing over de historische ontwikkeling van data-verzameling in de stedelijke omgeving en wordt afgesloten met presentaties en discussies door en met studenten over hun bevindingen.

Gr1p workshop voor Volksuniversiteit: “Krijg grip op je digitale leefomgeving”

Vrijdag 21 september 2018 begint Gr1p met de cursus “Krijg grip op je digitale leefomgeving” voor de Volksuniversiteit te Amsterdam.

In vier lessen geven we basaal inzicht in de technische werking van het internet, bespreken we de belangrijkste politieke en ethische issues en laten we zien welke keuzes u zelf kunnen maken in hun dagelijkse internetgebruik.

De drie vragen die centraal staan zijn:

  1. Hoe werken uw apparaten en hoe verhouden die zich tot de rest van het internet? Deze kennis stelt u in staat bewuster keuzes te maken over veilig internetten en het bewaken van uw privacy.
  2. Hoe functioneren de verschillende componenten van het internet en hoe liggen de machtsverhoudingen? Deze kennis stelt u in staat bewustere keuzes te maken over de hardware en software die u gebruikt.
  3. Hoe is de macht en verantwoordelijkheid verdeeld tussen overheid, bedrijven, burgers en fabrikanten? Hierdoor krijgt u een beter inzicht in de impact van het internet op de maatschappij.

Op deze manier biedt deze cursus handvatten om bewuster en vrijer in de digitale samenleving te bewegen.

De cursus vindt plaats op vier vrijdagen van 14.00- 16.00 in de centrale vestiging van de Openbare Bibliotheek Amsterdam.

 

 

 

Towards Digital Freedom: Gr1p verzorgt UvA honours class

Voor het Instituut voor Interdisciplinaire Studies (IIS) van de Universiteit van Amsterdam organiseert Gr1p van september – december 2018 de Honoursmodule Towards Digital Freedom. Samen met de Vrije Universiteit verzorgt het IIS dit honours programma voor bachelor studenten die zich, naast hun hoofdstudie, breder willen verdiepen. Het vak bestaat uit 12 bijeenkomsten waarin we steeds terugkeren naar de vraag: wat betekent ‘vrijheid’ in de context van de digitale samenleving? Welke factoren versterken of bedreigen individuele en collectieve vrijheid, en wat is er voor nodig om onze vrijheid te bewaken?

Onze dagelijkse digitale omgeving is te vergelijken met het water waar vissen in zwemmen: voor een vis is water zo vanzelfsprekend dat deze moeilijk zichtbaar is. Door in deze cursus alledaagse digitale infrastructuren zichtbaar te maken, leren we ook begrijpen hoe we hier invloed op kunnen uitoefenen.

Prijs voor Publieke Sociologie voor Dorien Zandbergen

Met een documentaire over de smart city en haar werk voor Gr1p, betrekt Dorien Zandbergen burgers bij de discussie over de digitale samenleving. Hiervoor ontving ze 14 juni de Prijs voor Publieke Sociologie. Een prijs voor sociologen die zich engageren met de maatschappij.

Digitale technologieën veranderen in rap tempo ons leven en de maatschappij. Toch is er geen breed maatschappelijk debat over hoe we de samenleving in het licht van deze veranderingen willen vormgeven. Dit leidt tot een democratisch tekort waarin een kleine groep mensen beslissingen neemt over de vormgeving van de samenleving. Met haar werk betrekt Zandbergen meer groepen bij de discussie. Hiervoor ontving ze de Prijs voor Publieke Sociologie.

‘De winnaar heeft de afgelopen jaren de discussie over de digitale samenleving, en met name over de smart city, naar een hoger plan getild’, schrijft de jury in het juryrapport. ‘Dat deed ze met publicaties maar vooral via andere wegen. Ze maakte een originele, geestige en toch diepzinnige film. […] Ze stort zich op grotendeels onontgonnen terrein waar de meeste gewone mensen liever helemaal niet over nadenken. En ze zet nauwgezet een lampje op de mensen die de boot volledig dreigen te gaan missen. Ze betrekt hen ook consequent en actief bij een discussie die nu vooral nog door experts wordt gevoerd. Ze laat mensen nadenken zonder dat voor hen te doen.’

Naast de documentaire die Zandbergen produceerde samen met filmmaker Sara Blom, Smart City. In search of the Smart Citizen, vermeldt de jury ook stichting Gr1p. ‘Onze winnaar is ook oprichter van een stichting die de democratisering van de digitale samenleving wil bevorderen. Ze gaf computerles in buurtcentra en merkte hoe lastig het voor mensen is om technologische ontwikkelingen bij te benen. Om daar inzicht in te geven organiseerde ze workshops en lezingen om deelnemers bij te brengen hoe ze zich kunnen weren of roeren in een omgeving die steeds meer doortrokken is van sensors en datastromen. De stichting is inmiddels uitgegroeid tot een netwerk van experts, activisten en ondernemers die zich inspannen voor het democratiseren van de digitale samenleving.’

De Prijs voor Publieke Sociologie werd dit jaar voor het eerst uitgereikt door de Nederlandse Sociologische Vereniging en Sociale Vraagstukken. De prijs is bestemd voor ‘sociologen die zich vanuit hun rol als socioloog engageren’, staat in het juryrapport. Kandidaten hoeven niet aan de universiteit te werken maar moeten wel vroeg in hun carrière staan. De initiatiefnemers willen hiermee ‘erkenning en stimulans geven aan jonge generaties, waarvoor de druk om zich te concentreren op puur academisch werk het grootst is.’ Zandbergen nam de prijs 14 juni in ontvangst op de Dag van de Sociologie in Rotterdam.

Ter ere van de prijs is er op donderdag 5 juli van 12.oo – 13.00 een lunch-screening van de film op de Roeterseiland campus. Voor meer informatie klik hier.

Op 2 juli verscheen een interview met Dorien over de prijs in Folia.

The Politics of a Cybernetic World. Exploring today’s digital world through the historical lens of cybernetics

*** This event is now fully booked, if you want to reserve a seat on the waiting list, you can email anne.hovingh@student.uva.nl ***

What: A creative and engaging event exploring the politics of cybernetics with Katherine Hayles, Luc Steels, Andrew Pickering, and Ricarda Franzen
When: March 23, 4-7 PM
Where: Crea Muziekzaal, Nieuwe Achtergracht 170, Amsterdam
Entrance: free, registration required
Funded by the Netherlands Organisation for Scientific Research (NWO) as part of the research project Safeguarding long-term equal stakeholdership in the Smart City & the Center for Urban Studies of the University of Amsterdam as part of a collaboration with the Sheffield Urban Automation Institute

This is the concluding event of the two-day seminar The State of Cybernetics. The digitization of cities, bodies and communities. Click here for more information about this seminar.

What do cities, robots, corporations, political organizations, human bodies and the ecological environment have in common? For the scientists involved in the development of cybernetics in the 1940s, this was all but an awkward question. In seminars organized across the world, the cyberneticians came to think of humans, machines and the social and natural world as identical in their informational essence. In their intellectual and hands-on experimentations, they called forth a world in which machines, bodies and nature are entangled as complex, permanently evolving systems. As they theorized information to flow ever more effortlessly within and between these systems, they conceived new modes of social organization and political subjectivity. Humans no longer appeared as sovereign and bounded individuals but as circuits of polymorphous informational systems.

The purpose of this afternoon is to revisit the legacy of cybernetics to shed light on contemporary digital politics. Many of the fundamental questions asked by cyberneticians regain salience today. What remains of liberal individualism when the boundaries between humans, machines and nature are blurred? What are the systemic properties and operating routines of democracy in a world in which machines and humans are increasingly entangled?

Program:

4-4.30 PM performative reading directed by Ricarda Franzen

“Cybernetics Performed”
A theatrical reading of the Macy Conferences, directed by Ricarda Franzen (University of Amsterdam)

This six week long theatrical research was motivated by an interest in the content and form of the Macy conferences on cybernetics (1946-1953) — the latter described as “a moment when a new set of ideas impinged on the human sciences and began to transform some traditional fields of inquiry.” (Heims 1991). Together with the four performers, counseled by Dorien Zandbergen, and based on an initial idea of David Gauthier’s, Ricarda Franzen directed the actors in exploring the performative potential of a text that she composed entirely out of the original transcripts of the Macy conferences. While the performance features a number of noted cyberneticians, conceptually it centers on the figure of Gregory Bateson as observed through the eyes of his daughter who would go on to write an ethnography of a 1968 conference.

Performed by Jono Freeman, Kaylee Spivey Good, Merel Eigenhuis and Alzbeta Tuckova

4.30-5.30 PM lecture Katherine Hayles and short Q&A

“Does a Computer Have an Umwelt? An Exploration of Meaning-making Beyond the Human”
Keynote lecture professor Katherine Hayles (Duke University)

This talk explores the possibility of meaning-making beyond the human and beyond the biological into artificial forms of cognition. Many of our environmental crises today can be understood as an over-emphasis on humans as the most important species on the planet and an under-recognition of meaning-making among nonhuman animals and plants. Exploring that possibility opens up in a new way how meaning-making occurs, and thus sheds new light on cognitive assemblages, where humans and computational media interact. Jakob von Uexküll’s “umwelt” theory, which he articulated in the 1920s and 1930s, proposes that biological lifeforms construct subjective worlds for themselves based on the kinds of sensory systems they have and their environmental interactions. In addition, von Uexküll was an early cybernetician, proposing feedback mechanisms for many biological systems. Although von Uexküll’s work remains central to biosemiotics, the cybernetic aspect is little known or cited. This nearly-forgotten thread suggests the possibility for an expansion of the umwelt beyond the biological. Computers, like biological organisms, know the world through the data available to them, which may be limited to their programs or may extend into the world through sensors and actuators. The crucial element that the umwelt idea adds to existing discourse is the link between sign and meaning, potentially casting new light on the ways in which computational media construct meanings for themselves as subjects. This talk will explore that possibility, comparing contemporary media archeology with the umwelt and outlining the implications for a theory of meaning for networked and programmable machines.

5.30-6.30 PM lecture Luc Steels and short Q&A

“Cybernetics, Artificial Intelligence, and Artificial Life. Past interactions and future prospects.”
Keynote lecture professor Luc Steels

In the late eighties and nineties I was a core participant – and hence privileged observer – of the rise of Artificial Life, working and interacting intensely with Chris Langton, Rodney Brooks, Francesco Varela and other key players in the field. What were the movitations of this research field and what has come of it?
Artificial Intelligence (AI) had sprung up in the late nineteen fifties out of the earlier work on cybernetics, focusing on similar issues as cybernetics, namely the nature of intelligence and how it could be captured in artifacts, but bringing a new powerful toolkit from the then emerging field of computer science to the table. Computer Science goes beyond electrical engineering by being able to represent and process hugely complex data structures at high speeds, so that it becomes possible to seriously start modeling human language processing, problem solving, logical reasoning, and expert decision-making. By the early nineteen eighties symbolic processing technologies had reached maturity and AI had become a field with industrial applications and a growing impact on information technology. By comparison cybernetics became almost exclusively restricted to the construction of adaptive controllers for autonomous systems.

But by the late eighties there was a kind of revival of cybernetics. Several of the early cybernetic experiments (such as Grey Walter’s Elmer and Elsie) were reconstructed, although now with more solid mechanical and computational technologies. New types of conferences sprung up (such as the Simulation of Adaptive Behavior series with the first one in 1990 (Steels, 1990)), a few seminal workshops (in particular the Corsendonck workshop in 1991 (Steels and Brooks, 1994)), advanced schools (the most famous one being the Trento springschool in 1994 (Steels, 1995)) and new journals (such as the journal of Adaptive Behavior). What was going on? I believe the key objective of this new wave was to address two critical issues that AI had (and still has) trouble with, namely meaning and origins. We argued that a proper handling of meaning required agency, autonomy, embodiment, and an ecological setting, all topics that cybernetics had also integrated. And to understand the origins of intelligence we needed to adapt concepts from evolutionary biology and complex systems science, such as self-organisation, selection, level-formation, a.o. Many ideas and fascinating experiments came out of all this and I will give a short overview and how these ideas spilled over into language and concept formation.

The Alife approach to AI ran its course and is no longer in the spotlight. Instead, during the past decade AI has become dominated by statistical machine learning techniques, generating a tsunami of new technologies and applications thanks to the availability of Big Data and the massive increase in computing power. This has almost swept away both the sophisticated research on knowledge representation and reasoning (although this research has its own huge impact today in the semantic web or expert decision-making systems) and the biologically inspired research that powered the temporary interaction between AI and AL in the nineties. I believe however that in the near future we will see a resurgence of the issues that were raised by Alife-AI, as AI systems become more ubiquitous and widespread.

The recent perception that AI has reached a new peak of achievement, coupled to the development of other digital technologies, such as virtual reality, cloud computing, social media, digital self-monitoring, brain-computer interfaces, etc., has recently given rise to a curious fascinating new set of narratives about the future of humankind. There seems to be a new kind of religion taking shape, centered around digital immortality, which is thought to be achievable through sophisticated virtual AI agents and technologies of mind-uploading based on digital traces of human activity. I will briefly report on an artistic project that explores these issues using the medium of opera.

6.30-7PM Panel and discussion

Panel with Andrew Pickering, Luc Steels and Katherine Hayles

About the contributors

Katherine Hayles is Professor and Director of Graduate Studies in the Program in Literature at Duke University, and Distinguished Professor Emerita at the University of California, Los Angeles. She teaches and writes on the relations of literature, science and technology in the 20th and 21st centuries. Amongst her distinguished works are How We Think: Digital Media and Contemporary Technogenesis; How We Became Posthuman: Virtual Bodies in Cybernetics, Literature and Informatics, and Writing Machines.

Luc Steels is professor of computer science at the University of Brussels (VUB), co-founder and chairman (from 1990 until 1995) of the VUB Computer Science Department (Faculty of Sciences) and founder and first-director of the Sony Computer Science Laboratory in Paris. His main research field is Artificial Intelligence covering a wide range of intelligent abilities, including vision, robotic behavior, conceptual representations and language.

Andrew Pickering is an emeritus professor at the University of Exeter. He is internationally known as a leader in the field of science and technology studies. He is the author of Constructing Quarks: A Sociological History of Particle Physics, The Mangle of Practice: Time, Agency and Science and Kybernetik und Neue Ontologien. In his book The Cybernetic Brain: Sketches of Another Future, he analyses cybernetics as a distinctive form of life spanning brain science, psychiatry, robotics, the theory of complex systems, management, politics, the arts, education, spirituality and the 1960s counterculture, and argues that cybernetics offers a promising alternative to currently hegemonic cultural formations.

Ricarda Franzen works as a dra­maturg, sound artist and researcher at the University of Amsterdam. Coinciding with her interests in art practice, she is interested in aspects of sound in relation to its environment but also as being used in theatre and radio dramas. For the Rotterdam-based laboratory for Unstable Media she co-produced a performance based on the ideas of Buckminster Fuller and Marshall McLuhan. For the theatrical performance she developed for ‘the State of cybernetics,’ she similarly draws inspiration from a group of historical cutting-edge thinkers and tinkerers.

The performers:
Jono Freeman studied as an actor in Sydney Australia, before obtaining a Bachelor in Performance Studies and a DipEd in Drama Method (USYD and UNSW), and becoming a high school Drama teacher.
Kaylee Spivey Good is an American actor working to obtain her MA in Theatre Studies from Universiteit van Amsterdam focusing on the theatricality of antiquites in the early 19th century.
Merel Eigenhuis is -besides an enthusiastic drama teacher- a MA student Theatre Studies. She’s currently most interested in the crossover between digital technologies and contemporary theatre.
Alzbeta Tuckova is a theatre maker and performer studying MA Theatre Studies in UvA.  She has a practical background in performance art and theatre and is passionate about the power of art to express politics.

The organizers

Dorien Zandbergen is an anthropologist of digital culture and politics, currently working as a postdoc researcher at the Sociology Department of the University of Amsterdam. Her current work critically explores the politics of urban digitization. In the documentary In search of the Smart Citizen, which she co-produced with Sara Blom (Creative Commons 2015), she interrogates the vision of the “smart city.” She co-founded Stichting Gr1p  to support artistic and literary interventions that help make complex technological themes, visible, debatable and tangible for a broad audience. Her recent academic publications include “From data fetishism to quantifying selves” (with Tamar Sharon, New Media & Society, 2016) and “We Are Sensemakers.” The (Anti-)politics of Smart City Co-creation” (Public Culture, 2017).

Justus Uitermark is Associate Professor of Sociology at the University of Amsterdam. He is affiliated with the Center for Urban Studies and the Amsterdam Institute for Social Science Research. Uitermark’s research uses relational theorizing and network analysis to examine self-organization, political conflict, and the social organization of the city. With colleagues at the University of Amsterdam, he is currently researching the online/offline interface, utilizing data sourced from Twitter and Instagram to analyze subcultures and social movements. Recent publications include “Longing for Wikitopia. The study and politics of self-organization” (in Urban Studies) and Cities and Social Movements (co-authored with Walter J. Nicholls, Wiley).

The State of Cybernetics. The digitization of cities, bodies and communities. Seminar. Amsterdam. March 22-23


On March 22 and 23, Dorien Zandbergen and Justus Uitermark, based at the University of Amsterdam, organize a seminar entitled “The State of Cybernetics. The digitization of cities, bodies and communities.”

The purpose of the seminar is to revisit the legacy of cybernetics to shed light on contemporary digital politics. Many of the fundamental questions asked by cyberneticians regain salience today. What remains of liberal individualism when the boundaries between humans, machines and nature are blurred? What are the systemic properties and operating routines of democracy in a world in which machines and humans are increasingly entangled?

Scholars from fields as diverse as Philosophy, Anthropology, and Artificial Intelligence will give presentations. The speakers include Simon Marvin, Noortje Marres, Andrew Pickering, Willem Schinkel, Linnet Taylor and Tsjalling Swierstra. 

To allow for an in-depth discussion, there is a limit to the number of participants. Are you interested in taking part? Please inquire with Anne Hovingh: anne.hovingh@student.uva.nl

After you register you will receive a more detailed program with abstracts, locations and times.

The overarching vision for this seminar is to build and strengthen a network of thinkers and practitioners interested in developing critical perspectives regarding digital politics and digital urbanism in particular. This network stretches beyond academia and crosses over to multiple disciplines and fields of practice. Starting September 2018, the aim is to work towards joint research proposals, publications, and events.

The seminar will be concluded by a public event on Friday March 23 at 4PM with lectures by Luc Steels and Katherine Hayles, a theatrical performance prepared by Ricarda Franzen and a discussion between the speakers joined by Andrew Pickering. 

The seminar is funded by the Netherlands Organisation for Scientific Research (NWO) as part of the research project “Safeguarding long-term stakeholdership in Smart Cities” and by the Center for Urban Studies of the University of Amsterdam as part of a collaboration with the Sheffield Urban Automation Institute.

De politiek van luchtkwaliteit: interview Ivonne Jansen-Dings

Ivonne Jansen-Dings

Ivonne Jansen-Dings werkt sinds 2008 bij Waag Society, eerst als programma-ontwikkelaar en sinds mei 2017 als hoofd programma-maker. In die hoedanigheid houdt zij zich bezig met projecten waarin burgers gefaciliteerd worden om zelf hun omgeving, bijvoorbeeld op het gebied van luchtkwaliteit, in kaart te brengen door middel van toegankelijke meettechnologieën. Ivonne is ook betrokken geweest bij het UrbanAirQ project waar in eerdere gesprekken in deze interviewreeks over gesproken is (zie onze interviews met Dave de Jonge, Bas Mijling en Joris Lam). Net als in een voorgaand burger-meetproject van de Waag – het Smart Citizen Kit project – waren in het Urban AirQ project de meetgegevens niet helemaal wetenschappelijk sluitend. Toch, zo zegt Ivonne, zijn dit soort projecten wel degelijk erg betekenisvol.

Het creëren van sociale cohesie

Ivonne: Het is inderdaad zo dat data die voortkomt uit burgermeetprojecten nog niet echt een overtuigende kracht hebben voor andere organisaties. Ik kan me herinneren dat een groep bewoners in Amsterdam de komst van een nieuwe parkeerstrook wilde blokkeren door middel van luchtkwaliteitsmetingen. Ondanks het feit dat het KNMI door middel van een wetenschappelijke analyse heeft laten zien dat er echt waarde in die data zat, is de klacht van de bewoners direct afgewezen: niet op grond van de data, maar omdat die data niet van de GGD was en dus niet officieel was.

Maar deze mensen probeerden alleen maar gesprekspartner te worden in dit hele belangrijke gesprek. En dat doen ze ook nog eens op een heel constructieve manier: deze burgers zijn niet zomaar klagers, maar ze laten op basis van data zien waar precies de grenzen liggen bij dit soort projecten, en dus ook wat alternatieve mogelijkheden kunnen zijn. Voor de overheid zijn dit soort burgers misschien lastig, maar ik ben heel erg blij dat ze er zijn: ze maken het mogelijk voor een grotere groep mensen om zich te verhouden tot de overheid en tot ingewikkelde besluitvormingsprocessen.

Zijn de conventionele middelen die burgers hebben om zich te bemoeien met besluitvormingsprocessen dan niet meer toereikend?

Ik zie dat er steeds minder ruimte is in de samenleving voor mensen om zich te verenigen rondom een onderwerp. Door individualisering, door het feit dat we de vakbondscultuur hebben losgelaten en omdat mensen geen lid meer zijn van politieke partijen. Er zijn nog maar heel weinig plekken en manieren en podia om te zeggen: “Ik maak me hier zorgen over en ik wil dit voor het voetlicht brengen.” En om dat ook nog eens te zeggen met een grote groep mensen op een manier die niet te negeren is. Dat is waar wij met onze projecten op inspelen: wij bieden een plek waar mensen samen kunnen komen, die zich rondom zo’n project en onderwerp willen verenigen. Op die manier creëren we sociale cohesie.

Het organiseren van zaaltjes

Wat is de verhouding tussen dat streven naar het creëren van sociale cohesie enerzijds; en het bewerkstelligen van daadwerkelijke verandering anderzijds? Heb je voor dat laatste niet de politieke mechanismen nodig die we voor handen hebben?

Dat is inderdaad een heel ingewikkeld verhaal.

Ik zie in het algemeen dat vanuit de overheid nog steeds naar participatie wordt gekeken alsof het gaat om het organiseren van zaaltjes. Daar kunnen mensen dan bepaalde besluiten inzien en daarin inspraak hebben. De overheid probeert deze vorm van participatie nu ook relevant te maken voor het digitale domein, maar doet dat door het besluitvormingsproces op een 1 op 1 manier te vertalen naar een digitaal proces: er wordt dus een platform opgericht, daarmee kom je in de raad, en als je honderd likes hebt op je voorstel online, dan gaat het mee in de raad. Ik wil dat niet bagatelliseren want dat is ook super goed en innovatief, maar ik zie ook een andere vorm van participatie die meer gebruik maakt van de decentraliserende mogelijkheden die digitale technologie heeft en die echt naar de andere kant doorslaat. Mensen organiseren zichzelf niet meer via die verticale lijntjes, en daar zal de overheid zich toe moeten gaan verhouden.

Je bedoelt dus eigenlijk dat je met dit soort citizen science projecten niet alleen inspraak probeert te krijgen in bestaande politieke processen, maar ook die processen zelf aan het veranderen bent? Wat voor rol kan data daarin hebben?

In ons project vinden we het vooral heel belangrijk dat we mensen in een betere kennispositie zetten. In de voorgaande trajecten van het Smart Citizen Kit project, en de opvolger, het Urban AirQ project, speelden de vele experts en organisaties die met ons meekeken daar een hele grote rol bij. Mensen van het RIVM, het Longfonds, het KNMI en anderen hebben heel veel presentaties gegeven waarin ze mensen vertelden wat de potentie is van dit soort projecten, wat je ermee kunt en wat andere manieren zijn om luchtkwaliteit te meten. De groep mensen die hierbij betrokken was werd daardoor ook steeds mondiger, en steeds beter geïnformeerd.

Mensen konden op basis van die kennis besluiten om hun eigen gedrag te veranderen – bijvoorbeeld het open of dichtdoen van een raam – maar ik geloof ook dat dat uiteindelijk ook een slagvaardiger samenleving oplevert: als ze namelijk allemaal gaan meten gaat daar ook een daadwerkelijke protestkracht vanuit. Wat ik zie ontstaan is eigenlijk een nieuwe kracht, die dingen kan veranderen. En die de overheid forceert om hun besluitvormingsprocessen op een andere manier in te gaan richten.

De kracht van burger-meetprojecten

Eindpresentatie Urban AirQ project, Waag Society

Maar dan heb je het toch over een traject waarin je de burger traint om de taal te spreken van de professional, en op die manier met een beetje geluk gehoord kan worden. Wat is dan de revolutionaire kracht van dit soort burger-meetprojecten?

Ik denk dat die kracht er ook in zit dat de activiteit van het meten de relatie tot het gemetene verandert. Gewoon het feit dat je als burger luchtkwaliteit aan het meten bent, dat je toegang krijgt tot de tools, verandert je relatie tot het onderwerp luchtkwaliteit. Dus je bent niet meer de persoon die je daarvoor was. Je bent niet meer degene die de hele tijd denkt: “het stinkt hier zo in de straat, het is hier slecht.” In plaats daarvan denk je: “Dit stukje voor mijn raam is van 9 tot 5 misschien niet zo heel goed en dat komt waarschijnlijk doordat altijd die taxi’s daar geparkeerd zijn.” Dus je hebt in 1 keer een heel andere taal gekregen om over het onderwerp na te denken, en je hebt het je op je eigen manier toegeëigend. Dat is dus heel wat anders dan dat hele beperkte “Het is slecht.”

Hoe zou deze vorm van kennis-en inzicht zich kunnen verhouden tot de besluitvormingsprocessen van de overheid?

Nou, we zijn nu bijvoorbeeld bezig met het thema geluid. Daar is ook de stad Barcelona veel mee bezig geweest en we leren veel van hen. Geïnspireerd op wat zij doen gaan we werken met drie typen data: 1) met data gegeneerd door burgers op basis van wat zij willen weten, en hoe zij erover praten; 2) op basis van een zelflerend algoritme dat in staat is om automatisch die metingen te herleiden tot de bron – dus dit geluid komt van een scooter, dit van een tram, etc.; en 3) op basis van hoge kwaliteit meetgegevens van een professionele instantie, dat fungeert als een soort ijkpunt. Door dit project op deze manier op te tuigen zorgen we ervoor dat de meetwaarden zowel dichtbij de beleving van de burger staan, als ook daadwerkelijk invloed kan hebben op beleid. De politieke besluitvorming kan hier dan eigenlijk niet meer omheen.

Tegen de “Uberisering” van lucht

Sensor calibratie

Maar dan toch die vraag: waarom zou je met low-tech, Do It Yourself meetapparatuur aan de slag gaan voor dit soort reguleringsvraagstukken, als je ook al veel professionele meetapparatuur en meetorganisaties hebt?

Nou, een ander aspect waar ik sterk door gemotiveerd word heeft te maken met het feit dat die Do It Yourself sensoren nou eenmaal sterk in ontwikkeling zijn. En wat geldt voor elke technologie, geldt ook hier: het is heel belangrijk om er op een vroeg moment voor te zorgen dat die technologie open en toegankelijk blijft voor een grote groep mensen. Als je niet uitkijkt hebben wij over 10 jaar Uber-Air, of Samsung-Air op je smartphone: in dat scenario is die data opeens niet meer van ons, die moet je dan gaan kopen. Of misschien krijgen we het als we het heel lief vragen, maar dan nog steeds maar in beperkte mate. Je ziet nu al met veel data-verzamelende technologieën dat die informatie ontnomen is aan onze democratische structuren. Die staan ergens in Silicon Valley op een server, daar hebben we dan geen zeggenschap, geen eigenaarschap meer over.

Wat wij nu doen is zo’n technologie helemaal in het begin van het ontwikkelingstraject oppakken, op het moment dat het nog open is, als het nog niet massaal uitgerold is door een Uber.

Wij creëren dus een groep mensen die zich bewust zijn van het feit dat die technologie er is, dat die benaderbaar, aanraakbaar en bereikbaarheid is en dat de data die ze creëren ook echt van hen is. Op die manier creëren we dus nu al de tegenbeweging die over tien jaar nodig is.

Lieve CEO – Luis Rodil-Fernández (Gr1p) en Carmen van Vilsteren (TU/e)

“Een chip die vandaag in mijn baby wordt geïmplanteerd, kan over twintig jaar de bron van discriminatie van mijn kind zijn.” [LRF]


In deze conversatie:

Luis Rodil-Fernández, schrijft voor Stichting Gr1p en is kunstenaar, onderzoeker, docent en hacker. Carmen van Vilsteren, Director of Strategic Area Health aan de Technische Universiteit van Eindhoven (TU/e).


Luis Rodil-Fernández - Zondag 24-09-2017 15:15


Beste Carmen,

Dit is een nieuwe vorm voor mij, dus ik hoop dat we een manier kunnen vinden om onze argumenten in zo’n korte tijd diepgaand te bespreken, via het onhandige medium dat e-mail is.

Ik ben geschoold in de kunsten. Ik heb ook compterwetenschappen gestudeerd en werk al enkele jaren als ingenieur. Misschien moet ik wat uitgebreider vertellen over mijn relatie met het bestuderen van het menselijk lichaam met behulp van sensors. In mijn artistieke werk gebruik ik biomedische apparatuur die direct met het lichaam communiceert, dus ik heb een zekere vertrouwdheid met het registreren van lichaamssignalen en het gebruik daarvan voor uiteenlopende doeleinden.

Ik maakte deel uit van BALTAN Labs-programma “Hacking the Body” en ik liep stage bij Philips Research, waar ik experimenten voor biosynchronisch onderzoek bedacht, aan de hand van methodes uit de electrofysiologie. Buiten die meer praktische ervaring ben ik ook privacy-activist en leraar. Al mijn bezigheden voeden elkaar natuurlijk, en hoewel ik een gretig gebruiker van technologie ben, vind ik het moeilijk om niet kritisch te worden als ik een bepaalde tech-ontwikkeling eenmaal in een kader heb weten te plaatsen.

Ik begrijp dat de context van onze mailwisseling wordt geleverd door de titel ‘We Know How You Feel’, en dat de vraagstellling draait om een kunstwerk dat Nick Verstand samen met TNO heeft gemaakt, waarbij EEG-techniek wordt ingezet om gemoedstoestanden af te leiden. De VPRO legt een scenario voor waarin vergelijkbare technologie wordt toegepast in marktonderzoek, zodat media hun content veel gerichter kunnen inzetten. Als ik het goed begrijp is dat scenario het uitgangspunt voor onze conversatie.

Wat me in dat voorgelegde scenario misschien wel het meest opvalt, is het totale gebrek aan voorstellingsvermogen, omdat het is samengesteld uit zaken die allemaal al bestaan. Je hebt geen enorm voorstellingsvermogen nodig om je in te denken hoe fysiologische data zouden kunnen worden opgenomen in de data-pool die nu al wordt gebruikt om mediaconsumenten te profileren, in elk geval door online media.

Het zogenaamde ‘surveillance-kapitalisme’ is het economische model van de meeste mediaplatforms op internet. In één enkele technologische generatie zijn onze televisies veranderd van omvangrijke analoge apparaten, die maar net iets meer konden dan een radio, in uitgebreide computers. Die staan in onze woonkamers en bevatten een schat aan sensoren die zelf ook heel goed data kunnen verzamelen.

In het voorgelelegde VPRO-scenario wordt het economische model van het internet geëxtrapoleerd naar televisie, met toevoeging van een aantal bronnen, namelijk fysiologische data. Dat gebeurt allemaal al, in elk geval in afzonderliijke informatiestromen in diverse bedrijfstakken. Het afleiden van informatie, zoals het VPRO-project voorstelt, is dan ook zeer plausibel en ligt ruim binnen het bereik van de mogelijkheden. Daarom vind ik het de moeite om het diepgaander te verkennen.

Er bestaat al een economische sector die neuromarketing heet, en die past precies toe wat de VPRO in dit scenario schetst: technische middelen inzetten waarmee marketeers producten precies kunnen richten op individuen, gebaseerd op hun onbewuste biofysische activiteit. Antonio Damasio formuleerde een hypothese over somatische indicatoren, die stelt dat ons lichaam continu signalen over onze gemoedstoestand voortbrengt en verwerkt, en daardoor dingen lijkt te ‘weten’ vóór we ze zelf bewust ervaren. Neuromarketing richt zich op de exploitatie van die ruimte tussen bewustzijn en het onstaan van verlangen.

Is er een plaats voor deze technieken in onze mediaconsumptie? Zijn ze ook toe te passen voor iets anders dan ‘meer spullen verkopen’? Wat heeft de individuele mediaconsument aan dit scenario? Ik veronderstel dat Gr1p deel uitmaakt van deze conversatie om tegenwicht te bieden aan dit maar al te plausibele scenario, en om de ethische impicaties van zo’n ontwikkeling te bevragen.

De enorme hoeveelheid data die sommige bedrijven bezitten over ons, internetgebruikers, is omvangrijker dat de meesten van ons vermoeden, en geeft hen reeds inzicht in processen waar wij onszelf als individu niet bewust van zijn. Facebook bijvoorbeeld past al iets toe dat het ‘afgeleide kwalificaties’ noemt, zoals ‘waarschijnlijkheid van verslaafd raken’, waarmee de kans wordt ingeschat dat iemand aan verslaving ten prooi valt. Die afgeleide indicatoren worden opgesteld door het combineren van diverse andere gegevens die Facebook rechtstreeks kan kwantificeren, en de ‘kwalificaties’ worden gebruikt om advertenties en content nauwkeuriger op ons af te stemmen.

Facebook kan dat al doen zonder toegang tot ons lichaam, en daarom zou ik op dit punt een vraag willen opwerpen: in hoeverre is het nog belangrijk om fysieke toegang tot het lichaam van de consument te hebben om zulke informatie te kunnen afleiden? Hebben de kwantitatieve methodes die Facebook en Google gebruiken die ‘toegang tot het lichaam’ niet al onnodig en achterhaald gemaakt? Wat kan het lichaam ons nog vertellen dat we niet al te kunnen afleiden uit expliciete gewoontes en gedragingen die kunnen worden waargenomen met andere methodes dan elektrofysiologie?

Er zijn natuurlijk nog veel meer dingen te bespeken, maar ik hoop dat dit een vruchtbaar begin is en dat we van hieruit verder kunnen gaan. Ik kijk uit naar je antwoord.

Salud,

Luis


Wat kan het lichaam ons nog vertellen dat we niet al te kunnen afleiden uit expliciete gewoontes en gedragingen die kunnen worden waargenomen met andere methodes dan elektrofysiologie?
Luis Rodil-Fernández


Carmen van Vilsteren - Dinsdag 26-09-2017 20:40

Beste Luis,

Bedankt voor het openen van de conversatie. Ook voor mij is de vorm heel nieuw. Ik ben helemaal geen schrijver. Ik heb een technische achtergrond en ik werk al het grootste deel van mijn leven in de medische sector, voor verschillende grote en kleine bedrijven. In de jaren negentig was ik ontwikkelingsmanager voor cardio-vasculaire beeldapparatuur bij Philips, en tot op de dag van vandaag wordt er elke seconde ergens een patiënt behandeld met een systeem dat we in die tijd hebben uitgebracht.

Momenteel combineer ik mijn functie als directeur van het strategisch onderzoeksgebied Gezondheid op de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e) met die van directeur bij Microsure, een startup in robotica voor microchirurgie. Op de TU/e werken we aan verschillende nieuwe technologieën. In een daarvan, regeneratieve geneeskunde, proberen we het lichaam er toe aan te zetten zichzelf te helen. Bij Microsure is het onze ambitie om chirurgen bovenmenselijke precisie te geven.

Je brief herinnert me aan een project dat ik een jaar of twee geleden zag. Het heette Probes en was opgezet door Hans Robertus. Mogelijk ken je hem. De resultaten werden gepresenteerd tijdens de Dutch Design Week. Een divers samengestelde groep studenten kreeg de opdracht na te denken over oplossingen voor een samenleving waarin mensen 150 jaar oud zouden worden.

Eén groep kwam met het idee van een implanteerbare chip, die alle gebeurtenissen in het leven en de gezondheid van mensen vastlegt, die dan bijvoorbeeld kunnen worden gebruikt in preventieve en niet-preventieve behandelingen. Dus niet alleen ‘We weten hoe je je voelt’, maar ook ‘We weten hoe je je in de toekomst zult voelen’.

Om dat idee te onderbouwen zetten ze een interessant experiment op. Ze huurden een kantoor in Strijp S (het hart van de DDW) en kochten een levensechte babypop en wat blanco kaarten. Ze boden de pop vervolgens aan mensen op straat aan, en vertelden dat het zogenaamd hun pasgeboren kind was, dat ze vervolgens moesten registreren bij het gemeentelijke kantoor verderop.

De meeste mensen waren bereid mee te werken aan het experiment en bedachten een naam voor hun ‘kind’. Op het kantoor werd hen verteld over de mogeijkheid om de chip te implanteren. De nieuwe ouders moesten ter plekke beslissen of ze wilden dat dit zou gebeuren, omdat het alleen zou werken als de implantatie op de eerste dag zou plaatsvinden.

De studenten verwachtten allerlei discussies en vragen over de bescherming van de gegevens, privacy en de veiligheid van de technologie. Maar wat ze niet hadden verwacht gebeurde. Alle ‘ouders’ openden de ethische discussie: wil ik dit mijn kind aandoen? Zou jij de chip hebben laten implanteren?

Groet,

Carmen

Zou jij de chip hebben laten implanteren?
Carmen van Vilsteren


Luis Rodil-Fernández - Vrijdag 29-09-2017 13:31

Hallo Carmen,

Om je vraag te beantwoorden: alvorens die beslissing te nemen zou ik iets meer moeten weten over die hypothetische chip. Wat doet die precies, waar in het lichaam bevindt hij zich, wat zijn de effecten op het kind en van wie is het implantaat? Is de chip verbonden met een netwerk of niet? Verzamelt hij op de een of andere manier data of worden de gegevens nooit opgeslagen? Welke eerdere tests zijn er gedaan met het implantaat in mensen? Wie maakt de chip? Is het ontwerp bedrijfseigendom of open source?

Uiteraard zou ik wat ernstige zorgen hebben voor ik vrolijk een technologisch object in het lichaam van mijn pasgeboren kind zou implanteren, voor de rest van zijn leven. Maar ik zou niet uit principe tegen zijn. Ik geloof dat technologie een rol heeft in het verbeteren van het leven van mensen. Mijn reactie zou niet technofobisch zijn, maar voorzichtig.

De vragen die jij van mensen verwachtte over privacy, bescherming van de gegevens en veiligheid van de techniek zijn trouwens ook ethische vragen. Voor mij is de vraag ‘zou ik dit in mijn kind implanteren?’ niet de enige over de ethische implicaties van het geschetste scenario.

Er zijn vele voorbeelden van slechte bescherming van data of privacy, waardoor een technologie die aanvankelijk onschadelijk leek potentieel als wapen zou kunnen worden ingezet. Een technologische vinding komt nooit alleen op de wereld, maar brengt altijd een stukje van de toekomst met zich mee. Een toekomst die ons heden worden als we die technologie in ons leven toelaten. We kunnen de verdere ontwikkeling onmogelijk voorspellen.

Een chip die vandaag in mijn baby wordt geïmplanteerd, kan over twintig jaar de bron van discriminatie van mijn kind zijn, of overmorgen het doelwit van een vijandige aanval. Het is van belang te beseffen dat deze scenario’s niet slechts denkbeeldig zijn. Als de technologie voorhanden is en er veel op het spel staat, dan zal die technologie als wapen worden gebruikt.

Ik wil je vragen even stil te staan bij de recente onthullingen in de pers over de rol van Facebook en Twitter bij de Russische inmenging in de Amerikaanse verkiezingen. Om te verdienen aan advertenties bieden beide bedrijven verfijnde instrumenten aan waarmee specifieke delen van hun markt kunnen worden benaderd. Die kunnen zó nauwkeurig worden ingezet dat een advertentie slechts op één enkel individu wordt gericht. Nu blijkt dat Amerikaanse kiezers in de aanloop naar de verkiezingen voor 100.000 dollar aan strategische geplaatste posts te zien hebben gekregen.

In een persverklaring toonde Mark Zuckerberg zich vorige week verontwaardigd over de rol die Facebook heeft gespeeld, en gaf hij toe dat er niet genoeg is gedaan om inmenging in het democratische proces door deze krachten te voorkomen. Degenen die invloed uitoefenden hoefden niet eens bij Facebook in te breken, of gebruik te maken van het soort kwetsbaarheden waar hackers zich gewoonlijk van bedienen. De (vermoedelijk) Russische betrokkenen die invloed wilden kopen, deden dat door gebruik te maken van instrumenten die Facebook aanbiedt aan legitieme adverteerders.

Zij zetten deze instrumenten dus in voor een ander doel dan Facebook had bedoeld. Alle technologieën, zonder uitzondering, zullen op onbedoelde manieren worden gebruikt, omdat de maatschappelijke context waarin ze zich bevinden in beweging is. Zoals William Gibson ooit schreef in zijn boek ‘Burning Chrome’: de straat vindt zijn eigen nut voor dingen. Een technologisch object dat met de beste bedoelingen is ontwikkeld, kan en zal zeer waarschijnlijk onbedoelde toepassingen krijgen.

Terugkomend op de ethische vraag die je stelde, ik zou graag in die richting verder gaan en wat wedervragen stellen: gezien je ruime ervaring met het op de markt brengen van technologische producten neem ik aan dat je hebt gewerkt met een breed scala aan technici en ontwerpers. Hoe wordt er in jouw professionele omgeving omgegaan met zulke ethische vragen? Is er een breed bewustzijn over deze kwesties? Welke rol spelen deze ethische vragen in de ontwikkelingscyclus van een product? Heb je in je lange carrière gemerkt of de opvattingen hierover veranderen?

Salud,

Luis


Als de technologie voorhanden is en er veel op het spel staat, dan zal die technologie als wapen worden gebruikt.
Luis Rodil-Fernández


Carmen van Vilsteren - Dinsdag 6-10-2017 15:34

Beste Luis,

Je wilde mijn mening weten over de advertenties die vorig jaar op Facebook en Twitter zijn geplaatst met de bedoeling de Amerikaanse presidentsverkiezing te beïnvloeden. Om eerlijk te zijn heb je daar zelf al de perfecte analyse van gemaakt. Mensen zullen inderdaad altijd onbedoelde toepassingen voor technologie en andere middelen vinden. En dan is er het directe karakter van posts op Facebook en Twitter. Dingen komen zonder vertraging online, en daardoor er is vrijwel geen ruimte voor tussenkomst of correctie.

Misschien heeft dat te maken met de manier waarop de media in het algemeen werken: erg weinig controle vóór publicatie, maar een evaluatie achteraf, waar dan lessen uit worden getrokken. Ik ontdekte die praktijk toen ik op een dag de lokale krant bezocht om uit te vinden hoe zijn er in slaagden elke dag een nieuw product – de krant – te maken, terwijl wij er meerdere jaren over deden om een nieuw röntgenapparaat te ontwikkelen. Deze benadering heet ‘benchmarking best practices’.

De redacteuren bij de krant vertelden dat ze met een simpele set regels werkten. Bijvoorbeeld: geen negatieve publiciteit over de koninklijke familie. En ze controleerden verhalen bij gebrek aan tijd niet vooraf, maar bespraken ze in plaats daarvan de volgende ochtend. Dat strookt met een citaat van Mark Zuckerberg: ‘We controleren niet wat mensen zeggen vóór ze het zeggen, en eerlijk gezegd denk ik niet dat onze samenleving zou willen dat we dat doen’. In het geval van de omstreden advertenties was de schade lang voor welke evaluatie dan ook aangericht, en daardoor onomkeerbaar.

Over je tweede vraag, omtrent de rol die ethiek speelt in de ontwikkeling van nieuwe medische technologie, moest ik wat langer nadenken. Ik kan me eerlijk gezegd geen diepgaande discussies over het onderwerp herinneren uit de dat tijd dat ik nieuwe cardiovasculaire röntgensystemen ontwikkelde. Verbeteringen aan deze systemen betekenen gewoonlijk ook verbetering van de behandeling voor de patiënt door betere beelden, verlaagde stralingsdoses, etcetera.

De veiligheid van de patiënt is van het allergrootste belang tijdens de ontwikkelingscyclus van deze beeldapparatuur, dus risico-analyses en uitvoerige tests maken altijd deel uit van het proces. Onderdeel van die tests is het bepalen van de optimale manier om de apparatuur rond patiënten te verplaatsen, en hoe hen te beschermen tegen mogelijke botsingen gedurende dat proces.

Tijdens mijn eerste project begon ik aan die tests met mezelf als patiënt op de tafel. In eerste instantie vonden enkele collega’s dat een slecht en onveilig plan. Daar had ik het volgende antwoord op: als wij zelf al niet eens op die tafel durven te gaan liggen, dan kunnen we dat van een patiënt ook niet verlangen. En zo werd het gangbare praktijk voor ontwikkelaars om vrijwillig voor patiënt te spelen tijdens sommige van deze botsproeven.

Nu, op de Technische Universiteit Eindhoven, heb ik met veel meer ethische vragen te maken, bijvoorbeeld over de ontwikkeling van implantaten als pacemakers en hersenimplantaten. Mensen zijn afhankelijk van deze technologieën, en hun kwaliteit van leven kan erdoor in het geding komen. Een van de vier faculteiten die bij deze projecten betrokken zijn heeft een eigen vakgroep ethiek.

Tijdens de ontwikkeling van nieuwe apparatuur en apps worden ook gezonde mensen en patiënten ‘gebruikt’ als proefpersonen. Er is een groeiend aantal regels die deze praktijk in Nederland reguleren. Elk experiment moet voldoen aan deze regels en afspraken, en proefpersonen moeten voor akkoord tekenen alvorens ze mogen deelnemen. Dit alles wordt ook gecontroleerd door een ethische commissie van de universiteit.

Laten we doorschuiven van ethiek naar esthetiek. Kun je me iets vertellen over je kunst?

Vriendelijke groet,

Carmen