Lieve CEO – Luis Rodil-Fernández (Gr1p) en Carmen van Vilsteren (TU/e)

“Een chip die vandaag in mijn baby wordt geïmplanteerd, kan over twintig jaar de bron van discriminatie van mijn kind zijn.” [LRF]


In deze conversatie:

Luis Rodil-Fernández, schrijft voor Stichting Gr1p en is kunstenaar, onderzoeker, docent en hacker. Carmen van Vilsteren, Director of Strategic Area Health aan de Technische Universiteit van Eindhoven (TU/e).


Luis Rodil-Fernández - Zondag 24-09-2017 15:15


Beste Carmen,

Dit is een nieuwe vorm voor mij, dus ik hoop dat we een manier kunnen vinden om onze argumenten in zo’n korte tijd diepgaand te bespreken, via het onhandige medium dat e-mail is.

Ik ben geschoold in de kunsten. Ik heb ook compterwetenschappen gestudeerd en werk al enkele jaren als ingenieur. Misschien moet ik wat uitgebreider vertellen over mijn relatie met het bestuderen van het menselijk lichaam met behulp van sensors. In mijn artistieke werk gebruik ik biomedische apparatuur die direct met het lichaam communiceert, dus ik heb een zekere vertrouwdheid met het registreren van lichaamssignalen en het gebruik daarvan voor uiteenlopende doeleinden.

Ik maakte deel uit van BALTAN Labs-programma “Hacking the Body” en ik liep stage bij Philips Research, waar ik experimenten voor biosynchronisch onderzoek bedacht, aan de hand van methodes uit de electrofysiologie. Buiten die meer praktische ervaring ben ik ook privacy-activist en leraar. Al mijn bezigheden voeden elkaar natuurlijk, en hoewel ik een gretig gebruiker van technologie ben, vind ik het moeilijk om niet kritisch te worden als ik een bepaalde tech-ontwikkeling eenmaal in een kader heb weten te plaatsen.

Ik begrijp dat de context van onze mailwisseling wordt geleverd door de titel ‘We Know How You Feel’, en dat de vraagstellling draait om een kunstwerk dat Nick Verstand samen met TNO heeft gemaakt, waarbij EEG-techniek wordt ingezet om gemoedstoestanden af te leiden. De VPRO legt een scenario voor waarin vergelijkbare technologie wordt toegepast in marktonderzoek, zodat media hun content veel gerichter kunnen inzetten. Als ik het goed begrijp is dat scenario het uitgangspunt voor onze conversatie.

Wat me in dat voorgelegde scenario misschien wel het meest opvalt, is het totale gebrek aan voorstellingsvermogen, omdat het is samengesteld uit zaken die allemaal al bestaan. Je hebt geen enorm voorstellingsvermogen nodig om je in te denken hoe fysiologische data zouden kunnen worden opgenomen in de data-pool die nu al wordt gebruikt om mediaconsumenten te profileren, in elk geval door online media.

Het zogenaamde ‘surveillance-kapitalisme’ is het economische model van de meeste mediaplatforms op internet. In één enkele technologische generatie zijn onze televisies veranderd van omvangrijke analoge apparaten, die maar net iets meer konden dan een radio, in uitgebreide computers. Die staan in onze woonkamers en bevatten een schat aan sensoren die zelf ook heel goed data kunnen verzamelen.

In het voorgelelegde VPRO-scenario wordt het economische model van het internet geëxtrapoleerd naar televisie, met toevoeging van een aantal bronnen, namelijk fysiologische data. Dat gebeurt allemaal al, in elk geval in afzonderliijke informatiestromen in diverse bedrijfstakken. Het afleiden van informatie, zoals het VPRO-project voorstelt, is dan ook zeer plausibel en ligt ruim binnen het bereik van de mogelijkheden. Daarom vind ik het de moeite om het diepgaander te verkennen.

Er bestaat al een economische sector die neuromarketing heet, en die past precies toe wat de VPRO in dit scenario schetst: technische middelen inzetten waarmee marketeers producten precies kunnen richten op individuen, gebaseerd op hun onbewuste biofysische activiteit. Antonio Damasio formuleerde een hypothese over somatische indicatoren, die stelt dat ons lichaam continu signalen over onze gemoedstoestand voortbrengt en verwerkt, en daardoor dingen lijkt te ‘weten’ vóór we ze zelf bewust ervaren. Neuromarketing richt zich op de exploitatie van die ruimte tussen bewustzijn en het onstaan van verlangen.

Is er een plaats voor deze technieken in onze mediaconsumptie? Zijn ze ook toe te passen voor iets anders dan ‘meer spullen verkopen’? Wat heeft de individuele mediaconsument aan dit scenario? Ik veronderstel dat Gr1p deel uitmaakt van deze conversatie om tegenwicht te bieden aan dit maar al te plausibele scenario, en om de ethische impicaties van zo’n ontwikkeling te bevragen.

De enorme hoeveelheid data die sommige bedrijven bezitten over ons, internetgebruikers, is omvangrijker dat de meesten van ons vermoeden, en geeft hen reeds inzicht in processen waar wij onszelf als individu niet bewust van zijn. Facebook bijvoorbeeld past al iets toe dat het ‘afgeleide kwalificaties’ noemt, zoals ‘waarschijnlijkheid van verslaafd raken’, waarmee de kans wordt ingeschat dat iemand aan verslaving ten prooi valt. Die afgeleide indicatoren worden opgesteld door het combineren van diverse andere gegevens die Facebook rechtstreeks kan kwantificeren, en de ‘kwalificaties’ worden gebruikt om advertenties en content nauwkeuriger op ons af te stemmen.

Facebook kan dat al doen zonder toegang tot ons lichaam, en daarom zou ik op dit punt een vraag willen opwerpen: in hoeverre is het nog belangrijk om fysieke toegang tot het lichaam van de consument te hebben om zulke informatie te kunnen afleiden? Hebben de kwantitatieve methodes die Facebook en Google gebruiken die ‘toegang tot het lichaam’ niet al onnodig en achterhaald gemaakt? Wat kan het lichaam ons nog vertellen dat we niet al te kunnen afleiden uit expliciete gewoontes en gedragingen die kunnen worden waargenomen met andere methodes dan elektrofysiologie?

Er zijn natuurlijk nog veel meer dingen te bespeken, maar ik hoop dat dit een vruchtbaar begin is en dat we van hieruit verder kunnen gaan. Ik kijk uit naar je antwoord.

Salud,

Luis


Wat kan het lichaam ons nog vertellen dat we niet al te kunnen afleiden uit expliciete gewoontes en gedragingen die kunnen worden waargenomen met andere methodes dan elektrofysiologie?
Luis Rodil-Fernández


Carmen van Vilsteren - Dinsdag 26-09-2017 20:40

Beste Luis,

Bedankt voor het openen van de conversatie. Ook voor mij is de vorm heel nieuw. Ik ben helemaal geen schrijver. Ik heb een technische achtergrond en ik werk al het grootste deel van mijn leven in de medische sector, voor verschillende grote en kleine bedrijven. In de jaren negentig was ik ontwikkelingsmanager voor cardio-vasculaire beeldapparatuur bij Philips, en tot op de dag van vandaag wordt er elke seconde ergens een patiënt behandeld met een systeem dat we in die tijd hebben uitgebracht.

Momenteel combineer ik mijn functie als directeur van het strategisch onderzoeksgebied Gezondheid op de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e) met die van directeur bij Microsure, een startup in robotica voor microchirurgie. Op de TU/e werken we aan verschillende nieuwe technologieën. In een daarvan, regeneratieve geneeskunde, proberen we het lichaam er toe aan te zetten zichzelf te helen. Bij Microsure is het onze ambitie om chirurgen bovenmenselijke precisie te geven.

Je brief herinnert me aan een project dat ik een jaar of twee geleden zag. Het heette Probes en was opgezet door Hans Robertus. Mogelijk ken je hem. De resultaten werden gepresenteerd tijdens de Dutch Design Week. Een divers samengestelde groep studenten kreeg de opdracht na te denken over oplossingen voor een samenleving waarin mensen 150 jaar oud zouden worden.

Eén groep kwam met het idee van een implanteerbare chip, die alle gebeurtenissen in het leven en de gezondheid van mensen vastlegt, die dan bijvoorbeeld kunnen worden gebruikt in preventieve en niet-preventieve behandelingen. Dus niet alleen ‘We weten hoe je je voelt’, maar ook ‘We weten hoe je je in de toekomst zult voelen’.

Om dat idee te onderbouwen zetten ze een interessant experiment op. Ze huurden een kantoor in Strijp S (het hart van de DDW) en kochten een levensechte babypop en wat blanco kaarten. Ze boden de pop vervolgens aan mensen op straat aan, en vertelden dat het zogenaamd hun pasgeboren kind was, dat ze vervolgens moesten registreren bij het gemeentelijke kantoor verderop.

De meeste mensen waren bereid mee te werken aan het experiment en bedachten een naam voor hun ‘kind’. Op het kantoor werd hen verteld over de mogeijkheid om de chip te implanteren. De nieuwe ouders moesten ter plekke beslissen of ze wilden dat dit zou gebeuren, omdat het alleen zou werken als de implantatie op de eerste dag zou plaatsvinden.

De studenten verwachtten allerlei discussies en vragen over de bescherming van de gegevens, privacy en de veiligheid van de technologie. Maar wat ze niet hadden verwacht gebeurde. Alle ‘ouders’ openden de ethische discussie: wil ik dit mijn kind aandoen? Zou jij de chip hebben laten implanteren?

Groet,

Carmen

Zou jij de chip hebben laten implanteren?
Carmen van Vilsteren


Luis Rodil-Fernández - Vrijdag 29-09-2017 13:31

Hallo Carmen,

Om je vraag te beantwoorden: alvorens die beslissing te nemen zou ik iets meer moeten weten over die hypothetische chip. Wat doet die precies, waar in het lichaam bevindt hij zich, wat zijn de effecten op het kind en van wie is het implantaat? Is de chip verbonden met een netwerk of niet? Verzamelt hij op de een of andere manier data of worden de gegevens nooit opgeslagen? Welke eerdere tests zijn er gedaan met het implantaat in mensen? Wie maakt de chip? Is het ontwerp bedrijfseigendom of open source?

Uiteraard zou ik wat ernstige zorgen hebben voor ik vrolijk een technologisch object in het lichaam van mijn pasgeboren kind zou implanteren, voor de rest van zijn leven. Maar ik zou niet uit principe tegen zijn. Ik geloof dat technologie een rol heeft in het verbeteren van het leven van mensen. Mijn reactie zou niet technofobisch zijn, maar voorzichtig.

De vragen die jij van mensen verwachtte over privacy, bescherming van de gegevens en veiligheid van de techniek zijn trouwens ook ethische vragen. Voor mij is de vraag ‘zou ik dit in mijn kind implanteren?’ niet de enige over de ethische implicaties van het geschetste scenario.

Er zijn vele voorbeelden van slechte bescherming van data of privacy, waardoor een technologie die aanvankelijk onschadelijk leek potentieel als wapen zou kunnen worden ingezet. Een technologische vinding komt nooit alleen op de wereld, maar brengt altijd een stukje van de toekomst met zich mee. Een toekomst die ons heden worden als we die technologie in ons leven toelaten. We kunnen de verdere ontwikkeling onmogelijk voorspellen.

Een chip die vandaag in mijn baby wordt geïmplanteerd, kan over twintig jaar de bron van discriminatie van mijn kind zijn, of overmorgen het doelwit van een vijandige aanval. Het is van belang te beseffen dat deze scenario’s niet slechts denkbeeldig zijn. Als de technologie voorhanden is en er veel op het spel staat, dan zal die technologie als wapen worden gebruikt.

Ik wil je vragen even stil te staan bij de recente onthullingen in de pers over de rol van Facebook en Twitter bij de Russische inmenging in de Amerikaanse verkiezingen. Om te verdienen aan advertenties bieden beide bedrijven verfijnde instrumenten aan waarmee specifieke delen van hun markt kunnen worden benaderd. Die kunnen zó nauwkeurig worden ingezet dat een advertentie slechts op één enkel individu wordt gericht. Nu blijkt dat Amerikaanse kiezers in de aanloop naar de verkiezingen voor 100.000 dollar aan strategische geplaatste posts te zien hebben gekregen.

In een persverklaring toonde Mark Zuckerberg zich vorige week verontwaardigd over de rol die Facebook heeft gespeeld, en gaf hij toe dat er niet genoeg is gedaan om inmenging in het democratische proces door deze krachten te voorkomen. Degenen die invloed uitoefenden hoefden niet eens bij Facebook in te breken, of gebruik te maken van het soort kwetsbaarheden waar hackers zich gewoonlijk van bedienen. De (vermoedelijk) Russische betrokkenen die invloed wilden kopen, deden dat door gebruik te maken van instrumenten die Facebook aanbiedt aan legitieme adverteerders.

Zij zetten deze instrumenten dus in voor een ander doel dan Facebook had bedoeld. Alle technologieën, zonder uitzondering, zullen op onbedoelde manieren worden gebruikt, omdat de maatschappelijke context waarin ze zich bevinden in beweging is. Zoals William Gibson ooit schreef in zijn boek ‘Burning Chrome’: de straat vindt zijn eigen nut voor dingen. Een technologisch object dat met de beste bedoelingen is ontwikkeld, kan en zal zeer waarschijnlijk onbedoelde toepassingen krijgen.

Terugkomend op de ethische vraag die je stelde, ik zou graag in die richting verder gaan en wat wedervragen stellen: gezien je ruime ervaring met het op de markt brengen van technologische producten neem ik aan dat je hebt gewerkt met een breed scala aan technici en ontwerpers. Hoe wordt er in jouw professionele omgeving omgegaan met zulke ethische vragen? Is er een breed bewustzijn over deze kwesties? Welke rol spelen deze ethische vragen in de ontwikkelingscyclus van een product? Heb je in je lange carrière gemerkt of de opvattingen hierover veranderen?

Salud,

Luis


Als de technologie voorhanden is en er veel op het spel staat, dan zal die technologie als wapen worden gebruikt.
Luis Rodil-Fernández


Carmen van Vilsteren - Dinsdag 6-10-2017 15:34

Beste Luis,

Je wilde mijn mening weten over de advertenties die vorig jaar op Facebook en Twitter zijn geplaatst met de bedoeling de Amerikaanse presidentsverkiezing te beïnvloeden. Om eerlijk te zijn heb je daar zelf al de perfecte analyse van gemaakt. Mensen zullen inderdaad altijd onbedoelde toepassingen voor technologie en andere middelen vinden. En dan is er het directe karakter van posts op Facebook en Twitter. Dingen komen zonder vertraging online, en daardoor er is vrijwel geen ruimte voor tussenkomst of correctie.

Misschien heeft dat te maken met de manier waarop de media in het algemeen werken: erg weinig controle vóór publicatie, maar een evaluatie achteraf, waar dan lessen uit worden getrokken. Ik ontdekte die praktijk toen ik op een dag de lokale krant bezocht om uit te vinden hoe zijn er in slaagden elke dag een nieuw product – de krant – te maken, terwijl wij er meerdere jaren over deden om een nieuw röntgenapparaat te ontwikkelen. Deze benadering heet ‘benchmarking best practices’.

De redacteuren bij de krant vertelden dat ze met een simpele set regels werkten. Bijvoorbeeld: geen negatieve publiciteit over de koninklijke familie. En ze controleerden verhalen bij gebrek aan tijd niet vooraf, maar bespraken ze in plaats daarvan de volgende ochtend. Dat strookt met een citaat van Mark Zuckerberg: ‘We controleren niet wat mensen zeggen vóór ze het zeggen, en eerlijk gezegd denk ik niet dat onze samenleving zou willen dat we dat doen’. In het geval van de omstreden advertenties was de schade lang voor welke evaluatie dan ook aangericht, en daardoor onomkeerbaar.

Over je tweede vraag, omtrent de rol die ethiek speelt in de ontwikkeling van nieuwe medische technologie, moest ik wat langer nadenken. Ik kan me eerlijk gezegd geen diepgaande discussies over het onderwerp herinneren uit de dat tijd dat ik nieuwe cardiovasculaire röntgensystemen ontwikkelde. Verbeteringen aan deze systemen betekenen gewoonlijk ook verbetering van de behandeling voor de patiënt door betere beelden, verlaagde stralingsdoses, etcetera.

De veiligheid van de patiënt is van het allergrootste belang tijdens de ontwikkelingscyclus van deze beeldapparatuur, dus risico-analyses en uitvoerige tests maken altijd deel uit van het proces. Onderdeel van die tests is het bepalen van de optimale manier om de apparatuur rond patiënten te verplaatsen, en hoe hen te beschermen tegen mogelijke botsingen gedurende dat proces.

Tijdens mijn eerste project begon ik aan die tests met mezelf als patiënt op de tafel. In eerste instantie vonden enkele collega’s dat een slecht en onveilig plan. Daar had ik het volgende antwoord op: als wij zelf al niet eens op die tafel durven te gaan liggen, dan kunnen we dat van een patiënt ook niet verlangen. En zo werd het gangbare praktijk voor ontwikkelaars om vrijwillig voor patiënt te spelen tijdens sommige van deze botsproeven.

Nu, op de Technische Universiteit Eindhoven, heb ik met veel meer ethische vragen te maken, bijvoorbeeld over de ontwikkeling van implantaten als pacemakers en hersenimplantaten. Mensen zijn afhankelijk van deze technologieën, en hun kwaliteit van leven kan erdoor in het geding komen. Een van de vier faculteiten die bij deze projecten betrokken zijn heeft een eigen vakgroep ethiek.

Tijdens de ontwikkeling van nieuwe apparatuur en apps worden ook gezonde mensen en patiënten ‘gebruikt’ als proefpersonen. Er is een groeiend aantal regels die deze praktijk in Nederland reguleren. Elk experiment moet voldoen aan deze regels en afspraken, en proefpersonen moeten voor akkoord tekenen alvorens ze mogen deelnemen. Dit alles wordt ook gecontroleerd door een ethische commissie van de universiteit.

Laten we doorschuiven van ethiek naar esthetiek. Kun je me iets vertellen over je kunst?

Vriendelijke groet,

Carmen

Lieve CEO – Tijmen Schep (Gr1p) en Sandor Gaastra (MinEZ)

“In een wereld waarin de druk om perfect te zijn toeneemt, beschrijf ik privacy als het recht om imperfect te zijn.” [TS]


In deze conversatie

Sandor Gaastra, directeur-generaal voor Energie, Telecom en Mededinging bij het Ministerie van Economische Zaken.

Tijmen Schep schrijft als lid van het netwerk van Stichting Gr1p en is technologiecriticus, privacy designer en publiek spreker die inzicht biedt in hedendaagse vraagstukken rondom Big Data.


Sandor Gaastra - Brief 1

Beste Tijmen,

Als we het toch over privacy gaan hebben, kan ik net zo goed iets over mezelf vertellen. Ik ben directeur-generaal voor Energie, Telecom en Mededinging bij Economische Zaken. Ik ben ambtenaar: ik neem geen politieke besluiten. Ik bereid ze voor, voer ze uit en regel dat er toezicht op wordt gehouden.

Eh… vervang ‘ik’ maar door ‘mijn mensen’. En laat ‘mijn’ bij nader inzien weg, want ik ben echt niet de eigenaar van iedereen die werkt aan bij voorbeeld toegankelijke en betaalbare verbindingen voor elektronische communicatie, die bijdragen aan innovatie en economische groei.

Voordat ik verdwijn achter beleidstaal: ooit was ik politiedirecteur, en ik ben nog steeds vader, fietser, lezer en vakantieganger, onder meer. Ik vind technologie, beleid en bestuur leuk en belangrijk, maar mensen nog veel meer. En – toeval of niet – privacy bevindt zich op het grensvlak van technologie, informatie en mens.

Ooit was privacy best overzichtelijk: je mocht niet gluren bij de buren, vertrouwelijke foto’s publiceren of brieven openmaken die niet voor jou waren bedoeld. Dat is wettelijk keurig afgetimmerd met termen als ‘bescherming van de persoonlijke levenssfeer’ en ‘briefgeheim’.

Maar tijden veranderen en door de digitalisering is er ineens veel werk aan de winkel. De grondrechten bleven hetzelfde, maar ze moesten worden uitgebreid naar het digitale terrein. Zo is afgelopen jaar het briefgeheim ook uitgebreid naar digitale communicatie.

Half Nederland ‘betaalt’ voor digitale diensten door privé-informatie te delen. Social media vangen die informatie op en verkopen hem ‘aan de achterkant’ door aan de hoogste bieder. Wie dat is? Geen idee. Het gebeurt in fracties van seconden. In de datasystemen van zowel de platforms als hun afnemers vormen zich steeds gedetailleerdere persoonsprofielen.

Alles wat je koopt, kijkt, liket, roept en fotografeert zit daarin. Waar je bent, waar en bij wie je overnacht en waar je naartoe gaat. Of je ziek bent (‘koopt keeltabletten en paracetamol’), happy (‘bestelt twee witbier op terras’) of in hoger sferen (‘luistert Matthäus Passion’).

Mogelijke gevolgen: je betaalt te veel voor concerttickets, loopt een aanbieding voor een goedkopere zorgverzekering mis, of je wordt gepest of gechanteerd met Facebook-foto’s. Een moeilijk probleem, onder meer omdat je er weinig of niets van merkt. Totdat het mis gaat.

Als er weer eens op grote schaal persoonlijke data op straat liggen, roepen mensen al snel om wetgeving, privacy-politie of strengere straffen. Begrijpelijk dat burgers naar de overheid kijken, en natuurlijk mag het grondrecht privacy niet worden aangetast. Maar we moeten geen nodeloze drempels opwerpen voor een vrij dataverkeer, of belemmeringen voor bedrijven die willen innoveren.

Dus leggen we een wettelijk fundament neer waarmee we iedereen dwingen zorgvuldig met persoonlijke data om te gaan. Vervolgens kijken we wat we kunnen bereiken met lichtere middelen, zoals voorlichting, gedragsbeïnvloeding, en prikkels voor marktpartijen om transparant te zijn over hun omgang met onze gegevens. Of dat genoeg is? Wat denk jij?

Vriendelijke groet,

Sandor,

P.s. Privacy is persoonlijk. Als ik je tegenkom op de fiets groet ik je vriendelijk, maar een foto van mij in fietskleding op een publieke website, daar heb ik moeite mee. Is jouw privacy-grens ooit overschreden?


Half Nederland ‘betaalt’ voor digitale diensten door privé-informatie te delen.
Sandor Gaastra


Tijmen Schep - Brief 1

Hey Sandor,

Leuke brief!

Voor ik er op in ga: tof dat je deze briefwisseling met me wil doen. Bij de uitnodiging sprongen de romantische beelden op in mijn hoofd. Ik moest meteen denken aan de briefwisselingen die mensen als Darwin en andere denkers vroeger hadden. Mensen die een peperdure portretschilder moesten inhuren als ze een selfie wilden maken. Ik besef me ineens dat onze musea eigenlijk volhangen met selfies.

Bij een conferentie over privacy-vriendelijke slimme apparaten hoorde ik deze week een mooi verhaal over Socrates. Hij vond dat denken iets is dat je alleen met z’n tweeën kon doen, dat denken altijd een uitwisseling was. Een boek lezen, vond hij, dat is geen denken. De beste man heeft dan ook nooit een letter op papier gezet, omdat hij woorden een niet te vertrouwen nieuwe technologie vond. Doordat we niks meer hoefden te onthouden zou ons brein lui worden.

Het wantrouwen van nieuwe technologie is van alle tijden. Evenals tomeloos optimisme natuurlijk. De uitdaging is om ergens in een nuchter midden uit te komen. Het poldermodel van het technologiebeleid, wie weet komen we daar samen op uit.

Ik vind het mooi hoe je je brief begint. Grappig: juist doordat we privacy hebben, kan het doorbreken daarvan een band scheppen. Ik hou ook erg van fietsen en lees ook heel graag (sorry Socrates). Ik zit in een wandelclub en ben weerloos tegen zompige hotelcake.

Ik noem mezelf technologie-criticus en privacy designer – een soort digitale mythbuster eigenlijk. Ik ben één van de oprichters van medialab SETUP, een culturele organisatie die humor gebruikt om data-vraagstukken inzichtelijk te maken voor een breder publiek. Mijn levensvraag is: hoe help ik mensen technologievraagstukken genuanceerd te bekijken?

Doordat ik de data-industrie zo lang heb onderzocht, ben ik me zo enorm bewust van de manieren waarop iets moois als deze briefwisseling – twee mensen die rustig de tijd nemen om samen na te denken – tegelijkertijd door algoritmes zal worden opgepeuzeld. Hoe meer moeilijke woorden ik foutloos gebruik, hoe hoger enkele daarin gespecialiseerde algoritmes mijn IQ zullen inschatten. Gebruik ik het woord ‘ik’ teveel? Dan gaat mijn teamplayer score wellicht omlaag.

Ik weet het niet precies, en dat is – zoals je zelf al zegt – het ding: algoritmes die miljoenen mensen vergelijken kunnen patronen zien die we niet kunnen vermoeden. Stel: 10.000 mensen die een ‘gratis’ suikerziekte app hebben geïnstalleerd, blijken tegelijkertijd relatief vaak Snoop Dogg en boetseren te hebben geliked op facebook. Als ik vervolgens op Facebook ook Snoop Dogg en boetseren like, dan is de conclusie: risico op suikerziekte + 3%.

Die gok wordt als kennis verkocht, en zo worden die ‘gratis’ diensten uiteindelijk door bijvoorbeeld je zorgverzekeraar betaald (en daarmee uiteindelijk door jezelf).

Kun je op zoiets anticiperen als je op die ‘I Agree’ knop van Facebook klikt? Ik denk dat het voor de gemiddelde burger niet te overzien is. Wat mij betreft is het tijd voor zwaarder geschut.

Ik stel me voor hoe ik in 2023 bij Philips solliciteer omdat ik daar privacy-vriendelijke slimme thermostaten wil maken. Maar een algoritmisch HR bedrijf houdt de wacht en geeft een negatief advies. Een andere kandidaat uit een beter postcodegebied had volgens het algoritme net een wat emotioneel stabieler taalgebruik, en een net wat beter in de bedrijfscultuur passende verzameling Facebook-likes. Misschien dat ik in 2023 een bedrijf begin in Facebook like-transplantaties.

Om je vraag te beantwoorden: mijn privacy grens wordt voor mijn gevoel eigenlijk non-stop overschreden. Klinkt dat gek? Ik weet denk ik iets te veel van deze markt, van de technologie, en vooral van het maar al te menselijke verlangen om risico’s te beheersen dat dit alles aanjaagt. Voel je wel eens soortgelijke druk? Of herken je het bij de mensen om je heen? En hoe zou jij je eigen vraag beantwoorden?

Tijmen Schep


Algoritmes die miljoenen mensen vergelijken kunnen patronen zien die we niet kunnen vermoeden.
Tijmen Schep


Sandor Gaastra - Brief 2

Hallo Tijmen,

Dat heb ik weer: over complexe begrippen als privacy communiceren met een zompige- hotelcakejunkie… Maar ik stap over mijn weerstand heen, omdat je met dat ‘privacy doorbreken’ een goed punt aansnijdt. Het uitwisselen van persoonlijke informatie, liefst over licht belachelijke kleinigheden, schept een band. En roddelen is een universeel menselijke behoefte, essentieel voor het vormen van vriend- en vijandschappen en het onderhouden van de sociale orde in gemeenschappen. Zoiets als het vlooien van apen, zeggen gedragsdeskundigen.

Rond 1875 dachten ze zelfs bij Bell Labs dat de telefoon nooit bij iedereen in huis zou hangen (laat staan in iedere jaszak zou zitten): wat zouden mensen elkaar te melden hebben? Veel, weten we nu. En het meeste is geklets over kittens, de afwas of de file, of geroddel over rare gewoontes van de buren of de scheiding van BN-ers. Hetzelfde met het internet. Van militair netwerk ontwikkelde het zich tot communicatienetwerk voor wetenschappers, er werden wat gebruiksvriendelijke toepassingen aan toegevoegd en voilà! Nu pict, vlogt en tweet ongeveer iedere puber zich de dag door. Opdat er over je gesproken wordt, of om zelf te kunnen roddelen of kletsen. En omdat ‘schriftelijk’ roddelen raar aanvoelt, werden de emojis uitgevonden, die iedereen tegenwoordig door zijn elektronische communicatie strooit.

Al die online self-exposure lijkt leuk, aardig en meestal weinig wereldschokkend. Maar het is vooral ook een diep menselijke behoefte. En daardoor kan het link worden, of pijnlijk: cyberpesten, privé-foto’s en filmpjes die de hele wereld over gaan, sexting, afpersing, enzovoorts. Dat zijn taaie problemen. Twee harde lessen die we als overheid hebben geleerd: gedragsverandering kun je niet afdwingen. Mensen blijven slordig met wachtwoorden, met wat ze posten en met wie ze hun data delen.

En digitale kwaadwillenden (van pestende pubers tot serieuze criminelen) zijn heel lastig op te sporen en te vervolgen, onder meer omdat ze anoniem kunnen blijven of heel ver weg zitten. Dus proberen we niet alleen de daders aan te pakken, maar ook de potentiële slachtoffers weerbaar te maken. Met campagnes en voorlichting maken we mensen bewuster. Spotjes op tv, lespakketten, websites, advertentiecampagnes enzovoorts. Dat helpt, maar het is helaas maar een deel van de problemenverzameling die digitale privacy heet.

Ik denk dat het onder meer zo’n taai probleem is, omdat mensen onderschatten hoe snel digitale vernieuwingen gaan, niet snappen hoe veranderlijk de digitale wereld is of gewoon niet meer kunnen volgen wat er aan de achterkant van hun apps gebeurt. Je merkt nauwelijks dat je privégegevens weggeeft, want je bent niet direct iets kwijt. Het gaat sneller dan je zelf bedenken kan. Of makkelijker, zeker als het gratis is. Plots deel je je gegevens met de halve wereld, zonder die te kennen. Misschien dat een beter begrip van dergelijke mechanismen mensen helpt bewuster met data en digitale diensten om te gaan? Of dat het helpt voorkomen dat de digitale omgeving voor nare verrassingen zorgt? Je maakt me nieuwsgierig met wat je vertelt over SETUP en over de inzet van humor om data-vraagstukken inzichtelijk te maken voor een breder publiek. Zou dat kunnen helpen?

We zijn nu bezig met het invoeren van van de algemene verordening gegevensbescherming van de Europese Commissie, die ingaat op 25 mei 2018. Met die AVG wordt het huidige EU kader uit de vorige eeuw gemoderniseerd en geschikter gemaakt voor het digitale domein.

Data-verwerkende bedrijven (zeg maar: zo goed als alle bedrijven) moeten een heldere privacyverklaring hebben, duidelijk maken wat ze doen met je data en niet meer data van je vragen dan nodig is voor hun diensten. Bedrijven moeten verantwoording afleggen over hun omgang met data (en daar dus data over bijhouden) en iedereen moet zijn eigen data makkelijk mee kunnen nemen naar een ander bedrijf.

De overheid (vooral de Autoriteit Persoonsgegevens) krijgt een zwaardere toezichthoudende taak. Al met al een majeure operatie, zoals we dat hier in Den Haag zeggen. Als die operatie achter de rug is, hebben we een stevige lijn uitgezet voor het gebruik van persoonsgebonden data, inclusief het doorverkopen daarvan. Maar ik zei het al: het gaat ook om gewoonten en gedrag. Met regels alleen komen we er niet. Want het achterliggende probleem is natuurlijk dat veel er zelf mee instemmen dat hun gegevens in handen van derden komen, bijvoorbeeld door gebruiksvoorwaarden te accepteren en daar verder niet bij na te denken.

Kortom: wetgeving is belangrijk, maar er meer is nodig. Bewuste burgers, ethisch handelende bedrijven, en economische prikkels om op zoek te gaan naar privacy-vriendelijke oplossingen. Bedrijven zitten in een overgangsfase. Ze zien privacyvriendelijk ondernemen steeds minder als iets dat moet, en vaker als iets waarmee je je kunt onderscheiden.

Over jouw sollicitatie in 2023 gesproken: in Amerika is al een bedrijf actief dat aanvragen van leningen beoordeelt met kunstmatige intelligentie en zelflerende machines. Ze verwerken 70.000 signalen per aanvraag (je leest het goed), waaronder de datum waarop je laatste bankrekening is aangevraagd en het taalgebruik in je Facebook updates. Kortom: it’s there and it’s alive. Dit vraagstuk reikt veel verder dan privacy en roept voor de overheid nieuwe vragen op.

Algoritmen beslissen straks over jouw geschiktheid voor een baan of een hypotheek, maar ook over de behandeling van je ziekte. Die beslissingen zijn beter (in theorie dan), maar het voelt niet goed. Want je neemt ze niet zelf. Je ziet ze niet. Dus liggen onzekerheid en wantrouwen op de loer. In de praktijk loopt het in Nederland zo’n vaart niet, overigens: zo is het uitsluiten van verzekerden op grond van data niet toegestaan en ook niet aan de orde.

Over het overschrijden van mijn privacygrens moest ik even nadenken. Ik had zin om te schrijven: ik leid zo’n braaf leven en doe zo weinig met sociale media dat ik daar weinig last van heb. Maar jij doelt op iets anders, iets dat klinkt als aantasting van je autonomie en je recht op zelfbeschikking. Of zie ik dat verkeerd?

De juristen Moerel en Prins zeggen in ‘Privacy voor de homo digitalis’ dat privacy ‘een voorportaal is voor andere fundamentele rechten en vrijheden van het individu die gezamenlijk weer instrumenteel zijn voor het goed functioneren van onze democratische rechtsstaat.’ Bedoel je zoiets? Hoe dan ook: daar kom ik op terug.

Het verrast me wel als jij zegt dat jouw privacy-grens constant wordt overschreden. Ik lees links en rechts dat jongeren privacy-bewuster zijn, maar er ook meer ontspannen mee omgaan. Ben jij een uitzondering of hebben de rapporten het mis? Ik hoor het graag.

Tot snel!

Sandor


Privacy biedt ruimte om anders te denken, iets dat essentieel is als je écht wilt innoveren, en niet alleen Silicon Valley’s ‘hoe meer data, hoe beter’-model wilt kopiëren.
Tijmen Schep


Tijmen Schep - Brief 2

Hey Sandor,

Ik ben het helemaal met je eens: we zijn talige, sociale wezens die de wereld begrijpen door er verhalen over te vertellen. Wat is er mooier dan een sappig verhaal? Als er binnen mijn vriendengroep weer eens schromelijk werd overdreven over avonturen in de liefde, werd er altijd geroepen ‘mooiste verhaal telt!’.

Ik denk dat de positie van jongeren een moeilijke is. Zij zitten vooraan in de golf van technologiegebruik, maar hebben tegelijkertijd weinig anders dan ‘streetsmarts’ (zoals Danah Boyd uitlegt) om er mee om te gaan. De echte issues rondom dataverzameling en het verlies van vrijheden, die doorzien ze niet. Maar ze voelen wel allemaal de druk om erbij te horen.

Ik denk dat we inderdaad nieuwe woorden nodig hebben om de schaduwkant van al dat geklets te begrijpen. Met name door die opkomende sociale druk ontstonden op het schoolplein termen als ‘normcore’ en ‘basic bitch’. Allebei beschrijven ze de trend om je zo normaal en onopvallend mogelijk te kleden.

In één van zijn laatste publieke lezingen stelde filosoof Zygmunt Bauman: ‘Fear of exclusion is the dominant fear of our time. We are not rebelling against the overbearing state, we are rebelling today against being ignored, against being neglected, against being unseen’. Filosofen als Bauman, maar ook Foucault en Deleuze, beschreven hoe de angst om er niet bij te horen, om niet normaal te zijn, één van de sterkste menselijke drijfveren is.

De gigantische kracht ervan werd mooi blootgelegd door enkele VPRO filmmakers, die drie weken lang hun hele leven online wilden streamen. Ze stopten vroegtijdig met het onderzoek: de psychologische druk van het ‘de hele tijd de beste versie van jezelf moeten zijn’ werd te groot.

Tegelijkertijd probeert China die kracht bewust in te zetten. Waarschijnlijk heb je al gehoord van het ‘social credit’ systeem, dat alle Chinese burgers vanaf 2020 een ‘braafheidsscore’ zal geven. Als je een lage score hebt omdat je te Westers denkt of consumeert, dan kun je binnenkort een overheidsbaan, lening of visum wel vergeten.

Diezelfde effecten zie ik ook in het Westen ontstaan, maar bij ons ontstaan ze als bijwerking van de markt. We doorzien dat niet, verblind als we zijn door de ‘mooie verhalen’ uit Silicon Valley. Ik voorzie dat ze ook hier tot zeer sterke sterke chilling effects op de maatschappij kunnen leiden. Ik heb er een term voor bedacht: social cooling – de data-versie van global warming.

Misschien herken je dit: je zit op Facebook en je komt een linkje tegen, maar je twijfelt of je erop zult klikken, omdat je denkt: ‘Dat bezoek wordt vast geregistreerd, en dat zou er later wel eens gek uit kunnen zien’. Wanneer ik op conferenties spreek herkent intussen zo’n tweederde van de mensen dit voorbeeld. Onderzoek wijst op de opkomst van zelfcensuur.

Zo werden Wikipedia-pagina’s over terrorisme minder vaak bezocht na de onthullingen van Edward Snowden. Mensen waren bang dat de NSA hun bezoek zou registreren. Vorige maand zagen we hoe Donald Trump de data opeiste van mensen die tegen zijn beleid hadden geprotesteerd. Zou je dan nog even op je gemak gaan demonstreren?

Leven in een reputatie-economie heeft niet alleen gevolgen voor onze democratische processen, maar ook een serieuze impact op ons innovatie vermogen. Het stimuleert naast zelfcensuur ook een cultuur van risicomijding. Een voorbeeld: toen chirurgen in New York scores kregen voor hun werk, kregen artsen die het risico namen om moeilijke operaties uit te voeren lagere scores – er overleden namelijk meer mensen onder hun mes.

De artsen die geen poot uitstaken hadden hoge scores, ook al werden de levens van hun patiënten geen van allen verlengd. De artsen die wel het risico durfden te nemen, voelden druk om ‘gemiddeld’ te presteren. Wat het effect van dergelijke systemen is op ondernemerschap en innovatie laat zich raden. Dat is voor mij de paradox: op de lange termijn vermindert de creatieve industrie ons creatief vermogen.

Zo kom ik terug bij je analyse dat ik privacy en autonomie als één ding zie. Dat klopt. Ik zie die dingen als fundamenteel met elkaar verbonden. In een sociale wereld is privacy het recht je aan sociale druk en conformisme te onttrekken, je eigen ideeën te vormen, en aan mainstream en populisme te ontsnappen.

In een wereld waarin de druk om perfect te zijn toeneemt, beschrijf ik privacy als het recht om imperfect te zijn. En daarmee eigenlijk het recht om mens te zijn. Privacy biedt ruimte om anders te denken, iets dat essentieel is als je écht wilt innoveren, en niet alleen Silicon Valley’s ‘hoe meer data, hoe beter’-model wilt kopiëren.

Nieuwe begrippen als social cooling helpen dat inzicht hopelijk te verspreiden. Maar ook nieuwe wetten helpen enorm. De GDPR is wat dat betreft een verademing, omdat die de deur open zet voor de zoektocht naar ethische businessmodellen.

Tot slot denk ik dat we goede voorbeelden nodig hebben die de problemen tastbaar en inzichtelijk maken. SETUP ontwikkelt inderdaad humoristische voorbeelden voor een breed publiek. Zo stond er vorig jaar op de Dutch Design Week een koffiezetapparaat, dat je goede of slechte koffie gaf op basis van je postcode. Hoe lager de ‘statusscore’ van de wijk waarin je woont, hoe wateriger de bak. Het maakte tastbaar dat data steeds concretere gevolgen gaan krijgen in je leven.

Ik denk al met al dat ik geen uitzondering ben, maar gewoon iets voorloop omdat ik de werking en invloed van de data-industrie wat beter doorzie dan de gemiddelde Nederlander. Gelukkig zie ik steeds meer kritische vragen bij het brede publiek ontstaan, zoals nu met de roep om een referendum over de sleepwet.

Ik denk dat we de schaduwkanten van data eerder kunnen herkennen, en hoop er met mijn werk voor te zorgen dat we ‘boem is ho’-beleid kunnen voorkomen. Ik wil daarom eindigen met deze vraag: wat is er volgens jou nodig om in een vroeger stadium het kind en het badwater van elkaar te kunnen onderscheiden?

Zwaai,

Hotelcake junkie

PS: ik heb dat Amerikaanse bedrijf met zijn 70.000 signalen toegevoegd aan creepycompanies.com, een website die ik vorig weekend lanceerde om – wederom – het bredere publiek voorbeelden te bieden van deze schaduwkant van data. Dank voor de tip 🙂


Sandor Gaastra - Brief 3

Hallo Tijmen,

Dank voor je brief. Echt. Ik vind dat je werkelijk prachtig uiteenzet waarom privacy belangrijk is. Niet alleen vanwege de last die je er mee kunt krijgen, maar omdat je het nodig hebt om jezelf te zijn, om te voorkomen dat je alleen nog wordt bepaald door wat de buitenwereld, al dan niet voorgeprogrammeerd, van je vindt. Ik moest denken aan ‘De cirkel’ van Dave Eggers. Het meest onheilspellende van dat boek vond ik nog dat big brother daar binnensluipt in een wolk van goede bedoelingen, warme gevoelens en nobele ideeën. Het resultaat daarvan is echter een benauwende wereld, waarin conformisme zaken als authenticiteit, creativiteit en innovatievermogen verdringt.

Ik begon te verlangen naar het rommelinterieur – met rendiergewei-lamp – van de ouders van hoofdpersoon Mae Holland. Hoewel ik toch echt meer van helderheid en strak design houd. Eggers beschrijft een wereld waarin social cooling een epidemie dreigt te worden, begrijp ik nu. Ik zie het maar als een teken van geestelijke gezondheid dat ik daar zo heftig op reageerde. Daar moesten we misschien bij een kop koffie eens over doorpraten (nadat ik de postcode van het Noordeinde heb ingetikt in je koffie-apparaat :-)).

Ook wat je over Silicon Valley zei zette mij aan het denken: Economische Zaken is het ministerie van het stimuleren van economische groei en innovatie, en van de bescherming van consumenten, inclusief hun privacy (en daarnaast van veel meer, van agro tot voedselveiligheid). Onze missie is om Nederland en de Nederlandersnog innovatiever en ondernemender te maken. En dat lijkt te lukken, gezien de bloeiende creatieve industrie, de groeiende startup-cultuur, de innovatieve financiële en technologiesector en de landbouw (we zijn wereldkampioen precisielandbouw, vertelde mijn collega van ‘agro’). Ook jij wijst erop dat alle digitalisering en datagedreven innovatie het ‘echte innovatievermogen’ juist beperkt. Dat lijkt me niet goed, niet voor de economie, maar ook niet voor de mensen zelf. Het lijkt me bovendien een ontwikkeling die maatschappelijke weerstanden oproept.

Ik las laatst toevallig een krantenstuk over norm core. Twee bijna identiek geklede meisjes waren stomverbaasd toen ze te horen kregen dat ze zich zo conformistisch kleedden. Ze hadden allebei zwart-witte sportschoenen aan, maar die van het ene meisje hadden ronde neuzen en dat zou de ander nou bij voorbeeld nooit dragen. Jongeren conformeren zich, maar blijven zichzelf toch volstrekt uniek en authentiek vinden. Misschien ontdekken jongeren in dat ene paar schoenen, als je het juist interpreteert, een hele microkosmos aan mogelijkheden. Misschien verplaats of muteert zelfexpressie zich alleen.

Je waarschuwt in je brief dat zich een reputatie- of censuureconomie aan het ontwikkelen is. Dat moet een mens al snel aan China denken, waar privacy niet, zoals in Westerse landen, in de grondwet is opgenomen. Voer voor nadenken: terwijl China sociale kredietpunten inzet om brave burgers te kweken, zetten wij vergelijkbare mechanismen (waaronder zelfregulering) in om providers die veel illegale content zoals kinderporno en haatzaaierij doorlaten tot beter gedrag te bewegen. Dat is veel efficiënter dan meer wetten en regels maken, die handhaving vereisen en mogelijk grote inspanningen voor , opsporing en vervolging. Het werkt alleen als de providers meewerken. Dat doen ze gelukkig.

En jij houdt de burger scherp met creepycompanies.com. Mooi! Overigens: er zijn genoeg mensen die denken dat zo’n AI-en big data-gedreven kredietbeoordelaar juist een voorbode is van een prachtige toekomst waarin kredieten goedkoper zijn (want lagere beoordelingskosten en grotere markt) en dus breder beschikbaar voor iedereen. Ik begrijp hun punt, maar het blijft creepy dat door derden verzamelde en gecombineerde data op die manier voor of tegen mij gebruikt kunnen worden.

Het kersverse regeerakkoord geeft aardig aan welke richting de regering op wil met zijn privacy beleid. Mensen moeten bij voorbeeld ook per gewone post met de overheid kunnen blijven communiceren. De overheid bewaakt de vertrouwelijkheid van haar burgergegevens: data in basisadministraties en andere privacygevoelige informatie wordt altijd versleuteld opgeslagen en de DigiD wordt veiliger gemaakt.

Mensen krijgen meer zelf de regie in handen over hun eigen persoonsgegevens. Zo kunnen ze maatschappelijk relevante instanties en organisaties aanwijzen waaraan automatisch een beperkt aantal persoonsgegevens mag worden verstrekt. Kortom: de overheid zoekt het evenwicht tussen privacy en gebruiksgemak als het gaat om de data die zij van haar burgers in beheer heeft.

Een andere afweging uit het regeerakkoord is nog veel gevoeliger. Namelijk terrorismebestrijding. Als het op straf of inperkingen van vrijheden aan komt moet “telkens kritisch afgewogen worden in welke mate de privacy en overige vrijheden worden ingeperkt”, zegt het regeerakkoord. Dat wordt spitsroeden lopen voor de komende jaren, denk ik. Die afwegingen moeten we maken veel in samenspraak met bedrijfsleven maken (niet alleen de ‘grote jongens en meisjes’, maar ook innovatieve startups met briljante ideeën).

Mensen die weten hoe je smartphones, slimme thermostaten, of discriminerende koffie-apparaten privacyproof krijgt. Al doende leren we die kind en badwaterles, al doende zwemmen we meer en betere baantjes. Al schuwen we zwaarder geschut niet. Als het nodig is regelen we de aansprakelijkheden, maken we ook nieuwe wettten of passen we ze aan, organiseren we dat ze worden gehandhaafd en dat eventuele sancties stevig genoeg zijn en worden uitgevoerd. Maar dat noemde ik al.

Ik heb zin om nog een heel verhaal te houden over de nieuwe Europese e-pricvacy-richtlijn, die samen met de door jou geprezen GDPR (in het Nederlands Algemene Verordening Gegevensbescherming of AVG) het privacy-beleidskader vormt voor elektronische communicatie. Dat doe ik niet. Je moet oppassen je medemens niet te overvoeren met beleidskaders, want dat is nog veel zwaardere kost dan zompige hotelcake. En we spreken elkaar misschien binnenkort in Eindhoven, in de Effenaar. Toch?

Ik kijk er naar uit. Groet!

Sandor

P.S.

Nog even over de paradox tussen het privacyverantwoord handelen van mensen en bedrijven en hoe dat innovatie en verandering in de weg lijkt te staan.

Zou je die tegenstelling ook met innovatieve technologie kunnen opheffen? Hoe zie jij dat? Of is dat ‘technology fix’-denken?


Tijmen Schep - Brief 3

Hallo Sandor,

Thanks man! Ik vind het ook fascinerend om de werking van de overheid beter te leren begrijpen. Zoals Bauman over mijn generatie schreef: ook ik heb veel vertrouwen in de overheid. Ik twijfel geen seconde aan de goede intenties. Kom maar op met die beleidskaders!

Ik denk dat het verhaal weer rond is door te kijken naar die ‘consent’ vraag. Onze samenleving rust op het idee dat we in staat zijn om de situatie te overzien, en dan een nuchtere afweging te maken. Wat de overheid in theorie zo bijzonder maakt, is dat je er over lange-termijnvragen mag nadenken, en dat je daar zoveel mogelijk stakeholders bij mag betrekken. Maar als ik eerlijk ben zie ik veel signalen dat overheden daar wat technologie betreft niet optimaal toe in staat zijn.

Een schrijver die me de laatste tijd fascineert is C.P. Snow. Hij schreef een berucht artikel over de ‘two cultures’. De meeste problemen in de maatschappij kunnen we niet goed overzien, stelt hij, omdat de beta-wetenschappen en de menswetenschappen zo uit elkaar zijn gegroeid. Dat is waar mijn vraag over het kind en het badwater vandaan kwam: toen ik studeerde viel het me op hoezeer in de menswetenschappen de problemen met technologie al lang werden doorzien, maar dat hun inzichten ook relatief weinig bereik hadden. Het “TEDx McOptimisme” gaat er bij iedereen in als cake, terwijl het verhaal van de menswetenschappen – het is complex en er zijn geen simpele oplossingen – meer als een wortel met hummus is. Ook lekker, maar niet zo smakelijk als hotelcake.

Beleidsmakers denken vaak dat ze meer over de werking van technologie moeten leren om het te kunnen doorzien. Dat is een optie, maar er is een alternatieve route. We kunnen ook beter worden in het begrijpen van menselijke verlangens en dromen, en zien hoe nieuwe technologieën altijd op die verlangens inspelen. Het handige van deze route is dat technologie snel verandert, maar dat die verlangens al eeuwen hartstikke stabiel zijn. Professor Rein de Wilde benoemde bijvoorbeeld de droom van ‘luilekkerland’ (zie het internet of things), en Imar de Vries benoemde de droom van ‘engelencommunicatie’: het verlangen om elkaar perfect te begrijpen, en zo misverstanden te voorkomen.

Etnograaf Grant McCracken beschrijft hoe we onze hoop op een betere wereld altijd ergens veiligstellen, ver buiten de rommelige realiteit van het hier en nu. We doen dat vooral in de toekomst – later wordt alles beter – en hij noemt dat de ‘verwachtingshorizon’. Heel kort door de bocht: in het verleden boden God (middeleeuwen), de politiek (verlichting) en (tot 2008) de ‘onzichtbare hand van de economie’ ons een plek waar we onze hoop durfden te stallen. Vandaag de dag lijkt het vooral technologie die ons die parkeerplek biedt.

Het lastige van mijn werk is dat ik aan iets heel dieps in mensen kom: hun hoop op een betere wereld. Technologie bekritiseren is lastig omdat we eigenlijk niet willen dat de sokkel wankelt – we willen graag blijven geloven in technologie. Ik zie bijvoorbeeld hoe ze buiten de rommelige mensenwereld wordt gehouden door haar voor te stellen als ‘neutraal’ (algoritmes) en als een soort onvermijdelijke natuurkracht die van buitenaf ‘impact op de maatschappij’ heeft.

Mijn punt is niet dat goede bedoelingen altijd klappen of dat hoop irreëel is, verre van. Mijn punt is dat goede bedoelingen moeten worden gecombineerd met nuchter lange-termijndenken. We moeten van ‘mooiste verhaal telt’ naar ‘meest holistische verhaal telt’. Misschien kunnen we het ‘duurzaam optimisme’ noemen. Het mooie is dat het niet alleen gezonder is, maar ook krachtiger. Ik kan de toekomst niet voorspellen, maar dankzij mijn mens-wetenschappelijke bagage kan ik je wel vertellen welke toekomstvoorspellingen stiekem vooral uitingen van ideologie zijn.

Neem bijvoorbeeld de blockchain. Dat is echt een technologie waarbij al mijn alarmbellen afgaan. Je hoort de technologen al denken: ‘Oh shit, het internet bleek een surveillance-machine. Maar versie 2.0, de blockchain, daarin wordt het beter, die is niet te corrumperen.’ Maar doordat er nog steeds te weinig kritisch besef is bouwen ze een technologie met alleen maar meer autoritair potentieel (uitleg hierover staat op technologiebeleid.nl, een site die ik heb gemaakt om beleidsmakers toegang te geven tot de beste inzichten uit de menswetenschappen).

En zo kom ik bij je vraag. Zouden we een markt kunnen maken voor producten die onze menselijke waardigheid respecteren? Jazeker. Maar om daar te komen zullen we die kloof tussen de ‘two cultures’ moeten overbruggen, en de menswetenschappers betrekken: ethici, etnografen, sociologen. Dan pas zal de startup-scene eindelijk volwassen worden in haar denken over de mens, en hopelijk ophouden met het rondzingen van simplistische verhalen, die immers vooral bedacht zijn om investeerders van hun geld te scheiden, en die soms een haast religieus tintje krijgen (singularity).

Ik zie de eerste plantjes al opkomen, en ook grote partijen als Apple – altijd al beter in het doorzien van onze verlangens – zien privacy nu als een feature. Ik hoop heel erg dat Economische Zaken deze markt gaat stimuleren. Ik zie zeker mogelijkheden, en denk dat er veel te leren is van de manier waarop biologisch eten een gigantische markt werd (daar weet je collega bij Agro meer over).

Ik twijfel er niet aan dat die markt er komt. Privacy (lees: autonomie) is ook zo’n een fundamenteel menselijk verlangen. De komende tien jaar gaan mensen doorkrijgen hoe hun data hun kansen verregaand beïnvloeden. Die data-gebaseerde krediet beoordelaar gaat ook mensen afwijzen op hun data, maar dat deel van het verhaal vertellen ze liever niet. We blijven Hollanders: pas wanneer we de nadelen van data in de portemonnee voelen stappen we over op de slimme thermostaat, stad, deurbel, messenger of browser waarbij ‘slim’ ook ethisch betekent.

De vraag die me rest is: gaat Nederland hierin voorop lopen?

Dat lijkt me voer voor bij de koffie in Eindhoven. Hopelijk is er ook cake 🙂

We blijven Hollanders: pas wanneer we de nadelen van data in de portemonnee voelen stappen we over op de slimme thermostaat, stad, deurbel, messenger of browser waarbij ‘slim’ ook ethisch betekent.
Tijmen Schep


Lieve CEO – Harrie van de Vlag & Paulien van Slingerland (TNO) en Linnet Taylor (Stichting Gr1p)

“Een sterkere emotionele verbinding betekent een hogere waarde, zowel voor bedrijven als consumenten.” [TNO]


In deze conversatie

Linnet Taylor schrijft voor Stichting Gr1p en is researcher op het gebied van informatierecht, datagedreven ontwikkeling en beleid. Linnet schrijft met Harrie van de Vlag en Paulien van Slingerland, beiden Data Science Consultants bij TNO.


Harrie van de Vlag & Paulien van Slingerland - Donderdag 28-09-2017 17:40

Beste Linnet,

We schrijven je om een nieuwe trend in de data-wetenschap te bespreken: “affective computing”.

Emoties en relaties zijn al langer belangrijk in onze economie. Mensen kopen geen kaartje voor een concert, maar voor een onvergetelijke avond met vrienden. Mensen zoeken niet naar een nieuwe baan, maar naar een positie in een organisatie met een missie die bij hun wereldbeeld en hun principes past.

Een sterkere emotionele verbinding betekent een hogere waarde, zowel voor bedrijven als consumenten. Daarom onderzoeken we bij TNO hoe affective states — emoties dus — kunnen worden geïnterpreteerd met gebruikmaking van wearables die kenmerken vastleggen als hartritme, hersenactiviteit (EEG), huidgeleiding (zweet), etcetera.

Uitgangspunt voor ons onderzoek was een vraag van Arnon Grunberg, die wel eens wilde weten hoe zijn lezers zich voelen tijdens het lezen van zijn boeken. Voor dat doel hebben we een onderzoek gehouden in een gecontroleerde omgeving met 200 vrijwillige deelnemers. Om deze technolgie het lab uit en het veld in te krijgen, werken TNO, Effenaar Smart Venue en sofware-ontwikkelaar Eagle Science samen aan nieuwe prototypes van toepassingen die zijn gebaseerd op emotiemetingen.

Het eerste prototype wordt gedemonstreerd tijdens de Dutch Design Week 2017 (21 tot 29 oktober). Samen met Studio Nick Verstand presenteren we daar het audiovisuele kunstwerk AURA, een installatie die emoties weergeeft als organische, pulserende lichtcomposities, die veranderen van vorm, kleur en intensiteit.

Uiteindelijk kan deze technologie bijvoorbeeld worden gebruikt voor de ontwikkeling van nieuwe vormen van marktonderzoek, die het bedrijven mogelijk maken om de emotionele ervaring van vrijwlllig deelnemende klanten te meten, zonder de ervaring zelf te verstoren. Dat laat zien welke delen van de klantbeleving als positief worden ervaren, en welke als vervelend. Door te handelen naar deze inzichten kunnen bedrijven een betere ervaring leveren, bijvoorbeeld tijdens het winkelen, bij een bezoek aan een festival of tijdens het volgen van een training in virtual reality.

Bij TNO weten we heel goed dat emoties nauw verbonden zijn aan de privésfeer van individuen. De vraag rijst dan ook of klanten moeten kiezen tussen hun privacy aan de ene kant en het gemak van op de persoon toegesneden diensten aan de andere kant. De komende nieuwe privacywetgeving (GDPR) benadrukt het belang van dit dilemma eveneens. Daarom onderzoekt TNO ook technologieën die het mogelijk maken data-analyses te delen zonder de onderliggende gevoelige gegevens te delen, bijvoorbeeld door die altijd versleuteld te houden. Vanuit een technisch oogpunt is dat dilemma op die manier opgelost, en zou er niet langer hoeven te worden gekozen tussen privacy en gemak.

Tegelijkertijd verwachten we dat dit alleen mogelijk wordt als mensen vinden dat ze zo’n systeem kunnen vertrouwen, en denken we dat er meer nodig is dan alleen een technische oplossing. Daarom zijn we benieuwd naar jouw kijk op de zaak. Wat is er nog meer nodig om dat vertrouwen te vestigen?

Vriendelijke groet,

Paulien van Slingerland and Harrie van de Vlag
TNO
Innovators in Data Science


Bij TNO weten we heel goed dat emoties nauw verbonden zijn aan de privésfeer van individuën. De vraag rijst dan ook of klanten moeten kiezen hun privacy aan de ene kant en het gemak van op de persoon toegesneden diensten aan de andere kant.
Harrie van de Vlag & Paulien van Slingerland


Linnet Taylor - Donderdag 28-09-2017 23:07

Dear Paulien and Harrie,

Ik heb de uitleg over jullie nieuwe project rond het meten van emotionele ervaringen met belangstelling gelezen. Het is spannend om deel te zijn van de geboorte van een nieuwe technologie, en het wonder van innovatie is duidelijk aanwezig in jullie AURA-project, dat gevoelde emoties in licht zal omzetten.

Dit leidt volgens mij tot nieuwe mogelijkheden om het proces van menselijke emoties te onderzoeken, vooral voor de quantified self-gemeenschap, die al druk bezig is zijn eigen beleving van de wereld te meten en te volgen.

Ik betwijfel echter of het volgen van veranderingen in iemands emotionele staat tijdens het consumeren van media, of tijdens wat dan ook, bij ‘klantbeleving’ hoort. Dit gaat niet slechts over voelen, maar over het verkennen van de grens tussen software en “wetware”-technologie die tot doel heeft het menselijk brein te verbinden en te verbeteren.

Het is interessant voor de bedrijven die er geld in steken, omdat het nieuwe ingangen biedt, niet tot ‘de klant’, maar tot mensen an sich, met al onze eigenaardigheden en heel onze lichamelijkheid. Die ingangen zijn niet per se nauwkeuriger dan wanneer je mensen gewoon vraagt wat ze denken, maar ze zullen naadloos en onopgemerkt in ons leven worden opgenomen, en deel gaan uitmaken van wie we zijn, niet van wat we doen.

Jullie vragen je af of klanten moeten kiezen tussen hun privacy aan de ene kant en het gemak van gepersonaliseerde diensten aan de andere kant. Ik denk dat die vraag de aandacht afleidt van een belangrijkere: kunnen we ons bestaan als klant scheiden van ons bestaan als burger, partner, werknemer, ouder? Onze emoties vormen een essentiële verbinding tussen onszelf en anderen, en wat we wel of niet laten zien bepaalt welke verhoudingen we kunnen aangaan, wie we kunnen zijn in verhouding tot onze maatschappelijke omgeving.

Het gekozen taalgebruik klopt hier misschien ook niet: jullie werken bij dit project alleen met vrijwilligers, maar staat het vast of alles wat ze blootgeven ook echt uit vrije wil wordt gedeeld? Jullie technologie heeft volgens proefpersonen een nauwkeurigheidgraad van 70 procent. Maar er is een diepgaand verschil van mening onder hersenspecialisten over wat we nou precies meten als we emoties bestuderen.

William James, een van de grondleggers van de psychologie, betoogde dat onze ervaring van emoties eigenlijk voortkomt uit hun lichamelijke uitdrukkingsvorm: we voelen ons verdrietig omdat we huilen en we zijn blij omdat we glimlachen, en niet andersom. Als dat waar is, zullen de sensors die jullie ontwikkelen meer toegang hebben tot het biologische aandeel in onze emoties dan wijzelf, en dat heeft gevolgen voor — onder meer — onze vrijheid om onze eigen identiteit te scheppen en onszelf te ervaren.

Dat doet me denken aan een project van Facebook waarover onlangs in de media nogat wat te doen was. Onderzoekers van het bedrijf proberen een spraak naar tekst-interface tussen brein en computer te ontwerpen, die het mogelijk moet maken dat mensen berichten op social media plaatsen, direct vanuit het spraakcentrum in hun hersens — wat dat ook moge betekenen, aangezien er geen wetenschappelijke consensus bestaat over de vraag of er wel zoiets bestaat als een ‘spraakcentrum’.

De onderzoeksleider van het bedrijf beweert dat deze techniek de privacy van mensen niet kan schenden, omdat er alleen maar woorden worden ontsleuteld die mensen toch al wilden delen door ze naar dat veronderstelde spraakcentrum te sturen. Interessant genoeg wil het bedrijf niet zeggen dat eenmaal vastgelegde gedachten van mensen niet zullen worden gebruikt voor het genereren van advertentie-inkomsten.

Jullie vragen wat er nodig is om vertrouwen in zo’n systeem te vestigen. Dat is een goede vraag, want als er vertrouwen nodig is, dan is het probleem niet opgelost. Dit is een van de ontelbare initiatieven waarin mensen wordt gevraagd commerciële partijen te vertrouwen, als die zeggen dat ze de macht die we ze over ons geven niet voor commerciële doelen zullen uitbuiten. Maar dat is de bestaansreden van tech- en mediabedrijven. Als het hun opdracht was onze autonomie en individualiteit te voeden, dan waren ze ouders, priesters of onderwijzers geweest.

De basisregel bij nieuwe technologieën is dat ze onderhevig zijn aan “function creep”: ze zullen worden gebruikt voor andere doelen dan hun makers voor ogen hadden of zich zelfs maar hadden kunnen voorstellen. Een systeem als dit kan allerlei gevoelige soorten informatie meten, bijvoorbeeld hoe kinderen reageren op advertenties, of hoe volwassenen seksueel opgewonden raken tijdens de consumptie van media.

Deze informatiebronnen zijn in potentie veel beter te vermarkten dan de uitkomsten van de soorten metingen waarvoor de technologie nu wordt ontworpen. Hoe wordt de grens tussen wat mogelijk wel of niet wordt gemeten vastgesteld en nageleefd, als een technologie als deze straks misschien wel standaard in elke entertainment-apparaat zit? En nu we ons niet alleen meer vermaken met tv en bioscoop, maar ook op onze telefoons, tablets en laptops, hoe moeten we dan beslissen wanneer we gevolgd en onderzocht willen worden?

Technologie die dingen in de gaten houdt produceert data, en het hoofdkenmerk van data is dat het met de tijd meer waard wordt. Het heeft de neiging zich te vermenigvuldigen, uit te lekken en bloot te leggen. Ik weet niet zeker of we commerciële partijen moeten vertrouwen als we hun handelingen niet kunnen toetsen, want vertrouwen zonder toetsing, dat is als religieus geloven.

Met vriendelijke groet,

Linnet Taylor
TILT (Tilburg Institute for Law, Technology and Society)


Harrie van de Vlag & Paulien van Slingerland - Donderdag 05-10-2017 14:45

Beste Linnet,

Dank je voor het delen van delen van je gedachten. De onderwerpen die je aansnijdt onderstrepen hoe belangrijk het is om te praten over de ethiek en de verwachtingen rond nieuwe technologie in het algemeen, en affective computing in het bijzonder.

Aan het eind van je brief schrijf je: ‘Als er vertrouwen nodig is, dan is het probleem niet opgelost’. Dat is waar in het geval dat het vertrouwen slechts is gebaseerd op een belofte door een bedrijf of een andere partij. Er zijn echter nog twee andere niveaus van vertrouwen die in de afweging mee moeten worden genomen: vertrouwen op grond van de wet en vertrouwen op grond van het technische ontwerp.

Om te beginnen met het vertrouwen op basis van de wet: het feit dat een nieuwe technologie nieuwe mogelijkheden opent, betekent nog niet dat de wet die toelaat. Het feit dat een potlood niet alleen kan worden gebruikt om te schrijven en tekenen, maar ook om iemand te vermoorden, betekent nog niet dat de wet het laatste toestaat.

Hetzelfde geldt voor affective computing. Hoewel de mogelijkheden van affective computing en andere vormen van data-analyse snel groeien — en jouw voorbeelden illustreren dat — worden mogelijke daadwerkelijke toepassingen van deze technologie in toenemende mate ingeperkt door de wet. Zo treedt volgend jaar inderdaad nieuwe privacywetgeving (GDPR) in werking. Europa is hierin aanmerkelijk strenger dan Amerika (waar bedrijven als Facebook zijn gevestigd).

Omdat TNO een Nederlandse partij is, mogen wij bijvoorbeeld tijdens de AURA-demonstraties geen data voor ons onderzoek verzamelen zonder expliciete toesteming van de vrijwillige deelnemers. Zij moeten daar een document voor tekenen. Bovendien moeten wij garanderen dat de dataverwerking afdoende is beveiligd. Voor bepaalde informatie, bijvoorbeeld over ras, gezondheid en religie gelden extra strenge regels.

Verder mogen we deze data voor geen enkel ander doel gebruiken dan het onderzoek in kwestie. De VPRO had bijvoorbeeld interesse in het publiceren van onze data. Echter, los van het feit dat we de privacy van onze deelnemers uitermate serieus nemen, staat de wet ons simpelweg niet toe dat te doen. TNO zal de data dan ook niet delen met de VPRO of welke andere partij dan ook.

Alles bij elkaar gelden er wettelijke beperkingen voor zowel toepassingen van affective computing als voor systemen die analyses delen zonder de data te openbaren. We ontwikkelen die tweede categorie juist om praktische implementatie van de wet mogelijk te maken, omdat deze systemen worden ontworpen om technisch te garanderen dat commerciële bedrijven (of wie dan ook) niets nieuws over individuele deelnemers te weten kunnen komen.

Dat is vertrouwen op grond van het technische ontwerp, een nieuw concept dat geen belofte of wet nodig heeft om te werken. Tegelijkertijd beseffen we dat dit voor veel mensen een nieuwe en onbekende manier van denken is. Daarom willen we graag weten wat er nodig is voor zo’n systeem als een accepabele oplossing wordt aanvaard.

Daarom willen we onze oorspronkelijke vraag graag alsvolgt opnieuw formuleren: onder welke omstandigheden zou jij mensen aanbevelen hun data ter beschikking te stellen aan zo’n systeem, met de technische garantie dat geen enkel bedrijf of andere partij de data daadwerkelijk kan inzien, zelfs als ze dat zouden willen?

Vriendelijke groet,

Paulien van Slingerland and Harrie van de Vlag
TNO
Innovators in Data Science


Kunnen we ons bestaan als klant scheiden van ons bestaan als burger, partner, werknemer, ouder? Onze emoties vormen een essentiële verbinding tussen onszelf en anderen. En wat we wel of niet laten zien bepaalt welke verhoudingen we kunnen aangaan, wie we kunnen zijn in verhouding tot onze maatschappelijke omgeving.
Linnet Taylor


Linnet Taylor - Zondag 08-10-2017 21:56

Beste Paulien en Harrie,

Dat is een bruikbaar antwoord van jullie. Het heeft me aan het denken gezet over wat we bedoelen als we praten over vertrouwen, en over hoe de betekenis van dat woord wordt opgerekt om te passen in zeer verschillende contexten en processen. Jullie vragen onder welke omstandigheden ik mensen zou aanbevelen hun data ter beschikking te stellen aan een systeem dat hun reactie op media-content aanvoelt, met de technische garantie dat geen enkel bedrijf of partij de data daadwerkelijk kan inzien, ook niet als ze dat zouden willen.

Dat is natuurlijk een lastige vraag. Mensen moeten vrij zijn om elke technologie te omarmen die ze nuttig, noodzakelijk, interessant of stimulerend vinden, en het ligt voor de hand dat ze dat allemaal van toepassing vinden op dit voel-systeem. Maar laten we hier eerlijk zijn — het is geen burgercollectief dat ons heeft gevraagd deze briefwisseling te schrijven.

We wisselen gedachten uit over de toekomstige aciviteiten van mediabedrijven, op verzoek van een mediabedrijf. Als deze technologie uitsluitend zou worden toegepast binnen een sterk begrensde context, waarbij de geproduceerde data op geen enkele manier zou kunnen worden gedeeld, verkocht of hergebruikt, dan weet ik niet of ons verzocht zou zijn deze conversatie te houden.

Ik denk dat ons gevraagd is om van gedachten te wisselen, omdat er enorme implicaties kleven aan een technologie die het bestuderen van emotionele processen bij mensen tot doel heeft. Deze technologie kan mediabedrijven in potentie helpen hun aanbod in persoonlijke ‘filterbubbels’ te gieten, net als bij onze tijdlijnen op de sociale media.

Die bubbels hebben hun eigen voordelen en problemen. Er zijn recent bijvoorbeeld veel analyses gemaakt van hoe populistische partijen die over de hele wereld macht hebben verworven enorm hebben geprofiteerd van digitale filterbubbels, waarin mensen toegang hebben tot gepersonaliseerde content die sterk in het verlengde van hun eigen opvattingen ligt.

Het is inderdaad belangrijk dat het zo’n systeem in overeenstemming met de wet wordt gebruikt. Maar wetten op gegevensbescherming zijn in dit geval een noodzakelijke, maar onvoldoende garantie tegen misbruik van data. De echte kwestie hier is omvang. De meeste mensen produceren vandaag de dag enorme hoeveelheden digitale data, op elk moment dat zij zich in de wereld begeven.

Deze data worden opgeslagen, bewaard, gebruikt en uiteindelijk geanonimiseerd. En dan is de gegevensbescherming niet langer van toepassing, want hoe kan privacy van toepassing zijn op geanonimiseerde data? Het systeem dat jullie ontwikkelen laat echter precies zien hoe. Het is een van de vele technologieën die profilering potentieel kunnen vergemakkelijken. Het zal aanbieders onze zwakke punten tonen, de kenmerken die het mogelijk maken ons te verkopen – en het kan dat zelfs als we het niet gebruiken.

Een voorbeeld: iemand kiest ervoor om zonder filterbubbel te leven, en weigert elke vorm van personalisatie. Maar alle andere data die ze in de loop van het alledaagse leven achterlaat genereert een zeer gedetailleerd commercieel profiel van haar, dat op de vrije markt verkrijgbaar is. De kenmerken die haar gevoelig maken voor sommige vormen van content en niet voor andere zijn waarneembaar: ze heeft kinderen, ze houdt van aardbeien, ze is slachtoffer van huiselijk geweld, ze wordt blij van kattenfoto’s. Een allegaartje van vele duizenden van zulke datapunten vormt ons digitale profiel.

Maar het gaat niet alleen om onze kenmerken, het gaat om die van de mensen om ons heen of van de mensen die op ons lijken. De kenmerkende eigenschappen van gebruikers van systemen als dat van jullie (waarbij de respons op content direct kan worden gemeten) kunnen worden vergeleken met de kenmerkende eigenschappen van niet-gebruikers. Als dat eenmaal gebeurt, wordt het mogelijk om af te leiden dat mijn hart sneller zal gaan slaan bij die ene film en niet bij een andere, dat ik ervoor zal kiezen om naar de content van die aanbieder te blijven kijken, dat mijn aandacht op die plaats en op dat moment te koop zal zijn.

Zo worden instemming en privacy zinloos als er eenmaal genoeg datapunten over ons allemaal bekend zijn. Nieuwe technologieën die precies de vinger weten te leggen op ons gedrag, onze gevoelens en onze zwakke plekken zijn niet waardevol voor direct gebruik, maar wel voor de langere termijn, als aanvulling op die stapel data over ons allemaal. En ze zijn vooral handig als het gaat om de mensen die niet voor personalisering kiezen, en die dus moeilijker vast te pinnen en te voorspellen zijn.

Daarom ben ik sceptisch over het opvoeren van ‘vertrouwen’ als iets dat kan worden gegenereerd door de verzekering dat individuele toepassingen van een bepaalde technologie voldoen aan de wet op de gegevensbescherming. Gegevensbescherming is directe familie van privacy, maar het is absoluut niet hetzelfde. Gegevens kunnen worden beschermd terwijl de privacy niet is gewaarborgd, en het is zeker mogelijk er op te vertrouwen dat onze data volgens de regels van de wet worden behandeld, maar tegelijkertijd vraagtekens te hebben bij het totale plaatje.

Dingen die volkomen toelaatbaar zijn volgens de wet op de gegevensbescherming, zijn vaak ook oneerlijk. Zoals verschillende mensen online verschillende prijzen laten betalen voor dezelfde goederen. Of het volgen van de activiteit van gebruikers op verschillende apparaten, om zo precies te weten te komen waardoor ze op advertenties reageren. Of het doorgeven van onze persoonlijke data door een bedrijf aan een oneindig aantal docherondernemingen. De wet is geen wondermiddel, en we kunnen er ook niet op rekenen dat de wet voorziet wat hierna komt.

Ik voer deze dingen niet op om te betogen dat jullie moeten stoppen met de ontwikkeling van affective computing voor commercieel gebruik. Ik gebruik ze om twee fundamentele werkelijkheden voor te spiegelen: ten eerste dat we niet meer in staan zijn om te overzien wat er op lange termijn voor ons allemaal gebeurt met de data die we achterlaten, en ten tweede dat in die context instemming geen betekenis meer heeft.

Nu ik deze twee problemen en hun relatie met jullie werk aan de kaak heb gesteld, kan ik een wedervraag stellen: kunnen wij, ontwikkelaars en gebruikers van technologieën voor data-analyse, gezamenlijk verder kijken dan het voldoen aan de wet, de vele mogelijke toekomsten van deze technologieën zien en manieren scheppen om die toekomsten vom te geven?

Vriendelijke groet,

Linnet Taylor
TILT (Tilburg Institute for Law, Technology and Society)

Lieve CEO – Geert-Jan Bogaerts (VPRO) en Tessel Renzenbrink (Gr1p)

“Technologie is altijd een uitdrukking van bepaalde normen en waarden. Het is daarom noodzakelijk dat wetenschappers en kunstenaars technologie kritisch bevragen.” [TR]


Geert-Jan Bogaerts is Hoofd VPRO Digitaal en in die hoedanigheid ook verantwoordelijk voor het VPRO Medialab en voor de digitale kanalen, innovatie en distributie strategie bij de VPRO.

Tessel Renzenbrink is schrijver en webredacteur en lid van het netwerk van Stichting Gr1p. Ze is geïnteresseerd in de impact van technologie op de samenleving, met een focus op informatietechnologie en de energietransitie.


Geert-Jan Bogaerts - Zondag 17-09-2017 11:59

Beste Tessel,

Het voelt bijna 19e-eeuws — als in een briefroman van Mary Shelley of Anne Brontë — om een correspondentie te starten met een volslagen vreemde, over een onderwerp dat ons beiden kennelijk na aan het hart ligt. Ik ben erg benieuwd naar de thema’s die je gaat aandragen, en ik kijk ernaar uit om daarover met je van gedachten te wisselen. Tegelijk heeft het natuurlijk iets vreemds: we schrijven naar elkaar, maar we weten ook dat onze briefwisseling publiek wordt en daardoor zet je al gauw — beter gezegd, zet ik al gauw — een beter beentje voor. Het is niet vrijblijvend, wil ik maar zeggen.

Maar hoe dan ook, het ligt in de bedoeling dat we deze briefwisseling van start laten gaan met een kort voorstelrondje. Mijn naam hoef ik niet te noemen, die ken je al, net als mijn functie — hoofd Digitaal bij de VPRO. Maar interessanter dan deze droge feiten is het denk ik om je te vertellen hoe ik mezelf zie, waarmee ik mezelf het meest identificeer. Ik bedoel, uiteraard ben ik zoon, vader, broer, echtgenoot, vriend, collega — dat zijn rollen waarmee we ons allemaal wel min of meer kunnen vereenzelvigen. Maar waarin ben ik anders, wat bepaalt mijn identiteit het meest?

Het eerste woord dat dan in mij opkomt: journalist. Ook al ben ik nu veel meer manager, strateeg en beleidsmaker, in alles wat ik doe adem ik nog steeds een journalistieke achtergrond. Die bepaalt de vragen die ik stel en de blik waarmee ik de wereld bezie en de oplossingen die ik aandraag voor problemen die ik tegenkom. Vijftien jaar redactiewerk, in eerste instantie als freelancer, later als schrijvend journalist bij de Volkskrant (redactie economie, een correspondentschap in Brussel) vormt je voor het leven. In die periode, we praten over eind jaren negentig, schreef ik over EU en NAVO en België vanuit standplaats Brussel, maar ben ik me in mijn vrije tijd gaan verdiepen in de online wereld. De strategische implicaties van alle technologische vooruitgang waren verre van duidelijk, maar dat het internet ons ambacht en de maatschappij grondig zou gaan veranderen, dat was al wel evident. Sinds 2003 houd ik me daar ook beroepsmatig mee bezig: eerst als chef online bij de Volkskrant, sinds 2010 als freelancer, adviseur en docent, en sinds 2014 in mijn huidige job.

Hoe ik nu naar technologische vooruitgang kijk? Niet alleen maar vanuit de strategische opdracht die ik in het kader van mijn baan heb. Maar juist ook vanuit het perspectief van de gevolgen die deze vooruitgang heeft voor onze cultuur, voor ons samenleven, onze economie, onze politiek, ons openbaar bestuur. Ik vind het bij uitstek ook een taak van de publieke omroep om deze gevolgen in beeld te brengen, om ontwikkelingen te duiden en vragen te stellen. Vanuit dat perspectief bezie ik ook ons project “We Know How You Feel”. Als onze gedachten en gevoelens op straat komen te liggen, wat is daarvan dan precies de betekenis? Hoe veranderen wij daardoor? Als individu, in onze relaties, en in onze maatschappelijke verhoudingen?

Ik hoop en verwacht dat dit project ons interessante nieuwe inzichten gaat opleveren.

Hartelijke groet,

GJ Bogaerts
hoofd digitaal VPRO


Als onze gedachten en gevoelens op straat komen te liggen, wat is daarvan dan precies de betekenis? Hoe veranderen wij daardoor?
Geert-Jan Bogaerts


Tessel Renzenbrink - Zondag 24-09-2017 23:55

Hoi Geert-Jan,

Ik moet bekennen dat ik begon als techno-optimist. Ik was er van overtuigd dat de bevrijdende mogelijkheden die informatie- en communicatietechnologie bood, ook daadwerkelijk zouden leiden tot de meest positieve uitkomst. Die mogelijkheden zitten hem vooral in de fundamentele verschuiving van centralisatie naar decentralisatie. Van een wereld die geregeerd wordt door een kleine groep mensen op machtige posities, naar één waarin iedereen een gelijke stem heeft. Die egalisering zou een eroderend effect hebben op de macht van institutionele bolwerken, zo was mijn overtuiging.

Neem de massamedia bijvoorbeeld. Nieuwsredacties van kranten en tv bepaalden zowel wat het nieuws was, als hoe dat werd geframed. De documentaire Page One vertelt hoe New York Times (NYT) aan autoriteit inboet in de tijd dat het internet als informatiebron belangrijker wordt dan de krant.

In de dagen van weleer bepaalde NYT de agenda. Wat in de krant stond, bepaalde het gesprek van de dag. Het wordt gebracht met trots en nostalgie naar betere tijden. De vraag of het wel wenselijk is dat een handvol redacteuren dag in dag uit het publieke debat bepalen, wordt niet gesteld.

Een ander voorbeeld van decentralisatie zijn cryptocurrencies als Bitcoin. Die maken monetaire transacties mogelijk zonder tussenkomst van een centrale autoriteit. Als dat voet aan de grond krijgt, zijn banken niet meer too big too fail. Ze zijn obsoleet.

Zoals bekend liep het anders. Het internet decentraliseerde niet de wereld, de wereld centraliseerde het internet. Nadat het web eenmaal populair was geworden, werd het al snel gedomineerd door commerciële partijen. Bijna tachtig procent van het webverkeer loopt via Google en Facebook. Googles algoritmes bepalen welke informatie bovenkomt als je zoekt op het internet. Facebook heeft zich tussen onze persoonlijke interactie met vrienden en familie gepositioneerd en dwingt ons volgens de FB-regels met elkaar te communiceren. Het doet er alles aan om ons zo lang mogelijk op het platform te houden zodat het onze tijd en aandacht kan verkopen aan adverteerders. En beide bedrijven verzamelen natuurlijk enorme hoeveelheden data over ons.

Inmiddels ben ik gaan inzien dat technologie ons niet noodzakelijkerwijs voorwaarts stuwt naar de meest positieve (of negatieve) uitkomst. Technologie is niet inherent goed of slecht of neutraal. Het is wat wij er van maken.

Het is om die reden dat ik betrokken ben bij het Gr1p netwerk. Stichting Gr1p wil mensen meer grip geven op hun digitale omgeving zodat ze bewust keuzes kunnen maken. Welke technologieën we inzetten en hoe, heeft impact op onze samenleving. Maar de technologische ontwikkelingen worden nu toch vooral gedreven door bedrijven. Binnen Gr1p en in mijn werk als schrijver, zet ik me daarom in voor een grotere betrokkenheid van burgers bij de digitalisering van de samenleving zodat we democratisch kunnen besluiten wat voor een toekomst we willen bouwen met technologie.

Ik ben het dan ook volledig met je eens dat hier een taak ligt voor de publieke omroep. En – specifieker ingaand op het onderwerp van onze briefwisseling – dat het nuttig is dat het VPRO Medialab zich verdiept in opkomende technologieën. Als publieke instelling kunnen jullie met een andere blik kijken dan bedrijven met een winstoogmerk. Mijn eerste vraag aan jou gaat dan ook over hoe jullie invulling aan die taak geven.

Als ik het goed begrepen heb, onderzoeken jullie elk jaar een technologie en de effecten daarvan op het mediaproces. Vorig jaar was dat virtual reality en dit jaar dus wearables. Specifiek richten jullie je op het meten van emoties met draagbare technologie en wat voor een rol dat zou kunnen spelen voor het maken en gebruiken van media.

Een concrete toepassing die wordt onderzocht, is de inzet van emotiedata door de omroepen om mensen een persoonlijke kijkervaring te bieden op basis van hun gemoedstoestand. Met wat voor doel onderzoeken jullie deze applicatie? Wat voor dienst zou jij jullie kijkers met wearables willen aanbieden?

In je brief schrijf je dat het project onderzoekt wat het betekent als onze gedachten en gevoelens op straat komen te liggen. Hoe geven jullie dat vraagstuk concreet vorm? Welke vragen worden gesteld en wat wordt gedaan om antwoorden te vinden? Wat zie jij als de onderscheidende rol van het Medialab in het bevragen van draagbare technologieën?

Met vriendelijke groeten,

Tessel Renzenbrink
Stichting Gr1p


Geert-Jan Bogaerts - Zaterdag 30-09-2017 21:04

Ha Tessel,

Ik ben niet alleen begonnen als een techno-optimist, ik ben het nog steeds. Alleen heb ik nooit geloofd dat technologische vooruitgang alleen een voldoende voorwaarde was voor menselijk geluk, collectief of individueel. Maar wel een noodzakelijke voorwaarde. Zonder technologische vooruitgang zouden we nog steeds onderworpen zijn aan de toevalligheden van de natuur. Maar het zijn de toepassingen uiteraard van die technologie die uiteindelijk de kwaliteit bepalen: positief of negatief. Dus het klopt, technologie is neutraal; het zijn de wetenschappers en de kunstenaars, de designers en de verhalenvertellers, die er uiteindelijk richting en betekenis aan kunnen geven. Zij stellen wat mij betreft een norm – en die norm hebben we weer nodig om te bepalen hoever we ervan afwijken. We kunnen ons kritisch verhouden tegenover de Googles en de Facebooks en de data-drijvers omdat er een heel andere groep mensen is die nadenkt over alternatieve vormen. Zij vormen de subcultuur van de technologische vooruitgang en houden nooit op om kritische vragen te stellen over de toepassingen – of die nou door winstbejag worden gedreven, of door een zucht naar macht en controle (de NSA’s van deze wereld).

Hoe dan ook, de publieke omroep vormt wat mij betreft zo lang mogelijk een veilige omgeving waarbinnen dit kritisch bevragen en vrije denken mogelijk is, waar de alternatieven mogen worden bedacht en waar mag worden geëxperimenteerd met nieuwe technologieën. Binnen de VPRO beschouwen we dat ook als een kerntaak. We doen dat zoveel mogelijk binnen onze programmering, maar op onze titels worden ook gewoon een aantal normen gelegd: we moeten een minimaal aantal kijkers, luisteraars, bezoekers hebben. En die producties mogen maximaal maar zoveel kosten. Het Medialab in Eindhoven hebben we opgezet als een echt vrije omgeving, waarin we proberen juist zoveel mogelijk los te komen van al die opgelegde normen. En het Medialab is dus continu op zoek, zoveel mogelijk gevoed door de kennis die binnen de VPRO maar ook in het brede netwerk van kunstenaars, wetenschappers, designers, auteurs, journalisten beschikbaar is, om relevante ontwikkelingen op te pikken, te bestuderen.

De innovatie binnen de publieke omroep is altijd gericht op media: zowel het maken ervan, als het consumeren. Ook daarom is het een kerntaak: we zien ons publiek bewegingen maken, weg van het zogeheten ‘lineaire’ kijken, en nieuwe platforms omarmen. Die moeten wij dus ook leren kennen. We moeten ermee kunnen omgaan, en kunnen beoordelen of zo’n nieuw platform, zo’n nieuwe technologie, wat voor ons kan zijn. En al doende, leren wij zo’n technologie kennen, en komen we er ook achter wat de positieve en mogelijk ook negatieve toepassingen ervan zijn.

Wij vermoeden dat, naarmate wearable technology populairder wordt, er ook invloed kan zijn op onze mediaconsumptie. We zien dat natuurlijk al bij uitstek in de mobiele apparaten die we bij ons dragen: onze mobiele telefoons, tablets en e-readers. Maar wearable technology ontwikkelt zich snel: van smart watches tot zweetbandjes en ondergoed dat onze hartslag, bloeddruk en lichaamstemperatuur in de gaten kan houden. Zelfs ons seksleven ontkomt er niet aan – bevrediging op afstand vereist geen hoogstandjes meer…

Wearables kunnen worden ingezet om media te maken en om media te gebruiken. We zullen er prachtige dingen mee kunnen creëren. Maar de keerzijde moeten we ook belichten. De grootste zorg die ik hierover heb, heeft betrekking op de data die met wearable technology worden verzameld en kunnen worden uitgewisseld. En dus is daar de inhoud van dit programma, voor een belangrijk deel, op gericht. Welke gegevens over onszelf geven wij prijs zonder dat we dat in de gaten hebben? En hoe kunnen we ons publiek daarvan bewust maken? Wat verraden mijn oogopslag, mijn houding, de manier waarop ik loop, aan de winkel waar ik mijn dagelijkse boodschappen doe? We weten dat er kledingwinkels zijn die al experimenteren met persoonsgerichte display-advertising, na een razendsnelle analyse van mijn persoonskenmerken.

‘We Know How You Feel’ beoogt om het publiek inzicht te geven in deze ontwikkelingen en processen. Vorig jaar deden we een soortgelijk project, ‘We are data’ geheten. De bijbehorende website, clickclickclick.click, werd bijna een miljoen keer aangeklikt. Het onderwerp leeft, dat is evident, het is urgent en het roept om kritische bevraging.

Ik bemerk veel overeenkomsten tussen de doelen die ik hierboven beschrijf, en jouw observaties over Gr1p. Mijn wedervraag is dan: wat is volgens jou de meest effectieve manier om die doelen te bereiken? Is bewustwording van het publiek genoeg? En hoe bereik je die bewustwording dan het beste?

Hartelijke groet,

GJ Bogaerts
hoofd digitaal VPRO


Wearables kunnen worden ingezet om media te maken en om media te gebruiken. We zullen er prachtige dingen mee kunnen creëren. Maar de keerzijde moeten we ook belichten.
Geert-Jan Bogaerts


Tessel Renzenbrink - Zondag 4-10-2017 22:08

Hoi Geert-Jan,

Technologie is noch goed, noch slecht daar zijn we het over eens. Maar anders dan jij, denk ik niet dat technologie neutraal is. Integendeel. Elk technologisch artefact is een uitdrukking van een set culturele waarden. Algoritmen bijvoorbeeld, kunnen de vooroordelen reproduceren die in een samenleving aanwezig zijn.

Om een voorbeeld te geven: sommige rechtbanken in de Verenigde Staten maken gebruik van algoritmen om de strafmaat van veroordeelden te bepalen. Op basis van data wordt het risico berekend dat iemand in de toekomst opnieuw een misdaad zal begaan. Is de score hoog, dan kan de rechter bepalen een hogere straf op te leggen. Uit onderzoek blijkt dat de algoritmen bevooroordeeld zijn: zwarte mensen krijgen vaker een hogere score dan witte mensen. Voormalig procureur-generaal Eric Holder die onder president Obama diende, sprak zich uit tegen zulk gebruik van algoritmen omdat: ‘Ze de onrechtvaardige ongelijkheid kunnen verergeren die al veel te vaak voorkomt in ons justitieel apparaat en in onze samenleving.’

Technologie is altijd een uitdrukking van bepaalde normen en waarden. Het is daarom noodzakelijk – zoals je zegt – dat wetenschappers en kunstenaars technologie kritisch bevragen om die impliciete waarden zichtbaar te maken en waar nodig aan de orde te stellen. Maar het is niet voldoende. Het is namelijk reactief.

Als je reageert nadat de technologie op de markt is gebracht, opereer je al binnen een bepaald paradigma. We zullen al eerder in het proces actief moeten zijn, als mensen, als samenleving, om te bepalen wat we willen met tech. Het maakt uit wat je bouwt. Dat je nadenkt over wat je wil bouwen nog voor je aan de slag gaat. En dat gaat over waarden. In laatste instantie gaat het niet om welke technologie je wil realiseren maar welke waarden je in technologie wil belichamen.

In die zin is het interessant dat Medialab met “We Know How You Feel” niet alleen kritisch vragen stelt over wearables maar er ook mee experimenteert samen met kunstenaar Nick Verstand en TNO. Hiermee eigent Medialab & co zich een scheppende rol toe en de mogelijkheid de waarden te bepalen.

De onderzoeksvraag die daarbij gesteld wordt, is: kunnen we ons media aanbod afstemmen op jouw gemoedstoestand op basis van emotie-data? Maar is dat een interessante vraag? Welke onderliggende waarden beaam je met zo’n doelstelling en welke laat je buiten beschouwing?

Ik snap hoe deze toepassing van emotie-data de omroepen kan dienen. Een gepersonaliseerd media aanbod zou er toe kunnen leiden dat mensen langer op het kanaal blijven hangen. Goed voor de kijkcijfers. Maar hoe wordt daarmee het publieke belang gediend?

Want de jacht op clicks en eyeballs waar veel media door bevangen zijn, vind ik geen doel op zich. Daarnaast doemt natuurlijk de geest van de filterbubbel levensgroot op. Personalisatie op basis van data – emotie of anderszins – leidt per definitie tot een media aanbod dat op jouw interesses en overtuigingen is afgestemd. Daarmee bevestigt en reproduceert het je wereldbeeld. Terwijl het me toch bij uitstek een taak van de publieke omroep lijkt om mensen ook bekend te maken met de leefwereld van andere groepen in de maatschappij.

In je brief vraag je of brede bewustwording genoeg is om de technologische ontwikkeling een kant op te duwen die het algemeen belang dient. Welnu, ik denk niet dat het genoeg is maar het is wel het begin. Het is onder druk van een collectieve overtuiging dat dingen veranderen.

Neem bijvoorbeeld een andere technologische revolutie die nu in volle gang is: de energietransitie. Door de decennia heen groeide het bewustzijn dat de economie, en met name de energievoorziening, moet verduurzamen. Door die bewustwording werd er op steeds meer domeinen actie ondernomen. Overheden kwamen met regelgeving en verdragen. Techneuten gingen innoveren. Er werd belastinggeld vrijgemaakt om die innovatie te bekostigen. Consumenten maakten andere afwegingen. Bedrijven gingen voor groen.

Op je vraag wat dan die beste manier is om bewustwording te bereiken, is mijn antwoord: alternatieven. Zonder alternatief is er geen handelsperspectief en dat leidt tot een zekere gelatenheid. Waarom zou je je druk maken om iets wat je toch niet kan veranderen? Pas toen er levensvatbare duurzame energietechnologieën beschikbaar kwamen, konden mensen hun zorgen omzetten in daden.

Maar die alternatieven zijn natuurlijk niet uit het niets ontstaan. Die zijn gepionierd door mensen en instellingen die naar andere oplossingen zochten, andere vragen stelden omdat ze andere waarden als vertrekpunt namen. Vandaar dus mijn vraag welke waarden aan de AURA kunstinstallatie ten grondslag liggen.

Vriendelijke groeten,

Tessel


Geert-Jan Bogaerts - Zondag 7-10-2017 18:11

Hi Tessel,

Laat ik beginnen met het beantwoorden van je vraag over de waarden die aan ons Medialab-project ten grondslag liggen. De waarde die ik het allerbelangrijkst vind, is inzicht. Je zou een reeks kunnen maken die begint met data, data leiden tot feiten, heb je feiten dan ben je geïnformeerd, en informatie kan op zijn beurt leiden tot begrip of inzicht. Geen van die stappen is vanzelfsprekend; je moet moeite doen om van data te komen tot feiten, en van feiten tot informatie, en van informatie tot inzicht. Met ons project “We Know How You Feel” beogen we uiteindelijk de vanzelfsprekendheid ter discussie te stellen waarmee door sommigen in de mediawereld wordt gedacht over het gebruik van algoritmes en data. Want als we die niet goed gebruiken, lopen we precies die risico’s die jij hieronder benoemt: dat van filter bubbles, van het uitbannen van verrassingen en serendipiteit, het gaan voor de grootste gemene deler in plaats van het opzoeken van de interessante niches waar mensen werkelijk wat nieuws kunnen leren.

Pas als we (als samenleving) echt begrip hebben van de manieren waarop data en algoritmes onze levens beïnvloeden — en dat in steeds grotere mate gaan doen naarmate onze omgeving meer door slimme machines wordt beheerst – kunnen we denken aan alternatieven. Ik prijs mij gelukkig te werken voor een omroep die oog heeft voor die alternatieven en daar regelmatig over bericht, met Tegenlicht als beste voorbeeld daarvan.

Aan elke technologische vernieuwing, aan elke uitvinding, ligt verbeelding ten grondslag. De Amerikaanse auteur Neal Stephenson is samen met de Universiteit van Arizona een interessant project gestart (“Project Hieroglyph”), dat science-fiction auteurs in contact brengt met wetenschappers. Het idee borduurt voort op een gedachte van Carl Sagan, die ooit zei dat de weg voor de meest baanbrekende wetenschap is geplaveid door science fiction – het is de kracht van de verbeelding die de wetenschap de weg wijst. Als we ons niet konden verbeelden dat de mensen niet meer hoefden te overlijden aan pokken of longontsteking, waren het pokkenvaccin en de antibiotica nooit uitgevonden. Arthur C. Clarke bedacht kort na de tweede wereldoorlog al dat wereldwijde communicatie een stuk eenvoudiger zou zijn als er satellieten gelanceerd konden worden die zich op een vaste plek boven de aarde zouden bevinden. Twintig jaar later, halverwege de jaren zestig, werd de eerste geostationaire satelliet gelanceerd, en nu kunnen we niet meer zonder.

Over de neutraliteit van technologie: ik ben het met je eens dat wij mensen technologie scheppen en dat doen vanuit onze eigen behoeften en vooroordelen. In die zin is technologie inderdaad niet neutraal. De nuance zit volgens mij in de observaties van Kevin Kelly: What Technology Wants. Kelly betoogt dat technologie een eigen evolutie kent, en onafhankelijk van de mens zijn eigen voortgang creëert. In dat opzicht trekt technologie zich niks aan van menselijke vooroordelen. Laten we deze gedachte concreet maken: Google kwam recent onder vuur te liggen, omdat een image search op ‘black people’ uiteindelijk ook foto’s toonde van gorilla’s. En even later bleek dat Google’s Adwords veel vaker advertenties voor hoog betaalde banen aan mannen toonde dan aan vrouwen. Dit zijn voorbeelden van hoe technologie niet neutraal werd ingezet. Maar onder deze voorbeelden ligt een instrumentenpaneel van statistische wiskunde, met veel aandacht voor regressie-analyses en standaard-deviaties, in de programmeertalen die Google gebruikt. Wetenschappers gebruikten dit instrumentenpaneel al lang, en het was een kwestie van tijd voordat software-ontwikkelaars het gingen ontdekken om de enorme hoeveelheid data die beschikbaar komen te analyseren. En die analyses staan vervolgens nieuwe toepassingen toe: Siri en Alexa worden slimmer en slimmer, maar tegelijkertijd zijn het nog steeds producten van menselijke verbeelding – en dus ook van menselijke vooroordelen.

Het grote gevaar in deze ontwikkeling schuilt naar mijn idee niet in deze observatie op zich – menselijke vooruitgang is alleen mogelijk omdat we idealen hebben die voortkomen uit onze eigen visie op de wereld. Het gevaar zit hem erin dat de middelen om deze vooruitgang te realiseren in de handen zijn van steeds minder mensen. Het zijn Facebook, Google, Apple, Amazon en Microsoft die onze nieuwe wereld aan het bouwen zijn. En het beangstigt mij dat dit bedrijven zijn die zich onttrekken aan enige vorm van democratische controle, en uiteindelijk maar op één ding worden afgerekend door hun aandeelhouders: de winst per aandeel. En ik ben eerlijk gezegd niet heel optimistisch dat er, zoals jij schrijft, een ‘collectieve overtuiging’ kan ontstaan die uiteindelijk de druk tot verandering teweeg brengt. Dat komt omdat dit wereldwijd opererende ondernemingen zijn, en er geen spoor van politieke wereldwijde consensus is over de juiste aanpak. De EU trekt zijn eigen plan, en introduceert een ‘right to be forgotten’ – en daarbinnen is Duitsland dan weer het enige land dat platforms aansprakelijk stelt voor het toelaten van ‘hate speech’. De politiek van de VS daarentegen is gericht op het instandhouden van de posities van deze ondernemingen en introduceert wetgeving die deze ondernemingen beschermt. En dan hebben we het nog niet eens over de inbreuken op het vrije internet door bijv. Rusland en China.

Maar, geheel in lijn met mijn techno-optimistische visie, denk ik ook dat de techniek uiteindelijk hiervoor een oplossing kan bieden — blockchain FTW!

GJ Bogaerts
hoofd digitaal VPRO


Tessel Renzenbrink - Zondag 4-10-2017 22:08

Hey Geert-Jan,

Je brief bevat drie elementen die ik lastig met elkaar kan rijmen. Technologie drukt altijd vooroordelen uit, zeg je, omdat het is ontsproten uit het nimmer waardevrije menselijk brein. Tot zo ver ben ik het met je eens: technologie is niet neutraal. Vervolgens zeg je dat het werkelijke gevaar er uit bestaat dat technologie wordt ontwikkeld door een kleine tech elite: de Amazons, de Facebooks. Deze bedrijven zijn niet onderhevig aan democratische controle en hun voornaamste sturingsmechanisme is winstbejag. Dat is inderdaad een angstaanjagend gegeven.

Maar tenslotte zeg je dat het allemaal wel goed komt omdat de techniek zelf – in de vorm van blockchain – voor een oplossing zal zorgen. Als een autonome kracht die – los van wat wij mensen doen – de monopolisten van hun troon zal stoten.

Die conclusie staat op gespannen voet met de eerste twee uitspraken. Immers, technologie is altijd een uitdrukking van menselijke waarden. Als technologische ontwikkeling in handen is van een kleine groep mensen, zal het de waarden van die groep distribueren en cultiveren. Daarmee neemt hun controle over het speelveld toe. Het technologische domein zal steeds homogener worden en een vorm aannemen die de belangen van die groep dient.

Toch vertrouw je er op dat blockchain technologie zich in die omgeving autonoom kan ontwikkelen en de machtspositie van de tech elite kan aantasten. Dat optimisme deel ik niet met je. Blockchain is, net als elke andere technologie, onderhevig aan de economische, politieke en maatschappelijke structuren waarin het wordt ontwikkeld. Waarom zou de dynamiek die er toe geleid heeft dat het internet is gemonopoliseerd door een paar bedrijven, blockchain ongemoeid laten?

In je laatste twee alinea’s zeg je weinig vertrouwen te hebben dat maatschappelijke druk tot verandering zal leiden. Die rol van change agent is volgens jou voorbehouden aan blockchain. Ik zie dat totaal anders en zal je een voorbeeld geven waarom.

Deze fascinerende grafiek toont het welvaartsniveau van de mensheid in de laatste tweeduizend jaar en wordt vaak aangehaald als het gaat over technologische vooruitgang.

© Our World in Data

Bron: Max Roser (2017) – ‘Economic Growth’. CC BY-SA licentie.
Our World in Data
© Our World in Data

De grafiek toont dat de welvaart door de eeuwen heen nauwelijks toeneemt. En dan, halverwege de 18eeeuw, schiet de groei opeens exponentieel omhoog. In hun boek The Second Machine Age identificeren Erik Brynjolfsson en Andrew McAfee de oorzaak van dit keerpunt in de geschiedenis. De knik van de hockeystick-curve valt samen met de uitvinding van de stoommachine: het begin van de eerste industriële revolutie.

Niet iedereen werd opgetild op de golven van de welvaartsgroei. Integendeel. De transitie van een agrarische naar een industriële samenleving ging gepaard met verschrikkelijke misstanden. Er was uitbuiting, kinderarbeid, arbeiders werkten 14 uur per dag en leefden in extreme armoede. Pas toen onze voorouders en masse betere leefomstandigheden opeisten, kwam daar verandering in. Maatschappelijke betrokkenheid bij technologische ontwikkeling is daarom wel degelijk van belang. De stoommachine zorgde voor exponentiële welvaartsgroei maar wat er vervolgens met die welvaart gebeurd, ligt niet besloten in de stoommachine. Daar beslissen wij mensen over.

Na staan we aan de vooravond van de derde industriële revolutie, Industrie 4.0 of het tweede machinetijdperk. Hoe je het ook wilt noemen, we moeten er voor zorgen dat de geschiedenis zich niet herhaalt. Dat we de technologische revolutie deze keer op zo’n wijze sturen, dat het iedereen ten goede komt.

Ik geloof niet dat blockchain dat op een of andere miraculeuze wijze voor ons gaat bewerkstelligen. Dat zullen we zelf moeten afdwingen. Want dat is het gevaar van techno-optimisme: het geloof dat technologie als vanzelf tot de meest positieve uitkomst leidt en wij daarom geen verantwoordelijkheid hoeven te nemen.

Vriendelijke groeten,
Tessel


Geert-Jan Bogaerts - Maandag 16-10-2017 15:43

Hi Tessel,

Ik begrijp dat dit mijn laatste woord is – kort dan, en ik zie uit naar het vervolg van onze correspondentie op de Eindhovense avond!

Techno-optimisme ontslaat ons niet van de plicht tot handelen en kritisch bevragen! Dus ook al denk ik dat techniek zowel de oorzaak als de oplossing van veel van onze problemen is, denk ik toch dat partijen als Gr1p en de VPRO ervoor moeten zorgen dat we die techniek kritisch blijven bevragen.

Groet,

GJ Bogaerts


Tessel Renzenbrink - Maandag 16-10-2017 17:01

Hoi Geert-Jan,

Dank je voor de levendige briefwisseling. Het was interessant om met je van
gedachten te wisselen. Leuk om verder te praten op de 25ste!

Vriendelijke groeten,
Tessel


De politiek van luchtkwaliteit: interview Joost Wesseling, RIVM

Joost Wesseling met sensor kit

Joost Wesseling is een gepromoveerd kernfysicus, die in de luchtkwaliteit is beland. “In de natuurkunde heb je maar een handjevol echte basisvergelijkingen. En als je die ooit een keertje hebt leren oplossen, dan maakt het niet zoveel uit of je een kerncentrale, een atoomkern, een stoom-watersysteem of luchtkwaliteit doorrekent,” legt hij uit. Sinds 11 jaar werkt hij voor het centrum milieukwaliteit van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Bilthoven. Het RIVM houdt zich onder meer bezig met het genereren van modellen die luchtkwaliteit berekenen, waarbij meetstations deze modellen ijken. Wesseling werkt daarnaast ook veel met burgers die zelf aan de slag willen met het meten van luchtkwaliteit.

Waarom burgers meten

Wat is de motivatie van mensen om zelf luchtkwaliteit te meten?

 Milieudefensie is op een gegeven moment begonnen om burgers te betrekken bij het meten met Palmes buisjes. Dat was in een periode dat er heel veel discussie was over de kwaliteit van rekenmodellen die wij op onze afdeling in beheer hebben. Tegenwoordig kom je heel zelden nog tegen dat mensen zelf meten omdat ze niet geloven wat wij uitrekenen. Veel vaker is het: “ja, geweldig die metingen, ik geloof het best wel, maar het dichtstbijzijnde station is tien kilometer die kant op en ik wil weten hoe het in mijn achtertuin of op de school van mijn kinderen zit.” Ik heb ook een achtertuin vol met sensoren hangen. Niet omdat ik niet geloof wat ik zelf uitreken. Het is gewoon leuk om het zelf te doen. Je hebt mensen die meten het weer, je hebt mensen die meten straling, je hebt mensen die meten ultraviolet en je hebt mensen die meten luchtkwaliteit. En dat wil niet zeggen dat ze daarmee het systeem allemaal per definitie wantrouwen.

Hoe zit het met de betrouwbaarheid van de data die burgers genereren met hun luchtkwaliteitsmetingen?

Als je het hebt over Palmes-buisjes voor stikstofdioxide, die hebben een onzekerheid in de orde van 20-25%. Dat betekent dat ze niet goed genoeg zijn voor gebruik in officiële metingen, die onzekerheid mag niet hoger zijn dan 15%. De onzekerheid van onze eigen stikstofdioxide metingen, is 8%. Maar er wordt steeds meer getest met digitale sensoren. Wij zetten ons ervoor in om die metingen steeds beter te maken. We hebben vorig jaar een symposium georganiseerd: Samen meten aan Luchtkwaliteit heette dat. Daarin hebben we een lijn uitgezet waarin we burgers en andere overheden willen faciliteren om beter te meten.

Wat houdt dat beter meten in?

Onder meer het meten op de langere termijn en het kalibreren van hun technologieën aan onze stations: we hebben een aantal van onze meetpunten zo uitgerust dat andere partijen daar hun sensoren bij kunnen zetten. We helpen ook met data-opslag en data-analyse. Dat is allemaal gericht op de vraag hoe je de kwaliteit van die metingen naar een hoger plan kunt tillen.

Rijden jullie daar jezelf niet mee in de wielen? Maken die goedkope, vrijwillige metingen jullie werk niet overbodig? 

Nou, onze Directeur Generaal wil dat we nog meer dan dat we al deden de discussie met burgers aangaan. En je ontkomt er ook niet aan: alle vragen op milieugebied en luchtkwaliteit gebied komen uiteindelijk bij het RIVM. En er komen nou eenmaal heel veel vragen daarover op in de samenleving. Zoals Milieudefensie dat als eerste deed, met data naar een nationale of lokale overheid gaan en zeggen: “Wij hebben dit gemeten, het klopt niet met wat jullie doen.” Wij zijn toen al voor burgermetingen gaan samenwerken met Milieudefensie, omdat we vertrouwen hadden in onze rekenmodellen. We ijkten hun Palmes-buisjes en we gebruikten hun metingen om de juistheid van onze rekenmodellen aan te tonen, en om die hier en daar aan te passen waar nodig.

Aan de muur op het RIVM: het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit

Een aantal jaar geleden hebben we met z’n allen binnen het milieusegment bedacht om nog meer in dat proces van betrokkenheid door burgers mee te gaan. En als we daarmee helpen om de metingen beter te maken, kan het zijn dat blijkt dat ons model misschien op punten bijgepast moet worden. Dat is inherent aan modellen, dat zien we niet zozeer als een bedreiging. En als je het niet als bedreiging ziet wordt het ook een stuk makkelijker om mee te gaan.

Is het officiële meetnet overbodig?

Ik begreep ook dat het RIVM de opdracht heeft gekregen om het meetnet goedkoper te maken en dat citizen science daarbij een rol gaan spelen?

De laatste paar jaren speelt inderdaad een discussie over kosten: zo’n meetpunt kost tot ongeveer honderdduizend euro plus nog enkele tienduizenden euro’s per jaar aan onderhoud en voor het vervangen van de apparatuur. Dus we hebben de discussie of we wel al die, pak ‘m beet, tachtig meetpunten van het RIVM en anderen in Nederland in stand moeten houden. En ze zijn ook niet meer voor alle stoffen in deze aantallen echt nodig: er zijn Europese regelingen die zeggen dat je vooral verplicht bent om te meten bij hoge concentraties vervuiling. Nou, de concentraties nemen af, dus je kunt gaan bedenken: oké, misschien heb ik ze niet allemaal meer nodig. Luchtkwaliteit is voor sommige stoffen echt heel erg veel beter geworden de laatste tien jaar.

Maar we begrepen ook van Bert Brunekreef dat er nog steeds vrij veel onbekend is op het gebied van luchtvervuiling. Bijvoorbeeld als het gaat om ultrafijn stof.

Ja, maar ultrafijn stof wordt niet overal in hele grote hoeveelheden gevonden, dat is vooral een Schiphol discussie op het moment, en een beetje chemische industrie. Bovendien is ultrafijn stof niet gereglementeerd vanuit Europa. Je hoeft het niet te meten. Meetverplichtingen hebben alleen betrekking op stikstofdioxide, stikstofoxide, fijn stof, twee soorten ozon, benzeen, en nog wat andere, in totaal een stuk of twintig stoffen. En voor de meeste van die stoffen zitten we steeds lager in concentratie.

Maar dan zou het meten dus eigenlijk helemaal niet nodig zijn, ook niet door burgers?

Nou, we doen nog wel wat meer dan alleen voldoen aan de Europese regels: we maken bijvoorbeeld ook kaarten voor de luchtkwaliteit in heel Nederland. Zowel jaarlijkse kaarten met heel veel detail, maar ook uurlijkse kaarten. En om die kaarten beter te maken, ze te ijken, gebruiken we meetdata. Dus als je zomaar een aantal stations zou sluiten, kan dat misschien volgens de strikte interpretatie, maar dat betekent wel dat je kaart en andere gegevens minder uitgebreid geijkt kan worden. Dus we zien nu wel ontwikkelingen om andersoortige data te gebruiken voor onze milieurapportage en bijbehorende kaarten, zoals metingen van andere dan referentieapparatuur.

Luchtkwaliteit meet-installatie in het RIVM sensor lab

Stipjes op de kaart

Dat gaat dus over data die door burgers wordt aangeleverd?

Ja. Onze kaarten worden nu gevoed door alle meetdata van onszelf, DCMR [de milieudienst van en voor de Rijnmondgemeenten en de provincie Zuid-Holland, DZ], GGD Amsterdam en de provincie Limburg. Alle officiële metingen zitten daarin. Maar we kunnen daar zonder teveel problemen ook metingen van anderen instoppen en daarmee de kaart nog gedetailleerder maken.

Maar dan krijg je dus allerlei data door elkaar waarvan sommige stipjes op de kaart betrouwbaar en geijkt zijn, en anderen minder betrouwbaar?

Nou, we willen wel dat het goede data is. Dat is ook als het ware de worst die we anderen voorhouden: als iemand de moeite doet om een goede meting te verkrijgen, dan krijgt die daar als beloning stipjes op de kaart voor terug die van henzelf zijn, waarmee die kaart in hun gebied gedetailleerder wordt. We willen uiteindelijk een soort van kwaliteitskeurmerk geven. We zitten er ook aan te denken om op een ‘on the fly’ manier een verschillend gewicht aan de data van verschillende apparaten te kunnen geven: dus we testen apparaten en naarmate we bijvoorbeeld de sensor van Jantje of Pietje meer gaan vertrouwen, gaat ‘ie ook zwaarder meewegen. En verder is het ook zo dat het aantal sensoren dat je gebruikt meeweegt: met tien-twintig setjes Palmes-buisjes kun je kwalitatief dezelfde luchtkwaliteit ijking mee behalen als met een actief meetstation.

Gaat jullie toekomstige meetnet afhangen van de grillige inzet van metende vrijwilligers?

Nou, het één zal het ander nooit helemaal vervangen. Er zal altijd een soort backbone blijven van de officiële metingen. Maar we hopen en verwachten dat door voldoende hulp en platform te bieden, er altijd voldoende mensen en partijen zijn die data willen leveren. En het maakt voor ons rekensysteem niet uit of één station op een gegeven moment wegvalt een paar uur. Elk station heeft wel een keertje de hik, of is in onderhoud. Net zo makkelijk zou je dus ook data van een particulier of van een gemeente mee kunnen nemen. En als die wegvalt, nou oké, dan wordt dat stukje kaart iets minder mooi, iets minder gedetailleerd. Maar daarmee blijft de kaart nog wel bestaan. Dus als je maar voldoende data-leveranciers hebt mogen ze best allemaal een beetje variëren in de tijd.

De cybernetische burger

U zegt tegelijkertijd dat dat de noodzaak om te meten aan het afnemen is, dat de luchtkwaliteit beter wordt door al ingezet beleid. Maar veel burgers die zelf meten doen dat omdat ze denken dat er wel nog meer data nodig is over luchtkwaliteit, en omdat ze daarmee verandering willen bereiken. Zo bestaat het idee om het verkeer op basis van meer lokale/real-time metingen beter te stroomlijnen.

Het idee om verkeer dynamisch te regelen is al minstens tien jaar oud, met het verschil dat je daar nu voor duizend euro apparatuur aan kwijt bent en tien jaar geleden was het twintig duizend euro. Maar het is, voor zover mij bekend, nog nooit echt praktisch nuttig gebleken. Want iedereen ziet een beetje over het hoofd dat je wel kunt wel constateren dat de luchtkwaliteit in de middag slecht is, maar ja, als er nou eenmaal vijftigduizend auto’s naar het zuiden de stad uit moeten, die gaan niet zeggen van: “oh jee, de luchtkwaliteit is slecht, ik ga maar niet.” Je moet het wel altijd koppelen aan het handelingsperspectief wat er is. En voor verkeer is dat soms gewoon heel weinig.

Maar wat is dan wel het handelingsperspectief dat je kunt koppelen aan citizen science?

Om een voorbeeld te noemen, er zijn al een tijdje ideeën voor een fietsrouteplanner, waar luchtkwaliteit als weegfactor inzit. Dan kun je kijken: ga ik linksom of rechtsom

Wesseling met prototype behuizing voor een DIY sensor-kit: “ons ontwerpcriterium is dat het goedkoop is en dat mensen het zelf kunnen maken.”

? Zelf heb ik weleens een kaartje gemaakt tussen hier en de Uithof, er zijn best wel veel mensen die die route fietsen. Afhankelijk van de roetconcentraties kon je dan kiezen wat de beste route is. Een ander voorbeeld hoe je die data kunt gebruiken is voor de omgeving van een schoolplein. Veel mensen brengen hun kinderen met de auto naar school. Je kunt nu sensoren op zo’n schoolplein ophangen en ook twee straten verder weg waar geen direct verkeer is, en de waarden vergelijken. Als je dan afspreekt dat iedereen een dag met de fiets komt, kun je de sensorwaarden op het schoolplein vergelijken met achtergrondwaarden en zien dat het lokaal effect heeft als meer mensen de auto thuislaten.

Zijn de sensoren die nu op de markt zijn goed genoeg om mensen daar betrouwbare informatie over aan te leveren?

Tot twee, drie jaar geleden kwam er vooral gecertificeerde rommel uit die goedkope sensoren. Nu is dat niet meer zo. Je zult nooit kunnen zien of de luchtkwaliteit exact boven of onder een bepaalde grenswaarde is. Dat moet je echt niet verwachten. Maar ze vertellen wel of het op het plekje waar de sensor hangt nu heel erg slecht is, gewoon slecht, of geweldig goed. Dat kan die technologie nu wel bieden.

Dus de visie die u heeft over de toekomstige stad is die van mensen die op basis van steeds meer data hun gedrag steeds nauwkeuriger kunnen afstemmen op hun omgeving?

Ja, idealiter zou je een soort beeld van een stad kunnen maken waarin je met kleurtjes aangeeft: Waar is de luchtkwaliteit goed? Maar waar is ook bijvoorbeeld de luchtvochtigheid redelijk? Waar is het qua temperatuur een beetje goed toeven? Geluid is ook een belangrijke. Je hebt dan een hele hoop factoren die je semi real-time, of helemaal real-time op zo’n kaart kunt weergeven. Dus je kunt kijken naar alles wat voor mensen belangrijk is om door het leven te gaan op een dag. Als je dat allemaal kunt digitaliseren op de een of andere manier, nou dan kun je ze ook keuzevrijheid, meer keuzemogelijkheden bieden.

Grote verzameling data

Voegen jullie bij het RIVM al die verschillende typen data samen?

Ja, dat is de charme van het RIVM. In tegenstelling tot andere, private organisaties kunnen wij heel breed en op lange termijn bezig zijn. Dus wij zetten bijvoorbeeld ook niet alleen in op luchtkwaliteit. Daarnaast is ons centrum, centrum milieukwaliteit, voor een deel geherstructureerd. Daarbij is een afdeling gevormd die zich specifiek op innovatie richt, dus dat maakt het beheer-technisch, financieel en qua menskracht makkelijker om breder bezig te zijn. Een van onze nieuwe activiteiten is het ontwikkelen van een dataplatform waar ook andere soorten data worden opgenomen. We hebben hiernaast bijvoorbeeld het centrum Veiligheid, die zijn ook met citizen science-achtige dingen bezig op het gebied van het meten van straling. En we hebben mensen die zich hier met geluid bezig houden, of met waterkwaliteit of landbouwkwaliteit. Lucht heeft nu een beetje een momentum, ook omdat de technologie op een goed punt zit, maar voor ons geplande dataplatform maakt het niet uit of je luchtkwaliteit, waterkwaliteit, geluid, of whatever meet. En dat dataplatform staat dus open voor bijdragen van allerlei andere partijen in de samenleving.

Wat is het doel dat het RIVM heeft met dat dataplatform?

Een paar jaar geleden heeft het RIVM het Gewaagde Doel geformuleerd. Dat doel is: “Bijdragen aan een verlenging van de gezonde levensduur in Nederland van twee jaar.” Dat is best wel ambitieus en natuurlijk ook lastig om te meten. Maar alles wat daaraan bijdraagt heeft de warme belangstelling van het RIVM. En betere luchtkwaliteit hoort daarbij, maar ook leren hoe je beter met luchtkwaliteit kunt omgaan leidt statistisch tot langere levensverwachting. En niet alleen langere levensduur, maar ook langere gezonde levensduur.

Individu versus Collectief

Gaan die geïndividualiseerde, ad-hoc oplossingen – een blokje omrijden bijvoorbeeld – voor luchtverontreiniging niet ten koste van meer structurele en collectieve maatregelen?

Je bedoelt “Ik zorg voor mijn eigen luchtkwaliteit en de rest zoekt het maar uit?” We zien het soms weleens langskomen ja, van die hele geïndividualiseerde oplossingen. Ooit kwam er iemand met een rugzak met planten langs: Aan de onderkant zat een soort substraat en dan een bak plantjes erin die moesten zorgen voor betere luchtkwaliteit. En daar bovenop een HEPA-filter. Dat filter is zo extreem efficiënt dat hij die planten voor fijnstof eigenlijk overbodig maakte. Over dat rugzakje hebben we vrij serieus mee zitten denken. Want als mensen baat hebben van dat soort oplossingen, wie zijn wij om daar wat te vinden?

Ik denk ook dat de opkomst van geïndividualiseerde oplossingen ook komt doordat er een grote variëteit van klachten die mensen hebben ten gevolge van luchtkwaliteit. Voor al die klachten bestaan veel verschillende typen oplossingen. Sommige mensen gaan naar de Wadden omdat ze daar baat bij hebben, anderen gebruiken zo’n filter. En met name in de hoek van de COPD achtige klachten, kan ik me voorstellen dat mensen zeggen: “Ik kan beter functioneren, ik ben minder moe als ik daar een individuele maatregelen ook voor tref.”

Roet-meetinstallatie in het RIVM sensor-lab

Ik heb nog niet gezien dat dat ten koste zou gaan van meer collectief denken. Ik zie dat elkaar niet noodzakelijkerwijs bijten. Want juist als mensen zo bewust bezig zijn met de keuzes die ze hebben, zal vermoed ik ook snel de realisatie komen dat hoe beter het is, hoe meer keuzes jij hebt. Als je in een stad bent die heel vervuild is, zijn er niet veel gezonde routes te nemen, dan moet je je heel bewust laten gidsen. Maar als alle routes goed zijn, stil zijn, veel bomen hebben, verkeersluw met goede luchtkwaliteit, dan heb jij dus meer keuzes. Als je merkt dat jouw keuze beperkt wordt zou dat er juist toe kunnen leiden dat je meer opties wil hebben.

Hoe verhoudt dat individuele handelingsperspectief zich tot bestuurlijke keuzen die bijvoorbeeld genomen moeten worden vanuit een stadsbestuur?

Burgers kunnen aan de hand van sensoren die bijvoorbeeld laten zien dat een straat veel vuiler is dan werd aangenomen, de discussie voeren. Dan genereer je meer gedetailleerde kennis op lokaal niveau wat over het algemeen ook tot meer discussies en hopelijk handelingsmogelijkheden leidt.

Maar in Amsterdam blijkt bijvoorbeeld al uit de metingen van het GGD dat op een aantal punten de NO2 waarden ver boven de berekende waarden liggen. En dat lijkt niet echt tot actief beleid te leiden. Dus wat halen lokale metingen van burgers dan uit in dat beleidsklimaat?

Amsterdam is ook een beetje een aparte case. Als je de monitoringsrapportage van het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit leest zul je zien dat daarin al jaren gemopperd wordt over de luchtkwaliteit in Amsterdam. En dat ook al jaren wordt geconstateerd dat het beeld wat Amsterdam in de officiële monitoring geeft van de luchtkwaliteit, niet goed aansluit bij eigen metingen in Amsterdam. Er zijn, voor zover mij bekend, tot op heden geen stevige discussies geweest in de gemeenteraad van Amsterdam over hoe het nou komt dat de metingen van de GGD in concentratieniveau hoger zijn dan de berekeningen. Het is dus een keuze van een stad om daar op een bepaalde manier mee om te gaan. Als we nog meer metingen zouden hebben, die ongetwijfeld hetzelfde laten zien, kun je je dus afvragen of dat uit zou maken. De handelingsruimte is erg afhankelijk van de keuzes die een gemeente maakt.

Gezond verstand

Ziet u uzelf gebruik maken van al die data op die manier?

Het zal voor mij persoonlijk niet zo heel veel uitmaken, want heel veel van de informatie die je uit zo’n app haalt, heb ik al. Die uurlijkse kaart bouw ik zelf, die heb ik op mijn telefoon. En een aantal andere dingen kan ik ook nog wel vrij makkelijk inschatten: als ik kan ga ik niet naast een hele drukke weg fietsen. Want heel vaak is het verschil alleen maar één straatje opschuiven en dan zit je uit de drukte. De keuze is soms heel simpel.

Voor dat soort beslissingen heb je dus eigenlijk helemaal geen data nodig? Dat is gewoon gezond verstand.

Ja, het is misschien meer dat mensen even getriggerd moeten worden van: “joh, ga tien meter naar links en dan naar rechts.” Het handelingsperspectief is voor een deel ook domweg dat het kwartje even moet vallen. En misschien dat als het kwartje valt, het de volgende keer helemaal niet meer nodig is. Dus ik denk niet dat het iets is wat mensen continue nodig hebben.

De politiek van luchtkwaliteit: interview Bert Brunekreef, IRAS

Bert Brunekreef op zijn werkkamer op het IRAS

Bert Brunekreef werd door onze vorige interviewee Dave de Jonge aan ons voorgesteld als de “Johan Cruijff op het gebied van luchtkwaliteit.” Werkend voor het in Utrecht gelegen IRAS doet hij al meer dan dertig jaar onderzoek naar de samenstelling van luchtkwaliteit en gezondheidseffecten daarvan. Hij houdt zich bezig met kostbare professionele meetmethodes om fijn stof te meten, maar heeft ook samen met het RIVM en het Longfonds meegewerkt aan het ontwikkelen van een gratis luchtkwaliteitsapp voor geïnteresseerde en bezorgde burgers. Brunekreef beweegt zich als zodanig tussen vele werelden met aan de ene kant wetenschappers en experts voor wie het meten van luchtkwaliteit kwestie is van levenslange training en expertise, en aan de andere kant een groeiende groep mensen die op meer directe manier ook zelf bij het meten en beoordelen van luchtkwaliteit betrokken wil worden. Binnen dit complexe domein werkt Brunekreef aan innovatieve vertalingen tussen gemeten waarden en
handelingsperspectief.

Meten met burgers

Wat heeft u gemerkt de afgelopen jaren van de opkomst van citizen science?

Nou, wij doen er zelf eigenlijk ook al zo’n 30 jaar aan mee, maar wij noemen dat dan “personal monitoring”: dat houdt in dat we onderzoekspopulaties uitrusten met meetapparatuur om te meten wat zij daadwerkelijk inademen. We gebruiken daar steeds verfijndere technologie voor.

Wat meten jullie dan precies en met wat voor technieken?

We meten fijn stof, wat eigenlijk heel lastig is om te meten. Daarvoor gebruiken we een apparaat dat fijn stof “gravimetrisch” meet. Dat apparaat zit in een rugzak waarmee iemand een paar dagen rondloopt. Een “cycloontje” op het apparaat zuigt zo’n 24 a 48 uur fijn stof deeltjes aan, die we vervolgens wegen in één van onze weegkamers. Dat gebeurt op microgram niveau, dus je hebt een ontzettend gevoelige weegschaal nodig en je moet zorgen dat allerlei andere condities goed in de gaten worden gehouden. In onze weegkamer wordt de lucht dan ook strak op dertig procent relatieve vochtigheid gehouden, op precies twintig graden binnen hele nauwe marges. Er wordt ook statische elektriciteit afgevoerd, omdat dat de metingen kan beïnvloeden, en nog een aantal van die trucs.

Dat is dan wel heel verschillend van het citizen science zoals wij dat hebben leren kennen, waarbij goedkope sensoren en lichte apparaatjes worden gebruikt.

 Ja, zo’n rugzakje kost enkele duizenden euro’s, en ook de analyse van de data is heel kostbaar, omdat we het heel betrouwbaar willen doen. Zo’n weegkamer kost ongeveer een ton. Daarbij, niemand loopt voor zijn lol met die rugzakjes rond, die zijn best zwaar. Je kunt dat dus maar voor een beperkt aantal dagen doen en dan geef ik een kleine financiële compensatie aan de proefpersonen om het leed te verzachten. Maar als je niet oppast vertonen ze gedragsveranderingen: dat mensen die op dinsdag zo’n rugzakje krijgen dan hun boodschappen die ze normaal op dinsdag doen dan maar op woensdag doen zodat ze de deur niet uit hoeven met dat ding.

Maar dat citizen science waar jullie het over hebben gaat erom mensen de gelegenheid te geven zelf hun luchtverontreiniging te meten met goedkope technologie en daar handelingsperspectieven aan te koppelen. En dat is een lastige, want goedkope technologie is niet noodzakelijkerwijs betrouwbaar.

Ter illustratie, ik was afgelopen september op een congres in Londen waar aan het publiek koolmonoxide monitortjes werden uitgedeeld. Ik heb er drie meegenomen en die bij een paar collega’s uitgezet. Die apparaatjes gaven keurig een signaal door aan onze smartphones, maar dat signaal bleek nergens op te slaan. Dat ding gaf getallen die drie tot acht keer hoger waren dan wat je op het meetpunt van het landelijk meetnet kunt vinden. Het gaf pieken op momenten dat er geen pieken zijn. En dat terwijl koolmonoxide op zich veel makkelijker te meten is dan bijvoorbeeld stikstofoxide omdat het in hogere concentraties voorkomt. Daar gaat het dus al fout, of in ieder geval niet altijd goed. Na een week of twee besloten we om dat apparaat maar weer af te schakelen.

Hoe komt het volgens u dat dat apparaat zo slecht werkte?

Het zijn apparaten die ooit wel een keer gekalibreerd zijn geweest met een laboratoriumtest, maar als ze vervolgens en masse geproduceerd worden is er geen kwaliteitscontrole meer. Over het algemeen bij citizen science projecten denk ik ook dat er niet genoeg gespecialiseerde kennis is over welke meetmethode het meest geschikt is voor welke stof. De meetmethode die je moet gebruiken en de plek waar je de sensoren moet ophangen hangt af van het type stof waar je mee te maken hebt. Gaat het bijvoorbeeld om een gasvormige stof zoals bij NO2, of om deeltjes zoals bij fijn stoffen? En heb je te maken met een reactieve of een niet-reactieve stof? NO2 is bijvoorbeeld heel reactief, om dat goed te meten moet je dicht op de bron zitten en moet er niet veel tussen de bron en jouw meetapparaat zijn. Voor niet-reactieve stoffen, zoals CO, is dat heel anders.

Dollartekens

Waar ik ook een beetje bang voor ben is dat er een “technology-push” is bij die sensor-ontwikkeling. Ik ben nu, samen met het Longfonds, betrokken bij een project dat door enkele commerciële partijen is geïnitieerd, waarbij ze een sensor op de markt willen zetten die de luchtkwaliteit binnenshuis bijhoudt. Zij hebben gewoon dollartekens in hun ogen met hun sensor van driehonderd euro die ze op de consumentenmarkt proberen uit te zetten, terwijl er heel veel op aan te merken is. Maar het gebeurt toch. Of wij het nou leuk vinden of niet, de mensen vinden het leuk. Dus ja, moet je er wat mee en dan is het belangrijk dat je steeds blijft benadrukken richting fabrikanten dat ze aan bepaalde eisen moeten voldoen. Dus ik ben maar in de begeleidingscommissie van dat project gaan zitten om te kijken of ik het een beetje in goede banen kan leiden.

Wat houden uw interventies in dat soort projecten meestal in?

Dat gaat bijvoorbeeld over het koppelen van meetwaarden aan handelingsperspectieven. Dat is ingewikkeld. Er bestaan veel misverstanden over de vraag welke maatregelen voor luchtkwaliteit passend zijn en wat je daar als individu aan kan bijdragen. Een paar jaar geleden waren er van die berichten in het nieuws over smog in Parijs en dat ze de auto’s van de weg haalden vanwege de smog. Nou, als je die smog-episodes, die Londen en Parijs een aantal jaren achter elkaar hebben geraakt, goed door-analyseert, zie je dat de helft of meer van de luchtverontreiniging terug te voeren is op ammoniakuitstoot in landbouwgebieden in Nederland, België, Frankrijk.

Total body scan

Wat wij veel tegenkomen in citizen science projecten is het idee dat het belangrijk is om real-time te meten, zodat mensen direct hun gedrag op basis van de meetwaarden kunnen aanpassen.

Dat is ook zo’n voorbeeld van waar het vaak mis gaat. Het idee is dat als mensen van minuut tot minuut data kunnen zien, ze daarnaar kunnen handelen. Een fijn stof sensor die  van minuut tot minuut meet laat allerlei variaties zien. Je zet een kookplaat of gasfornuis aan en het gaat omhoog. Maar we hebben geen interpretatie van wat die real-time waarden gezondheidskundig betekenen. Gezondheidskundige informatie gaat over waarden die over langere periodes gemeten worden, uurwaarden, dagwaarden en nog langere periodes. Als we mensen van minuut tot minuut informeren over hoe het is, zonder dat we daar een gezondheidskundige betekenis aan kunnen geven, ja dan… ben je mogelijkerwijs dus een enorme hoeveelheid ruis en onrust aan het produceren.

Het is een beetje te vergelijken denk ik met die total body scan aanbieders. Weet je, het is allemaal onzin, onder ons gezegd. Een heleboel mensen komen in de reguliere gezondheidszorg terecht met een lijstje van al dan niet vermeende kwalen, die komen uit zo’n scan, wat leidt tot overbelasting van de gezondheidszorg. Dit gaat ten koste van de capaciteiten die je beter kunt besteden aan mensen waar echt iets mee aan de hand is. Dat risico heb je in het geval van luchtkwaliteit denk ik ook.

Maar hoe kun je dan wel handelingsperspectief koppelen aan meetwaarden?

Bijvoorbeeld door meetwaarden direct te koppelen aan gezondheidswaarden. Initiatiefnemers van meetprojecten hebben de neiging om wettelijke normen te hanteren als grens tussen goed en kwaad. Maar die wettelijke normen zijn het product van [een] politiek besluitvormingsproces, waar ook economische en andere overwegingen een rol in spelen. Daarom hebben we voor een recent ontwikkelde luchtkwaliteitsapp “Mijn Luchtkwaliteit” geadviseerd om de klassen waarin concentraties worden weergegeven te koppelen aan gezondheidseffecten. Dat is de innovatie van deze app: bij hetzelfde gezondheidseffect delen we de gemeten waarden van verschillende stoffen (stikstofdioxide, ozon en fijn stof) in bij dezelfde categorie. En we kijken daarbij dus niet naar wat de wettelijke normen zijn.

Screenshot luchtkwaliteitsapp “Mijn Luchtkwaliteit”, ontwikkeld in opdracht van het RIVM, DCMR Milieudienst Rijnmond, GGD Amsterdam, Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant en de Provincie Limburg in samenwerking met Het Longfonds, Milieudefensie en het IRAS-instituut

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een les over luchtkwaliteit

De handelingsperspectieven die door deze app worden aangereikt zijn redelijk beperkt, een individu kan ervoor kiezen meer of minder fysiek actief te zijn afhankelijk van de luchtkwaliteit. Is er niet een actievere, meer heroïsche rol weggelegd voor de metende burger?

De individuele burger heeft niet zoveel invloed op luchtkwaliteit. We realiseren ons bijvoorbeeld vaak niet dat fijn stof voor de helft in de atmosfeer wordt gevormd, en daar doe je als individuele burger niet zo veel aan.

Hoe zit dat dan met die fijn stof?

Ammoniakmolecuul (NH3) bron: Wikimedia Commons

Fijn stof bestaat uit een ingewikkelde cocktail van primaire en secundaire fijnstof. Primaire fijnstof is fijn stof die rechtstreeks wordt uitgestoten door verkeer, industrie, bouwactiviteiten en  bijvoorbeeld ook kippenstallen. Dan gaat het over stof die ontstaat door verbrandingsprocessen en mechanische processen: dus het slepen met zand, boren, fresen, zagen, en bijvoorbeeld de beweging van kippen in stallen waar een deel van naar buiten dwarrelt. Secundaire fijnstof wordt in de atmosfeer gevormd door chemische reacties waar ammoniak, stikstofoxiden en zwaveloxiden de belangrijkste ingrediënten bij zijn. Vooral ammoniak speelt daarin een grote rol, en dat komt voor 90% uit de landbouw of veeteelt. Dus ongeveer de helft van het fijn stof dat we inademen wordt niet uitgestoten, maar in de atmosfeer gevormd, voor een groot deel via de ammoniakemissies van de landbouw. Dat wordt weleens vergeten. Ook is het zo dat wat we hier aan luchtverontreiniging produceren gemiddeld in een dag het land weer uit is en wordt vervangen door stoffen die uit het buitenland komen. Daar zijn geen immigratieregels en grenscontroles voor, het waait allemaal gewoon lekker door. Dus met zeer lokale informatie over fijn stof uitstoot doe je hier niks tegen. Dat doe je alleen met grensoverschrijdend langetermijnbeleid.

Werkt het beleid dat we hebben?

De Europese Unie heeft al tientallen jaren luchtkwaliteitsbeleid, wat met vallen en opstaan tot stand is gekomen. Maar omdat er problemen zijn die als belangrijker worden gezien dan de luchtkwaliteit, is het wat minder hoog op de politieke agenda komen te staan. Toch zie je wel dat met al ingezet beleid we de concentratie luchtverontreiniging hier in Nederland langzaam zien afnemen. Het voortouw hiervoor wordt genomen door de grote steden. Parijs, Milaan en Madrid hebben besloten om diesel te gaan verbannen. Dat zal een grote invloed hebben, want zeker in Zuid-Europa is de diesel heel populair. Zelfs de Duitsers, die altijd erg voor diesel zijn geweest, beginnen nu serieus na te denken over elektrificatie van het personenauto wagenpark. Dat heeft te maken met veranderende percepties in de samenleving. Binnen een jaar of tien, twintig zal de elektrische auto de boventoon gaan voeren.

Kolen stoken

Welke rol moet wetgeving hebben in het verder terugdringen van luchtverontreiniging? Zoals milieu-zones, regulering, het verbieden van bepaalde voertuigen in bepaalde delen van de stad?

Stikstofdioxidemolecuul (NO2) bron: Wikimedia Commons

Je hebt inderdaad van oudsher de neiging om van bovenaf te zeggen van: “dit mag niet meer en dat mag niet meer”, maar het moet ook draagvlak hebben. Een typisch voorbeeld is houtverbranding in open haarden. Het in brand steken van vaste brandstof is zo primitief, zo negentiende-eeuws. Toen er in 1952 rond de vierduizend mensen dood gingen door luchtverontreiniging in Londen, heeft men zich gerealiseerd dat het stoken van kolen en het hebben van open vuren om je huis te verwarmen, niet meer van deze tijd is. En na een paar jaar delibereren heeft men daar gewoon verboden om kolen te stoken. Nu, in de open-haarden discussie, zie je dat gemeenten erop inzetten dat ze de eigenaren van open haarden willen voorlichten over wat ze wel en niet moeten stoken en hoe ze het moeten doen en wanneer wel en niet. Dat zit meer in het “nudgen,” en niet in het verbieden. Eigenlijk zou je in de bouwvoorschriften moeten regelen dat een open haard niet meer in een huis thuishoort, maar die dingen hebben soms een lange gewenningsperiode nodig. Als je even denkt aan het beleid rond passief roken: heel lang dacht men dat meeroken alleen zorgde voor een beetje irritatie aan het slijmvlies en je ogen die wat gaan prikkelen en zo. Maar toen duidelijk werd dat het ook tot longkanker en hart en vaatziekten kan leiden, is er een steeds verdere inperking ontstaan van waar je wel en niet mag roken. Ook die open haard gaat wel een keer verdwijnen. Niet vandaag of morgen.

Dus de rol van de metende burger is in al deze ontwikkelingen marginaal?

Nou, wat ik me wel voor kan stellen is dat die metende burger meer kwantitatief inzicht krijgt, even vooropgesteld dat de meting ook echt iets voorstelt. En dat kan zich dan vertalen in een stukje politieke druk, dat de persoon zich bijvoorbeeld aansluit bij een milieuorganisatie of op een partij gaat stemmen die het milieu hoog in het vaandel heeft zitten. Misschien kan deze persoon lokaal aandringen op verkeersmaatregelen op plekken waar het heel druk is, bijvoorbeeld op plekken waar het verkeer steeds vaststaat voor een stoplicht dat niet goed is afgesteld.

Nieuwe vragen

Hebben we eigenlijk genoeg data als het gaat over luchtkwaliteit?

Er worden vele duizenden artikelen per jaar over luchtkwaliteit gepubliceerd, dus er wordt heel veel over nagedacht door heel veel professionele instanties en door burgers en er wordt heel veel gemeten. Maar er poppen iedere keer weer nieuwe vragen op, bijvoorbeeld over ultrafijnstof rond vliegvelden. Tot voor kort werd dat gewoon niet gemeten. Er zijn nu een paar studies geweest wereldwijd, waaronder ook door TNO rondom Schiphol, die laten zien dat concentraties ultrafijnstof daar echt hoog zijn. De precieze samenstelling van die stof is anders dan ultrafijnstof van wegtransport, maar dat weten we niet goed. En de gezondheidseffecten weten we ook niet. Daar gaat een onderzoek naar lopen met een hoop gekrakeel, want Schiphol wil het eigenlijk liever niet weten. Want als er iets aan de hand zou zijn ja, wat moet je dan? Milieudefensie heeft zijn standpunt al bepaald: de helft minder vliegen. Dat gaat dus niet gebeuren. Misschien dat je iets aan het zwavelgehalte van de brandstof kan doen, die bepaalt namelijk mede de ultrafijn productie. Maar ik vind in ieder geval dat we het moeten willen weten. En als je het dan weet, dan pas is de volgende vraag: doe je er iets mee? Wil je daar iets mee? Dat wordt het een heel politiek verhaal, zeker rond Schiphol waar natuurlijk alles politiek is.

Nog een andere lastige vraag waar we voor staan is hoever je luchtverontreiniging kunt terugschroeven. Want het wordt steeds duidelijker dat hoe laag de luchtverontreiniging ook wordt, je nog steeds effecten op de gezondheid ziet. Hoe ver dat doorgaat weten we niet. Voor zo’n vraag moet je die baten gaan uitrekenen, hoeveel kost het bijvoorbeeld om een vol levensjaar erbij te krijgen?

Micro-levens, “your true age” en daly’s

De kosten van luchtverontreiniging meet je dus in levensjaren?

Ja, zo wordt het al enige tijd gecommuniceerd, ook richting burgers zelf. Maar dat is natuurlijk een heel ingewikkeld proces van omrekening. En het is de vraag wat de meest effectieve vorm van communicatie is. Zo spreken we vaak over verloren levensjaren, maar dat spreekt mensen niet erg aan. De reactie die je niet zelden krijgt is: het laatste jaar van je leven is toch het leukste niet, dus dat wil ik wel missen. Maar je moet eigenlijk aan 85-jarigen vragen hoe belangrijk zij een jaartje extra vinden. Dus je hebt nog een aantal andere vertalingen die een wat specifiekere relatie leggen met het dagelijkse gedrag. De Engelsman Spiegelhalter heeft het begrip micro-levens geïntroduceerd. Eén microleven is een half uur van je leven.

Hoe koppel je dat dan aan luchtkwaliteit?

We hebben meegedaan aan een project waarbij we de schadelijkheid van luchtkwaliteit omrekenden naar aantallen sigaretten. Die vergelijking communiceert het makkelijkst. Dan gaat het dus niet over de precieze chemicaliën die je inademt, want die zijn bij sigaretten-roken en verontreinigde lucht niet hetzelfde, maar over het gezondheidseffect. Met zo’n vergelijking kun je ook aantonen hoeveel micro-levens je verliest bij welke blootstelling aan luchtverontreiniging.

We hopen dat dit soort omrekeningen mensen iets meer na doen denken over de gevolgen van dit soort ingewikkelde blootstellingen. Andere concepten, zoals “Je werkelijke leeftijd” of “for disability adjusted life years” (daly’s), dat gaat dan niet alleen om verloren levensjaren, maar ook om verloren kwaliteit van leven in de tijd dat je nog wel in leven bent. Die daly’s zijn uitgerekend voor een aantal honderden verschillende medische condities, maar ook voor een groep van meer dan zeventig risicofactoren waaronder luchtverontreiniging.

Maar toch, de link tussen wat je zelf ervaart als patiënt en luchtverontreiniging, die is niet zo simpel. Als iemand met astma een verergering van zijn klachten heeft, is de link met waar het precies vandaan komt vaak heel moeilijk te leggen. Het kan ook zijn dat ‘ie met de kat van de buren in aanraking is gekomen, of dat er huisstofmijt in huis is die bij het opschudden van je kussen is vrijgekomen.

Het gaat telkens beter toch, met de luchtkwaliteit in het algemeen?

Ja, in feite is het een succesverhaal, maar we zijn nog lang niet waar we moeten wezen, en ontwikkelingen gaan langzaam.

Vind hier de andere interviews.

De politiek van luchtkwaliteit: interview Joris Lam, TreeWifi

We bezoeken Joris Lam, oprichter van TreeWifi, een startup op het Amsterdamse voormalige Marineterrein dat bezig is met de ontwikkeling van een ‘slim vogelhuisje’ dat luchtkwaliteit kan meten.

Joris Lam met zijn vogelhuis, foto Dorien Zandbergen

Design-haakje

In een TedX presentatie in november 2016 legt Joris uit hoe zijn project werkt: een lichtje in het vogelhuisje wordt rood als de luchtkwaliteit slecht is, en groen als het goed is. Op die manier wil Joris, zo vertelt hij, luchtkwaliteit ‘gamifyen’, tot een spel maken: straten kunnen bijvoorbeeld onderling competitie voeren over de vraag wie het langst of het meest groen licht krijgt. Maar als we Joris spreken blijkt hij zijn aannames hierover inmiddels te zien als beginners naiviteit: luchtkwaliteit zit veel complexer in elkaar.

Je hebt een achtergrond in technologie, entertainment en design, hoe begon je interesse in luchtkwaliteit?

Het project begon eigenlijk als een soort design/kunstproject. Ik wilde luchtkwaliteit visualiseren. Daar begon ik over na te denken toen ik ergens las dat de luchtkwaliteit in Amsterdam erg slecht is. Ik vond dat daar wel een spanning zat: Enerzijds hoor je er heel veel over, aan de andere kant merk je er niks van. Het is hier niet zoals in steden in India, China, of Los Angeles waar je de smog kan zien hangen, en waar als je je neus stuit je zakdoek helemaal zwart wordt. Het is net als met roken, wat ik zelf heel lang heb gedaan, je kunt het heel lang doen zonder iets te merken. Iets ongezonds is één ding, maar iets ongezonds dat je niet doorhebt is eigenlijk nog veel gevaarlijker. Daar wilde ik wat mee doen.

Als design-haakje had ik bedacht: ‘moeten we niet de bomen, die toch een beetje staan voor ‘schoon’, ‘lucht’ en ‘gezondheid’, laten uitspreken hoe gezond of ongezond de lucht is in hun straat?’ Dus toen ik met wat subsidie een simpel prototype in elkaar had gezet en daar een foto van online had gezet, sprong er opeens heel veel pers op: het kwam op CNN en alle grote blogs en tech-blogs hebben daarover geschreven en daardoor kon ik ook niet meer terug. Dat was een hele goede driver.

Luchtkwaliteit is ingewikkeld

Eerst wilden we het project gebruiken om mensen te motiveren hun gedrag aan te passen op basis van de lichtjes in de vogelhuisjes: dus als ie rood was, zouden mensen hun auto een dag kunnen laten staan om het lichtje weer groen te laten kleuren. Dat vinden we nog steeds een heel leuk concept, maar het blijkt ook wel moeilijk en luchtkwaliteit meten blijkt heel ingewikkeld. Ik heb op dat gebied veel geleerd toen ik afgelopen zomer meedeed aan het UrbanAirQ project van de Waag. Hoe meer ik te weten kwam over luchtkwaliteit in steden, hoe realistischer mijn beeld werd. Zo zijn er bijvoorbeeld veel externe factoren die luchtkwaliteit bepalen waar je eigenlijk weinig aan kan doen.

werktafel bij TreeWifi foto Dorien Zandbergen

Wat voegt jouw project toe aan al die luchtkwaliteitsdata die er al is, zoals geleverd door het luchtmeetnet, de landelijke monitoringstool van NSL, en de Palmesbuisjes?  

Veel mensen zeggen tegen mij: ‘Oh, wat een leuk huissie! Ik wil dat ook.’ En dan weten ze nog helemaal niet wat er in zit. Dan vinden ze het gewoon een leuk ding met lampjes en dan vertel je: ‘het meet luchtkwaliteit,’ en dan zeggen ze: ‘oh, dat is helemaal fijn, want mijn zoon heeft astma.’ Dus het maakt dingen toegankelijker.

Ja, er zijn natuurlijk wel veel meetstations en allerlei cijfers en grafieken over luchtkwaliteit, maar dat zegt mensen over het algemeen niks. Ik denk dat je als je dingen lekker vormgeeft je veel meer betrokkenheid genereert. Mensen kijken ook niet naar zendtijd voor politieke partijen op NPO, maar ze kijken wel naar een sappig debat op RTL Late Night waar Gordon ook aan tafel zit.

Het is ook heel belangrijk dat sensoren real-time meten en direct feedback geven. Dat doet die officiele data en ook die palmes-buisjes niet. Als mensen bijvoorbeeld zien dat voor het rode stoplicht het kruispunt altijd verstopt is en het vol staat met auto’s, willen ze op dat moment kunnen zien: ‘dit is slecht voor mijn gezondheid, of hier worden grenzen overschreden, of dit is niet goed.’

Maar mensen weten toch allang al dat veel auto’s bij elkaar zorgen voor slechte lucht?

Ik denk dat heel veel mensen het echt niet weten. Tuurlijk, als je vraagt: ‘waar komt luchtvervuiling vandaan?’ zeggen mensen: ‘oh, die vieze scooters’, of zoiets. En als je mensen vraagt: ‘waar moeten maatregelen op genomen worden?’ zullen ze waarschijnlijk ‘scooters’ zeggen omdat die hen het meest irriteren of het meest opvallen. Maar voor hetzelfde geld zijn het de bussen van het openbaar vervoer. Mensen weten het volgens mij gewoon niet echt waar het aan ligt.

Onderbuikgevoel

En zoals in veel van onze interviews tot nu toe, is het grote wantrouwen jegens overheidsdata hier een belangrijk gegeven.

En ook met die Palmes buisjes is er nog steeds een soort onderbuikgevoel van: ‘ja, we denken dat het niet goed is en gemiddeld genomen is het ook niet goed, maar waar, waar zit het ‘m nou in?’ Ook vind ik het belangrijk dat, in tegenstelling tot die Palmesbuisjes of de gemeentelijke meetapparatuur, dat mensen zelf een meetapparaat in hun bezit kunnen hebben. Zodat je in de slaapkamer van je kind met astma, in de voortuin, achtertuin, boven, onder, kan meten hoe het daar mee staat.

Wat ik hoor, is dat: mensen voelen zich, voelen onmacht ten opzichte van de gemeente, want ze strijden vaak tegen de gemeente, als er bijvoorbeeld verzet komt tegen de aanleg van een parkeergarage omdat de buurt bang is dat dat de luchtkwaliteit negatief beïnvloedt. Maar het is ook de gemeente die de metingen doet. Dus het voelt voor hen alsof ze geen eerlijke kans op informatie hebben. Ook al is dat waarschijnlijk wel zo. De GGD is onafhankelijk, maar gevoelsmatig is het niet onafhankelijk.

Joris blijkt zelf ook niet helemaal te vertrouwen op de manier waarop beleid nu wordt gemaakt: 

Nu wordt er groot gemeten, over grote gebieden en met gemiddelden. Bij grote, algemene data horen ook grote algemene maatregelen. Zoals milieuzones, en bijvoorbeeld de maatregel om tweetakt scooters de stad uit te krijgen. Dat wordt een enorm gezeik en gaat enorm veel geld kosten. Dat soort grote maatregelen duren ook nog eens ontzettend lang. Dat is wat ik vind dat er mis gaat.

Als je van straat tot straat de luchtkwaliteit weet, dan kan dat beleid anders. Dan kun je veel makkelijker de pijnpunten in kleine stukjes opbreken. Dus dan kan je op een gegeven moment gewoon zeggen van: ‘Nou, [van] deze straat [is] de luchtkwaliteit zó slecht, we gaan stoplichten her-programmeren en scooters mogen er niet meer in. Of we gaan de snelheid aanpassen.’

Als je verkeer uit een straat weert, verplaatst het toch naar andere delen van de stad? Daar wordt de stad netto gezien toch niet beter van?

Misschien ben ik teveel een leek, maar volgens mij is het beter om overal een beetje luchtvervuiling te hebben dan van die straten te hebben waar het echt heel slecht is, waar jonge kinderen wonen astma hebben, en dat soort dingen.

“Wij zijn geen activisten”

Wat kunnen mensen zelf met die data doen?

Op de korte termijn kunnen mensen die data gebruiken om bijvoorbeeld gezondere keuzes te maken. Dus als je een kind met astma hebt en je gaat verhuizen, wil je op Funda niet alleen het energielabel kunnen zien van huizen, maar ook luchtkwaliteit van rondom dat huis. En dat is iets waar wij denk ik echt een rol in kunnen spelen. Wij zouden bijvoorbeeld heel graag, ja, met Funda, met AirBnB samenwerkingen aangaan, zodat je ook op luchtkwaliteit kan uitkiezen waar je verblijft.

Dat zijn geïndividualiseerde acties, heeft jullie project ook een positief effect op luchtkwaliteit voor het collectief?

Nou, wij willen niet activistisch zijn zoals bijvoorbeeld Milieudefensie. Zij houden bijvoorbeeld heel veel infrastructuurprojecten tegen, dus nieuwe bruggen, tunnels en zo, dan loopt het project een aantal jaar vertraging op en uiteindelijk komt het er toch. Zij staan lijnrecht tegenover overheden.

werktafel van TreeWifi foto Dorien Zandbergen

Wij zijn gewoon verschaffer van data voor inzicht. Als mensen dat activistisch willen gebruiken dan is dat goed, maar wij zullen geen campagne voeren tegen de overheid. We zullen wel zeggen: ‘Informeer jezelf.’ Hè, ik wil geen partij kiezen omdat belangen ten eerste altijd ontzettend ingewikkeld zijn, en uiteindelijk komt het altijd neer op een economisch belang tegenover het milieubelang. Je kan in een moderne, kapitalistische maatschappij dat economische belang ook niet tenietdoen. Ik bedoel, als we alle wegen van heel Amsterdam zouden afsluiten, en we zouden [er] hier een prachtig bos van maken zou dat hartstikke mooi zijn, maar dan is het ook zo dat zeg maar de helft van de ondernemers in de stad dan dood gaat van de honger.

Ik ben niet tegen regulering per se, maar je kunt ook reguleren door schoon rijden steeds goedkoper te maken. Daardoor wordt het makkelijker voor mensen om goede keuzes te maken. En door de data, berichtgeving en medische wetenschap weten mensen ook waarom ze die goede keuze moeten maken. Ik ben alleen niet voor de aanpak zoals die gedaan wordt door groene actiepartijen zoals Greenpeace of Milieudefensie, die zeggen: ‘Nee, dit mag niet.’ Ik denk dat veel burgers zich totaal niet voelen aangesproken door die boodschap. Ik draai het liever om, door een soort positieve bekrachtiging te geven. Ik zeg: ‘Als je het goed hebt zoals het is, is het goed. Maak je het beter, dan maken wij het nog beter.’

“Als je meet, krijg je korting”

En hoe werkt die positieve bekrachtiging van jullie?

Wij willen mensen gaan belonen voor het mee-meten. We zijn bijvoorbeeld aan het kijken of bepaalde telecomproviders de mensen korting kunnen geven op hun data abonnement, of bijvoorbeeld hun telefoonabonnement. Gewoon puur om het feit dat ze aan het meten zijn. Dat maakt het ook makkelijker om mensen aan te moedigen om te meten, want ze hoeven er niets voor te veranderen. Zelfs heel passieve burgers kunnen nog steeds op een goede manier bijdragen. Alleen maar door het probleem inzichtelijker te maken voor de mensen die er wel wat aan kunnen doen. Zoals de professionals bij het KNMI, of het RIVM of de gemeente. En zij kunnen dan bijvoorbeeld die data gebruiken om het luchtkwaliteitsbeleid anders te maken.

Wat is jullie verdienmodel?

Ik geloof heel erg in twee dingen: ik geloof dat je als startup überhaupt als bedrijf veel verschillende mogelijke inkomstenbronnen moet hebben omdat dingen gewoon snel veranderen. Dus ik geloof niet meer in een investering zoeken voor één idee of product en hopen dat één idee het doet. Dus we organiseren bijvoorbeeld een evenement over Internet of Things in mei. Ik ben heel erg ‘go with the flow’ en ‘go with the money flow’. Wie weet eindigen we als marketing en designbureau, consultancybureau of hardware bedrijf, geen idee. Dat vooropgesteld en dat wil ik ook bewust zo houden.

Aan de andere kant geloof ik er heel erg in dat je niet zozeer moet denken als een hardware of softwarebedrijf, maar als ‘verschaffer van inzicht in data.’ En wat voor data dat is en wat voor inzicht dat is, dat moeten mensen vooral zelf bepalen. Wat we nu aan het bouwen zijn, zijn een soort van lego stenen met verschillende sensoren die werken op hetzelfde systeem als die huisjes. Mensen kunnen daarmee hun eigen mix van data samenstellen, gassen, of luchtkwaliteit, of whatever.

De metende mens

En daarmee wil ik een andere manier van werken hebben dan hoe grote bedrijven het vaak aanpakken. Ik wil niet zeggen: ‘jij moet luchtkwaliteit meten.’ Maar als je geïnteresseerd bent in iets van je omgeving wat je gewoon graag zou willen meten wat je met je neus, of ogen of oren niet kan doen, dan kan je dat met een van onze modules, die je zelf kunt samenstellen.

Daar zit een verdienmodel in dat je veel meer en veel langer dingen kan verkopen aan mensen, omdat je dingen kan uitbreiden. En dat je een abonnementen kan afsluiten. Dus mensen kunnen bijvoorbeeld een abonnement nemen: één sensor is gratis, maar hang je je hele huis vol dan kan je een soort data plus abonnement nemen voor een paar euro per maand om alles erop aan te kunnen sluiten of je krijg een abonnement waarbij je elke maand een nieuwe sensor mag uitkiezen om toe te voegen aan je kit. Heel fluïde en open, maar met gericht op het feit dat je door kan blijven betalen.

En waarom zouden mensen steeds meer willen gaan meten?

Je hebt een enorme trend in gezondheid en gezond willen zijn, fitgirls, gezond eten. En als we dan weer hebben over luchtkwaliteit: hoe meer onderzoek ernaar wordt gedaan, hoe meer we erachter komen dat het heel slecht is. Ik heb het gevoel dat er op een gegeven moment een punt komt dat we supergezond willen zijn, maar dat we er achter komen dat we super òngezond zijn door die luchtvervuiling. En dat zijn twee trends waarvan ik denk van dat gaat elkaar een keer raken.

Betrouwbare data en transhumanisme

Het is bekend dat er veel kalibratie problemen zijn met dit soort Kits, en dat het heel moeilijk is om accuraat te meten. Hoe lossen jullie dat op?

We werken met de beste sensor die nu beschikbaar is, dat is een elektrochemische NO2 sensor. En we werken veel samen met het KNMI en GGD die naar onze technologie kijken. Ook hebben wij onze eigen Bas Mijling in huis: een scheikundig ingenieur die per sensor een formule schrijft over hoe die gecompenseerd moet worden en tegen temperatuur en luchtvochtigheid moet worden afgezet.

TreeWifi vogelhuisje foto Dorien Zandbergen

Waar we nu een beetje mee worstelen is dat de her-kalibratie een issue is. Dus we merken dat de sensor na drie maanden weer af gaat wijken van haar beginsituatie. We richten ons nu op de vraag of we de afname van de kwaliteit lineair is, zodat ook die gecompenseerd kan worden. Die herkalibratie-issues maken zo’n vogelhuisje relatief duur. We zijn daarom nu bezig met het maken van een kleiner, simpeler huisje. Daardoor wordt het goedkoper om er veel van op te hangen, wat weer het effect heeft dat de data in zijn totaliteit iets betrouwbaarder wordt. Omdat die sensoren toch wat onbetrouwbaar kunnen zijn, heb je er liever tien dan twee zeg maar. Want als er dan twee van de tien afwijkingen vertonen, dan zie je dat het gaat om afwijkingen en niet om correcte metingen.

Joris heeft nog een extra reden om zijn data zo betrouwbaar mogelijk te maken: hij gaat uit van een transhumanistische toekomst, waarin kunstmatige intelligentie de mens omgeeft. Die kunstmatige intelligentie moet alleen wel gevoed worden met juiste data.

Ik noem dat ‘de gel’: in de toekomst liggen we allemaal in een soort substantie vol voedingsstoffen en zuurstof. Met een soort hersenimplantaat zijn we ingeplugd  in een matrix-achtige wereld. Zo staan we in direct contact met een kunstmatige intelligentie. Daarin zit informatie van de afgelopen decennia en eeuwen, alles wat de mens verzameld heeft. Ik kijk heel erg uit naar die toekomst waarin wij veel mer een zijn met sensoren, data en kunstmatige intelligentie. Daar moeten we  niet tegen vechten.

We moeten die kunstmatige intelligentie goed trainen, daarvoor is goede data nodig. En daarom is het ook belangrijk dat bijvoorbeeld deze kits accurate data producerenDat is heel belangrijk voor straks. Als we nu al de kunstmatige intelligentie gaan trainen met halfbakken sensoren dan, ja… Dat is alsof je een hele generatie kinderen gewoon opleidt met verkeerde tekstboeken. Dus laten we goed veel data en hele goede data verzamelen zodat we daar straks als transhumans echt op vooruit gaan.

Vind hier de andere interviews.

 

De politiek van luchtkwaliteit: interview David Gelauff, Gemeente Amsterdam

David Gelauff is programmamanager luchtkwaliteit van het Team Duurzaamheid/programma luchtkwaliteit van de Gemeente Amsterdam.

Wat is het programma luchtkwaliteit?

Dit programma was opgezet in de nasleep van  de implementatie  van Europese regelgeving over normen voor luchtkwaliteit  in nationale wetgeving in 2007, in een wet die bekendstaat als de wet milieubeheer. Die normen zouden voor Nederland gaan gelden in 2010. In Nederland leidde dat tot een groot probleem. Dat heeft ermee te maken dat de wet milieubeheer gekoppeld is aan de wet ruimtelijke ordening. Dat is in veel landen niet zo, hier wel. En omdat we hier een nationale juridische traditie hebben die zegt: “regels van deelwetten moeten niet onderling tegen elkaar ingaan,” hadden een paar slimmerds snel door hoe ze daar gebruik van moesten maken. Die zagen dat allerlei enorme bouwprojecten ingingen tegen deze luchtkwaliteitsnormering. Met het argument dat Nederland door die bouwprojecten haar normen niet zou gaan halen, zijn ze dat gaan aanvechten voor de rechter. Dat ging bijvoorbeeld over de Zuidas. Zo’n uitbreidingsplan zou veel extra verkeer gaan trekken. Dan kun je uitrekenen dat je dan de norm niet gaat halen. Dat is wat aannemelijk gemaakt werd, en waarin de rechter meeging.

Een aantal bestemmingsplannen werden óf on hold gezet, of zelfs vernietigd. Door heel Nederland lagen in één keer allerlei grote plannen plat. Die vertragingen liepen in de honderden miljoenen.

Zijn gelijke niet in de wereld

Dus toen is er heel snel een nationaal plan bedacht om iets te doen met die luchtkwaliteit. Dat werd het Nationaal Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit, het NSL. Dat is dus wat anders dan het meetnet van onder meer het RIVM en GGD. Dit gaat echt over berekeningen. Dit model kent zijn gelijke niet in de wereld. We besteden er elk jaar veel tijd aan om daar veel informatie in te stoppen. Er worden onder meer ontwikkelprojecten boven een aantal vierkante meters in gestopt. Op basis van een heleboel variabelen wordt dan berekend wat de impact is op luchtkwaliteit. Wat er ook in wordt gestopt zijn de maatregelen die genomen worden op het gebied van luchtkwaliteit, en hun berekende effecten. Het programma waar ik voor werk, is opgezet om die luchtkwaliteitsverbeteringsprojecten door te voeren en te monitoren. We werken daarvoor samen met een aantal kennisinstituten: zo hebben we een dag in de week standaard iemand bij ons rondlopen van TNO, om onze maatregelen mee door te rekenen. Bijvoorbeeld wat het effect is op de luchtkwaliteit van een milieuzone voor scooters. En we halen onze monitoringsdata bij de GGD vandaan, uit eigen verkeersmodellen en gegevens over het soort voertuigen dat door de stad rijdt en metingen van luchtkwaliteit.

screen grab NSL kaart

“Maar je méét toch gewoon?”

We werken veel direct met de politiek, waar dit altijd een hot item is. Het is een heel complex verhaal. We hebben veel te maken met allerlei belangen en actiegroepen uit het maatschappelijke middenveld die ook van alles van vinden en goed kunnen lobbyen. Het gaat aan de ene kant over gezondheid, aan de andere kant over de vraag wat je lokaal kunt doen. Dan hebben we het over het lokale verkeer en daarbij ligt het altijd gevoelig wat je doet.

Wat het ook ingewikkeld maakt is het hele meetverhaal. Er wordt vaak relatief simpel gedacht zowel door publiek als door politiek van: ja, maar je méét toch gewoon en je ziet het toch gewoon? Maar dat is gewoon niet zo bij dit onderwerp. Wat ik vooral geleerd heb in dit werk is dat als je wilt weten of het goed gaat met de luchtkwaliteit, dat niet een kwestie is van gewoon meten of tellen. Maar dat je ook veel moet modelleren en berekenen. En dat zorgt ook vaak voor veel wantrouwen.

Waaruit bestaat dat wantrouwen?

Dat gaat bijvoorbeeld om de rol die de norm speelt in het bepalen van luchtkwaliteit. Dat is een ingewikkelde figuur. Die gaat niet over de vraag: ga je er een keer overheen? Want je gaat er altijd een keer overheen. Want ja, als er een vieze, stinkende, hele oude diesel langskomt, dan zit je er al overheen, dan spat ie al rood uit. Terwijl dat moment misschien maar twintig seconden is. Het is dus niet voor niets dat de wettelijke normen over jaargemiddelden en maximaal aantal overschrijdingsdagen gaat, en niet over incidentele normoverschrijdingen. En om echt te kunnen zien hoe het gaat met de luchtkwaliteit moet je kijken naar langjarige trends. Die zijn positief. Maar dat is wel altijd een ingewikkelde geweest in het uitleggen, en maakt hem ook altijd heel vatbaar voor vermoedens dat er gesjoemeld wordt met cijfers. Dat wantrouwen heb ik heel veel gezien.

Wat ook soms wantrouwen oproept is dat het beheer van luchtkwaliteit in Amsterdam belegd is bij de gemeente, bij de GGD. Hoewel het voor de buitenwereld lijkt alsof de GGD het belang van de gemeente dient, is het wettelijk zo geregeld dat de GGD binnen de gemeente een aparte status heeft. De GGD is er voor het belang van de Amsterdammer en hun gezondheid en mag zich echt als luis in de pels opstellen. Het is dus juist goed dat zij het meetnet beheren, want wij zijn daarin veel minder onafhankelijk: wij moeten ook de andere belangen dienen van deze stad, door bijvoorbeeld te zorgen dat die bouwprojecten door kunnen.

Milieuzones niet bespreekbaar

Wat is in grote lijnen de politieke houding in Amsterdam als het gaat over luchtkwaliteit?

Om dat te begrijpen is het wel goed om even terug te gaan naar de controverse rondom de plannen van Marijke Vos, toen zij in 2006 voor Groen Links wethouder was in Amsterdam met een portefeuille waar ook Milieu in zat. Zij wilde voor Amsterdam, als eerste stad in Nederland, een milieuzone instellen voor vervuilende auto’s, bijvoorbeeld auto’s zonder roetfilter. Dat is een enorm heftig ding geworden, waar hoog politiek spel is gespeeld. De Tweede Kamer is er volop in gegaan, het is een enorme politieke tegenstelling geweest. De VVD liep hier rond met stickers: “bent u rijk genoeg om links te zijn?” Want die zeiden: “Je gaat iedereen zijn auto ontnemen.” Het was ook best een behoorlijk strenge milieuzone die toen werd voorgesteld, dat heeft bijna tot het aftreden van een wethouder geleid.  Uiteindelijk is die milieuzone er niet gekomen.

Oldtimers-liefhebbers protesteren tegen milieuzone

In plaats daarvan ging er heel veel aandacht uit naar de vraag: “hoe krijg je dan het milieu, en het verkeer schoner?” Dus de nadruk kwam te liggen op het stimuleren van schoner verkeer, en ook van slimmer verkeer. Door bijvoorbeeld te zorgen voor minder opstoppingen en het stimuleren en het faciliteren van schoner vervoer. Dat reguleren kon echt gewoon niet, dat is—op de milieuzone voor vrachtverkeer na, die in 2009 in alle grote steden is ingevoerd—heel lang in Amsterdam niet bespreekbaar geweest.

Maar toen zag je dat andere steden voorop gingen lopen op het gebied van milieuzones. Utrecht als eerste, toen begon ook Rotterdam erover te spreken. Onder andere door de aanhoudende aandacht van belangengroepen heeft het toch ook in Amsterdamse vorig jaar geleid tot een raadsmeerderheid voor een heel maatregelenpakket waarin milieuzones weer een belangrijke rol spelen. Het zijn wel een relatief lichte versies voor bestelauto’s, taxis, touringcars, brommers en scooters. Ze gaan niet over gewone personenauto’s en we kunnen ook geen afspraken maken met brancheorganisaties en belangenorganisaties over de fasering van het strenger maken van die milieuzones. Er is geen raadsmeerderheid voor gekomen om dat erin te krijgen.

Vanuit sec de doelen van het luchtkwaliteitsbeleid zouden strengere milieuzones absoluut bijdragen aan een nog schonere stad. Maar intern, als gemeente, is dat altijd een afweging met andere belangen. Over vitaliteit en bereikbaarheid van de stad bijvoorbeeld. Je kunt de stad ook niet afsluiten voor al het verkeer.

Juichverhalen

In plaats van regulering is er wel veel interesse voor de innovatieve aanpak. Zo zien we allerlei innovaties op ons afkomen die te maken hebben met het zuiveren van de lucht. Vaak is het enthousiasme groter dan de realiteit van de plannen, maar we moeten daar wel iedere keer weer op reageren. Een tijdje terug stond er een juich-artikel in een landelijk dagblad over een fabrikant die met ionisatie een soort super stofzuigers had bedacht wat een fantastische oplossing was voor luchtverontreiniging. Dat zou heel veel werkgelegenheid gaan bieden, daar ging iedereen mee aan de haal. Maar gelukkig voordat we zelf hoefden te antwoorden had NRC al met een fact-checker berekend dat we 25.000 van die apparaten neer zouden moeten zetten om substantieel iets bij te dragen.

Een ander voorbeeld is de smog-vrije toren van Daan Roosegaarde waarin fijnstof wordt omgezet in grofstof voor korrels waar je misschien wel mooie dingen van kunt maken. Die toren werkt echt, maar het zijn dingen die niet de capaciteit hebben om een stad, of zelfs een lokaal knelpunt substantieel te verschonen.

Externe oplossingen

Ook is er veel te doen om groen, tegenwoordig, wilde verhalen over planten die de lucht enorm kunnen zuiveren. Wij zijn helemaal ni
et tegen groen, en sommig groen vangt wel degelijk fijnstof of andere vervuilende stoffen op, maar dat is alleen maar wat er toevallig langs komt. En in het ergste geval kan groen juist de vuiligheid te lang op grondniveau houden waar het wordt ingeademd. Dus hoewel er genoeg redenen zijn om je bomen te koesteren vanuit het oogpunt van klimaatbeheersing en klimaatverandering, zijn bomen vaak helemaal niet zo goed voor de lokale luchtkwaliteit. Zelfs in het model van het RIVM zit een correctiefactor die aangeeft dat als er veel bomen staan, de luchtkwaliteit daar iets viezer wordt. Ga dat maar eens uitleggen.

De hoop op een oplossing die de lucht extern zuivert  is vaak ook de wens van mensen die graag de auto gewoon willen blijven gebruiken.. Ja, dat zie je natuurlijk op al die onderwerpen hè. Bijvoorbeeld ook de oplossingen om CO2 op te slaan in plaats van heel erg hard in te zetten op gewoon: weg van die vervuilende energie.

Toekomstmuziek

Toch blijkt David zelf ook wel aangetrokken tot innovatieve systemen om de stad te kunnen besturen. Het idee dat je met veel data een real-time accuraat beeld kunnen krijgen van de stad, wat je ook op de toekomst kunt projecteren spreekt hem erg aan. 

We hebben heel veel real-time data. Intern zijn we erg bezig met de vraag: “hoe ontsluit je dat nou en hoe kun je [daar] nou heel snel op een publieksvriendelijke manier ook bijvoorbeeld allerlei scenario’s mee doorrekenen?” Al is het maar een eerste grove inschatting van wat betekent het als je een deel van de stad afsluit voor autoverkeer.

Waar komt al die data vandaan?

Het zou kunnen dat Google een deel van de informatie levert en je je eigen modellen erin zet. Je zou ook kunnen denken dat je data die toch al openbaar is van Google gebruikt. Maar ook heel veel data wordt hier zelf al verzameld. We zijn nu ook met TNO het Urban Strategy Model aan het onderzoeken, daarmee kun je zoveel mogelijk data combineren om heel snel te kunnen zien hoe het er real-time in de stad aan toegaat en ook wat er gebeurt als je bepaalde maatregelen gaat doorvoeren. Op een heleboel terreinen. Het zou natuurlijk te gek zijn als je inzichtelijk kon maken van: “hé, als we dit deel van de stad afsluiten dan betekent het dit voor de luchtkwaliteit, dit voor het geluid, en dit voor de economische vitaliteit van zo’n gebied, want hè, want hoe moeten we dan de bevoorrading gaan regelen?” Dat is nog wel toekomstmuziek, er moet nog een hele hoop onderzoek [gedaan worden].

Twee soorten citizen science

En wat gebeurt er nou precies als burgers zelf dat soort tools, om hun omgeving te monitoren, in handen krijgen? Om die aan te kunnen laten sluiten op de bestuurs en beleidspraktijken van de stad, moet je van goede huize komen, zo blijkt. David geeft twee voorbeelden van wat hij geslaagde citizen science projecten vindt:

Neem bijvoorbeeld het iSPEX programma, daar hebben relatief veel mensen aan mee gedaan. Dat zat heel goed in elkaar. Je moest je aanmelden bij het RIVM, je kreeg een duidelijke uitleg, je moest een opzetstukje op je telefoon zetten en pas als het RIVM een app stuurde moest je met z’n allen gaan meten. Het geeft geen beeld van de luchtkwaliteit op langere termijn, maar het is wel een fantastisch mooi experiment dat laat zien wat je kunt doen met Citizen Science en hoe je dat op een grotere schaal kunt toepassen. Dan kun je in 1 keer in heel Nederland met al die Iphones een leuk beeld neerzetten van hoe de luchtkwaliteit is op dat moment.

En dan had je natuurlijk het project van milieudefensie waarbij ze twee of drie keer een jaar lang luchtkwaliteit gemeten hebben in alle grote steden [zie ook ons interview met Ivo Stumpe]. Daar zag je ook dat ze het steeds wetenschappelijker gingen aanpakken. Eerst vroegen ze gewoon aan mensen: “Wie wil er mee doen?” En die mensen kregen dan zo’n Palmes-buisje in de buurt te hangen. Dat was nog helemaal niet afgestemd op de vraag wat nou de meest vieze plekken zijn in de stad volgens de metingen van de overheid. En ook niet: “zijn dat nou de plekken waar wettelijke normen voor gelden?”

Die normen leggen namelijk heel precies vast waar je precies moet meten. Dus daar kwam een rapport uit wat op zich in grote lijnen wel ongeveer weergaf – wat we al wisten – waar de grote problemen zaten. Maar wij konden daar, achteraf gezien, nog redelijk makkelijk van zeggen: “ja, maar het is nog steeds amateurisme in vergelijking met wat we zelf hebben. Dus we zien hier niks nieuws.” Dat hebben ze heel goed opgepakt. De laatste twee keer hebben ze heel duidelijk gekeken van: “oké, waar zitten dan écht die zwaar belaste punten en hoe vinden we wat preciezer locaties waar we aan wettelijke normen moeten voldoen? Ze konden zo hun data tegenover die van ons zetten en zo ook verschillen aan het licht brengen.

Het kwam trouwens bijna altijd overeen met ons eigen beeld. Dus het is niet gebeurd dat daar in één keer een probleem met de luchtkwaliteit naar boven kwam dat wij helemaal niet hadden voorzien, of niet hadden gezien. Maar het lukte ze wel om er extra aandacht voor te generen. Namelijk, ook al informeer je publiek of bijvoorbeeld de gemeenteraad, pas als het in de krant staat wordt het in een serieus probleem.

Bij andere Citizen Science projecten gaat het wat minder goed in wetenschappelijke zin. En die kloof wordt niet altijd even makkelijk overbrugd. Daar is de GGD ook een paar keer tegenaan gelopen. Zoals bij de Waag, daar ging de GGD puur integer vanuit een wetenschappelijke visie uitleggen aan de mensen bij de Waag: “ja, het is heel leuk, maar het is nog enorm in de kinderschoenen en die sensoren die jullie hebben die halen het gewoon echt niet bij wat er hier in de stad al zit.” Ja, en dat moet je aan mensen vertellen die echt zeker weten dat hun straat de vieste van de stad is. En die dat ook nog eens zien op zo’n sensor. Ja, dat is bijna niet te pareren. Daar is soms zo’n wantrouwen, dat komt moeilijk samen.

Serieus nemen

Het probleem is ook dat mensen de data die ze zelf meten op een heel andere manier interpreteren dan wij, en dat daardoor ook weer wantrouwen ontstaat. Wat je bijvoorbeeld krijgt is dat mensen verwachten dat we direct actie ondernemen als hun meters laten zien dat de luchtkwaliteit slecht is. Maar dat is dan waarschijnlijk dat ene dingetje dat langsreed, of omdat de wind even verkeerd stond. En als we niet meteen actie ondernemen voelen mensen zich ook snel niet serieus genomen.

Maar we nemen mensen juist wel serieus. Als mensen klagen van: “hé, onze straat is in een keer heel veel drukker geworden en we willen weten hoe het zit met de luchtkwaliteit”, dan gaan we toch altijd serieus even kijken van: hé, is het niet handig om hier ook gewoon een Palmes-buisje op te hangen of niet. En dat gebeurt ook regelmatig. Ik denk dat we het gewoon wel redelijk goed in de smiezen hebben.

Niet aansluiten op beleid

Ik denk wel dat het een goede ontwikkeling is dat die sensoren steeds sensitiever worden, want die zijn nu nog van een echt heel andere kwaliteit dan die we zelf hebben.

Maar dan nog, ja, weet ik niet precies wat je eraan hebt. Je zou er misschien eens een keertje een volledig onverwachte bron van luchtvervuiling mee kunnen ontdekken. Dat zou kunnen hè? Dat je zegt van: “nou, nu is het hier al tien dagen lang is het op dezelfde plek zoveel viezer dan we verwacht hadden.” Hooguit dat je er eens een keertje, ja, zo op die manier iets mee ontdekt wat anders misschien een paar jaar had geduurd voordat je het had ontdekt.

Maar ik denk ook dat het je op een gegeven moment niet meer gaat helpen om steeds meer en steeds lokaler te meten. Luchtkwaliteit is zo grillig, het levert alleen maar heel veel meer verwarring op op een gegeven moment, nog meer data. Dan ga je alleen maar zien dat het lokaal van straat tot straat verschilt en dat gaat alleen maar heel veel meer ruis veroorzaken denk ik. Daar kun je op een gegeven moment geen maatregelen meer op nemen. Je kunt niet als iemand belt: “ik heb hier net gemeten” dan even de straat afsluiten.

Om maatregelen te kunnen nemen denk ik echt dat we al genoeg data hebben. Met onze vijftien kleine laboratoria en de honderd tot honderdvijftig Palmes-buisjes hangen. Dat is eigenlijk al heel erg dekkend.

Ik denk ook dat het grote gevaar erin zit dat iedereen met z’n eigen resultaten zijn eigen belangen gaat nastreven. En daarom dat het uiteindelijk zijn doel voorbij streeft. Want op een gegeven moment kan de politiek er ook niets meer mee en wordt het door de wetenschap weggerelativeerd, en dan doet het niets meer.

De ideale rol van de burger

Maar wat is voor jou de ideale rol voor burgers in dit plaatje? Hoe zou jij het het liefst zien?

Kijk ik zou het liefst hebben dat het geïnformeerde burgers zijn die lol hebben in techniek gebruiken, maar ook de relativiteit ervan snappen zeg maar. En die wel kritisch meedenken van: “ben je wel op weg met het goede beleid te maken?” Ik denk dat dat, dat zou natuurlijk het ideaalbeeld zijn. Maar ja, dat is ook wel een soort wishful thinking natuurlijk.

Vind hier de andere interviews.

De politiek van luchtkwaliteit: interview Bas Mijling, KNMI

Bij het KNMI zit Bas Mijling op twee stoelen, zoals hij zelf zegt. Vanuit de ene stoel houdt hij zich bezig met de vervuiling die wordt waargenomen door satellieten en met de vraag hoe die gegevens te herleiden zijn tot lokale uitstootbronnen. Vanuit de tweede stoel is hij bezig met de vraag hoe die metingen meer fijnmaziger en lokaler te maken. Zijn droom is een werkend netwerk van precieze lokale metingen om erachter te komen waar de hotspots van vervuiling in een stedelijke omgeving zitten.

Pluimen

We bekijken een satellietkaart van de wereld.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deze metingen komen van het OMI instrument: het Ozon-Monitoring-Instrument, gebouwd door Dutch Space, een hoofdzakelijk Nederlands project. Dat instrument is op een NASA satelliet geschroefd en gelanceerd in 2004. Die kijkt naar beneden en meet hoe zonlicht door de atmosfeer gaat en terug ketst omhoog het satellietinstrument in. En door dat per golflengte te bekijken kun je zien waar je informatie mist en dat vertelt weer hoe de atmosfeer bepaalde informatie geabsorbeerd heeft. En dat vertelt je weer wat voor gassen er in de atmosfeer zitten. Deze kaart laat specifiek de vervuiling door NO2 zien, stikstofdioxide. Die rode wolkjes die je op de kaart ziet, dat noemen we pluimen. Wij willen ook heel graag die pluimen kunnen herleiden tot de bron. Het doel daarvan is te bepalen of beleidsmaatregelen effectief zijn.

NO2

Waarom is deze kaart specifiek op NO2 gericht?

Het is een van de stoffen waarvan de wettelijk-gestelde grenswaarden nog steeds regelmatig overschreden worden, dus het is belangrijk om het in de gaten te houden. En ook omdat het een belangrijke indicator is voor luchtvervuiling: NO2 komt vrij bij verbrandingsprocessen, waar je dus NO2 ziet, zie je vaak ook veel andere vervuiling, zoals roet en fijnstof. Waar rook is, is vuur.

NO2 is ook een goede stof om te meten, omdat het relatief kort leeft, het reageert snel weg. Dat betekent ook dat de NO2 dichtbij de bron blijft. Dat zie je ook op die kaart, het is redelijk lokaal allemaal wat je ziet. Je ziet zo’n stad als met Madrid, dat is gewoon één punt op de kaart, dat is niet helemaal uitgesmeerd over heel Spanje.

Taboe op luchtvervuiling

Wat doe jij met dit soort kaarten?

Mijn promotieonderzoek ging erover een algoritme te vinden dat de pluimen die je ziet terug kan rekenen naar de uitstootbron. Op die manier vond ik wereldwijd veel uitstootbronnen die nog onbekend waren, of ongedocumenteerd. Bijvoorbeeld kolencentrales: in China heb je daar veel van, kolencentrales die niet op een lijst staan, waar je lastig gegevens van krijgt, en waarvan je ook niet weet of ze filters gebruiken. Ook in het Midden-Oosten zie je het heel goed terugkomen. Al die kleine landjes werken niet met elkaar samen en houden hun productiegegevens supergeheim voor elkaar. Dan gaat het bijna altijd over de petrochemische industrie. Niemand wil vertellen wat hun emissiegegevens zijn, maar als je op de satellietbeelden kijkt zie je dat ze echt een heel duidelijk vervuilingsprobleem hebben. En in de Golf zie je al die boorplatforms.

entree van KNMI gebouw

Dus door middel van dit soort kaarten onthul je eigenlijk feiten die anderen liever geheim houden?

Ja, die metingen kun je zo van het internet afhalen, het is allemaal open data waarop dit onderzoek gebaseerd is. Maar het is redelijk specialistische data, dus niet ieder mens zal er zomaar mee aan de haal gaan en om het daarna terug te rekenen naar zo’n emissieproduct is ook een redelijke klus.

Maar verder zie je ook dat het taboe op luchtvervuilingsproblematiek er bij een aantal landen ook vanaf gegaan is. Wat je bijvoorbeeld in China ziet, daar hebben wij een samenwerking van zo’n jaar of acht mee lopen. Acht jaar geleden werd duidelijk dat daar een milieuproblematiek was. Maar als wij onze resultaten op conferenties presenteerden werden ze vaak ontkent of ontkracht. Er werd gezegd: “jullie gebruiken de algoritmes vanuit het Westen en je laat het los op China, maar de lucht in China heeft een heel andere samenstelling, dus dat zou je niet zomaar 1 op 1 kunnen doen.”

Maar in de afgelopen tijd zie je dat dat helemaal omgeslagen is. Het is helemaal opengegooid. Ze zijn van een handje meetstations naar vijftienhonderd meetstations gegaan, over het hele land. Ook wetenschappers geven steeds vaker toe dat het probleem ernstig is. Er mag steeds meer vrijuit over gesproken worden. In mijn optiek hebben ze dat gedaan om een volksoproer te voorkomen. Als mensen de hele dag lopen te rochelen en kinderen astma krijgen, en mensen leggen vervroegd het loodje, en je krijgt misschien maar 1 keer per maand blauwe lucht te zien, dan kun je niet meer volhouden dat het mist is.

Dichter bij huis

Voor Nederland is de kwaliteit van ons werk trouwens op dit moment niet goed genoeg. Dat heeft te maken met de ruimtelijke resolutie van het instrument. Dat is redelijk groot, het bekijkt de uitstoot op een schaal van 20 bij 20 kilometer. We krijgen binnenkort een nieuw instrument, de TROPOMI: het TROPOsferisch Monitoring Instrument. Dus die krijgt een betere resolutie en dan kun je in plaats van een heel stedelijk gebied echt gaan kijken naar stukken van steden. Het wordt dan opeens zes bij zes kilometer.

Waarom moet er meer gemeten worden in een stad?

Zelf zou ik dat willen om nog preciezer te kunnen bekijken waar luchtverontreiniging precies door veroorzaakt wordt. Ik deed dat al met dat algoritme om vervuilingsdata op wereldschaal terug te rekenen naar de bron. Op een gegeven moment kwam het besef bij mij dat je dat ook voor steden kan doen. Wat je dan nodig hebt is een stadsnetwerk van meetinstrumenten en dan zou je perfect voor een stad kunnen bepalen: waar zitten de hotspots van vervuiling, waar zitten de onverwachte greenspots? Maar toen kwam ik erachter dat er eigenlijk helemaal niet of slechts beperkt in steden wordt gemeten. En toen raakte ik geïnteresseerd in alternatieve manieren om luchtvervuiling te kunnen meten. Dat was zo’n 6 jaar geleden, toen kwamen allerlei dingen ook samen: nieuwe sensortechnologie, Internet of Things, noem maar op.

Meten wat het nú is

Maar je had natuurlijk ook al die Palmes-buisjes, vond je die niet bruikbaar?

Het probleem van die buisjes is dat ze geen instantane meting doen, hè, die meten een maand lang en dan weet je wat de gemiddelde belasting op dat plekje was over een maand. Maar het mooiste is om te weten wat het nú is. Dus ik was persoonlijk van het begin af aan meer geïnteresseerd in technologie die net als een thermometer kan vertellen wat de temperatuur nu is.

En toen kwam er een tijd waarin iedereen aan het experimenteren ging met nieuwe hardware, de Arduino, micro-controllers, om temperatuur te gaan meten bijvoorbeeld, of de luchtdruk. En ik vroeg me toen af: “oké, wat voor sensoren zijn er beschikbaar voor luchtverontreiniging?” En die waren er nauwelijks. Dan praten we over vijf, zes jaar terug.”

Lessen uit twee Citizen Science projecten

Bas raakte toen betrokken bij het Air Quality Egg project eind 2010, waar ook Ivo Stumpe in ons vorige interview over sprak. In dat project ging een diverse groep vrijwilligers, onder leiding van Ed Borden en gefaciliteerd door de Waag Society, aan de slag met de bouw van een digitaal apparaat dat luchtkwaliteit zou kunnen meten en dat de vorm zou aannemen van een ei, vandaar de naam.

Ja, ik was er bijgehaald als deskundige en ik was ook gemotiveerd en enthousiast om zelf zoiets te kunnen realiseren. Ik vond het een hele bijzondere wereld waar ik in stapte, ik was blij verrast door de multidisciplinaire aanpak die je daar had. Er zat een soort denkteam en een ontwerpteam en er zaten hackers die wilden meteen al gaan solderen. Het was heel mooi om dat te zien.

Maar vanaf het begin af aan heb ik aangegeven: “Jongens, het cruciale onderdeel als je zoiets wilt doen, is de sensor zelf, een elektronisch onderdeeltje en dat is gewoon niet goed.” Dus je kan wel gaan filosoferen of je het in een ei-vorm wilt hebben, of in een boterhamtrommel, of een vogelhuisje. Het concept is niet eens bewezen. En het is goed als je daar op verschillende niveaus over nadenkt, maar die andere niveaus namen de overhand.

Je bedoelt de sociale dimensie?

Ja, in dat project, en ook later in het Urban Air Quality project dat werd gefinancierd door het AMS en dat samen met de Waag werd uitgevoerd, zag ik echt een clash van twee werelden: Ik streefde een soort puur wetenschappelijk experiment na om de datakwaliteit te waarborgen, terwijl zij meer oog hadden voor het organisatorische aspect en voor de impact bij de burger zelf. Ze waren bij wijze van spreken meer geïnteresseerd in – ik chargeer hè – in de interactie van de publieksbijeenkomsten en wat voor vragen en interesses en bezorgdheden zouden opborrelen, dan een waterdicht meetprincipe op te stellen waardoor het experiment echt zou lukken.

In het Air Quality Egg project werd dat maar niet opgepikt, dat is de reden waarom ik vrij snel daar weg was. En dat is jammer, want je wilt het liefst dat zoiets slaagt. En ook bij Urban AirQ vorige zomer kostte het me heel veel moeite om dat er toch door te drukken.

Electronica die niet doet wat het belooft

Ik vind de Waag een heel bijzondere club en een unieke club, maar juist in dit project ging er denk ik naar mijn mening iets mis. Dat is dat ze al blij waren met het feit aan te tonen dat mensen graag willen meten. Dat was voor hen het hogere doel, een soort bewustwording. Het participeren aan de hand van elektronica die vaak niet doet wat het belooft.

Gelukkig lag een plan om te gaan meten op basis van een nieuwe sensor, een elektrochemische sensor geproduceerd door Alphasense. Dat was wel een vooruitgang met de sensor die het Air Quality Egg gebruikte en die de Waag daarna ook gebruikte voor hun Smart Citizen Kit project, die op basis van metaaloxide werkt.

Maar ik zag dat project aan het mislukken was. Ik was heel erg bang dat het weer een soort demonstratieproject zou worden voor burgerparticipatie. Maar dat zou nu gênant worden. Dan zou je dus weer een grote groep mensen, in dit geval gemotiveerde mensen uit Amsterdam die echt oprechte zorgen hebben over kwaliteit van de lucht in de straat, weer met een dooie mus blij maken. Dat is de beste manier om dit soort initiatieven voorgoed om zeep te helpen. Want niemand wil meer meedoen. Dus ik zeg: “Luister eens, we moeten het beter aan gaan pakken, we moeten het wetenschappelijker aan gaan pakken.” De Waag had er in eerste instantie niet zo’n oren naar. Maar uiteindelijk werd het toch een heel goed wetenschappelijk project.

Het redden van een project

Met die nieuwe elektrochemische sensor verloopt het signaal heel erg in de tijd. Stel je daarbij voor dat je één volt meet uit je sensor en één volt betekent dat er tien microgram stikstofdioxide in de lucht zit. Maar als dat signaal verloopt meet je misschien twee maanden later drie volt, wat dan duidt op tien microgram.

Bovendien, dat is nog zo’n ding, die sensoren zijn heel erg afhankelijk van temperatuur en luchtvochtigheid. Luchtvochtigheid werd niet gemeten in het eerste prototype. Dus heb ik gezegd: “Luister, we moeten de luchtvochtigheid absoluut meenemen, want anders kunnen we daar niet voor corrigeren en zitten we weer met een probleem.” Want ik weet wel wat de luchtvochtigheid is bij Dave [de Jonge van de GGD] in z’n meetstation, maar ik weet niet hoe het bij de burger aan zijn voorgevel is.

Dus kalibratie wordt dan superbelangrijk. Dat moet je bij die sensors stuk voor stuk doen, vooraf en ook na afloop. Dat hebben we gedaan. En doordat we dat gedaan hebben, hebben we het project kunnen redden, omdat we achteraf konden bepalen hoe die nul-instelling zeg maar verliep. Achteraf hebben we daarvoor kunnen corrigeren.

Die wetenschappelijke benadering lijkt me echt wel vereist. Anders zou ik me behoorlijk bekocht voelen, als ik twee maanden zo’n sensor thuis heb en ik krijg achteraf te horen van: “Ja, maar het zijn maar indicatieve waardes. En die keer dat jij honderdveertig gemeten hebt is eigenlijk een stuk lager, want die sensor doet iets wat we eigenlijk niet precies begrijpen.” Snap je?

Een markt voor goedkope sensoren

Waarom zet je je zo in voor dit soort participatieve meetprojecten?

Kijk, ik wil gewoon dat er meer meetdata en een goed lokaal meetnet komt. En dat kan. Het is mogelijk dat je over een aantal jaren helemaal geen tussenpersoon nodig hebt zoals ik, of iemand op het RIVM, of wie dan ook. Dan koop je gewoon een dingetje in de winkel of via de webshop, die doet wat ‘ie belooft. Maar zo ver zijn we nog niet. Er zijn wel veel nieuwe technieken. En door de lage kosten ervan komen ze binnen bereik van burgers. Dus het zou het mooist zijn dat je mee kan liften op de bereidwilligheid van een heel cohort. We moeten er alleen voor zorgen dat ze gemotiveerd blijven door goed gereedschap te geven. Of in ieder geval een goede handleiding bij slecht gereedschap.

Het is nu belangrijk dat fabrikanten merken dat er vraag is, dat er een markt is voor die goedkope sensoren, ook al zijn ze nu nog slecht. Daarom is het belangrijk dat ze gebruikt worden, ook al is het redelijk complex om er iets goeds uit te persen. Die feedback is belangrijk voor de makers om een betere, nieuwe generatie te maken.

Dus uiteindelijk maakt het mij, om eerlijk te zijn, niet uit of die vraag komt vanuit burgers of wijkgemeenschappen of stadsdelen. En eigenlijk wil ik me helemaal niet bezighouden met de evaluatie van die dingen, maar juist met de analyse van die metingen. Om de emissies op te zoeken en dat soort dingen. Maar ja, om daar te kunnen komen heb ik een stap terug genomen en heb mezelf opgevoerd als een soort validatie-deskundige.

Waarom meer data?

Je zegt dat je meer data wilt, maar wat zou je dan kunnen doen met die extra lokale data? Zou dat zich vertalen naar specifieker of gerichter beleid?

Nou, je moet eerst kennis hebben om acties te kunnen ondernemen. Lijkt mij. Kijk als jij je kinderen zou willen sturen naar een school net naast de ringweg, dan moet je nu maar de directeur op zijn blauwe ogen geloven dat die snelweg helemaal geen invloed heeft op de speelplaats die ernaast ligt. Het zou overtuigender zijn om te meten of dat inderdaad zo is. Dan heb je materiaal om ermee aan de slag te gaan. En wie dat dan doet, of dat dan een bezorgde buur is, of een stadsdeel, dat maakt mij persoonlijk niet zoveel uit. Waar het mij steeds om gaat is dat we kennis nodig hebben die er nu niet is.

Verwachtingsmanagement

Maar burgers die zelf meten doen dat omdat ze de hoop hebben dat ze met die data ook echt iets kunnen veranderen aan hun leefomgeving.

Kijk, Citizen Science heeft twee aspecten. In zijn puurste vorm gaat Citizen Science over een burger die meehelpt aan een wetenschappelijk project. En dat is eigenlijk precies wat hier aan de hand is. Maar de vergissing die vaak gemaakt wordt, is dat de motivatie van de burger om mee te doen aan een wetenschappelijk project, is om op zichzelf te kwantificeren zeg maar. Juist bij luchtverontreiniging lopen die twee aspecten heel erg door elkaar heen. Dus de motivatie is heel anders. Als jij gevraagd wordt om mee te werken voor een wetenschappelijk project om het aantal insecten te tellen in de lente door het aantal dooie vliegjes op je nummerbord te tellen, dat is een experiment. Dan doe je dat echt voor de wetenschap, dat is duidelijk. Maar als jij gevraagd wordt om bij jouw voordeur de luchtvervuiling te meten met een experimenteel apparaat, dan denk je: “Hé, dat is van mij.” Kijk en daar loopt het vaak een beetje mank in de communicatie.

Op een van de meetings van het Urban AirQ project heb ik dat ook verteld aan de deelnemers. Die hadden eerst het plan om met de data naar de rechter te stappen om aan te tonen hoe vies hun straat wel niet was. Ik heb uitgelegd dat er geen absoluut getalletje uitkomt waarmee je naar de rechter kan. Dat kan je echt nu al vergeten. Maar om de motivatie niet helemaal weg te nemen, heb ik ze ook verteld dat ze pioniers zijn op dit gebied. En dat vonden ze heel prettig om te horen.

Vind hier de andere interviews.

De politiek van luchtkwaliteit: interview Ivo Stumpe

Ivo Stumpe is een professioneel activist die zich inspant voor grote thema’s, zoals recht op betaalbaar wonen, vestiging van vluchtelingen, en milieu. Hij was was 8 jaar lang duoraadslid van Amsterdam Anders en werkte van 2007 tot 2015 in verschillende functies voor Milieudefensie. Voor die vereniging was Ivo een pionier in het participatief meten: in 2012 leidde hij een publiekscampagne waarbij burgers zelf op straat door middel van de Palmes buisjes waar Dave de Jonge het in ons vorige interview ook over had, NO2 waarden gingen meten. In 2011 raakte Ivo geïnteresseerd in het Air Quality Egg project, een van de eerste projecten waarbij burgers uitgenodigd werden om met digitale sensoren bevestigd op open source hardware computers, luchtkwaliteit te meten.

Harten veroveren

Ivo vertelt waar de focus door Milieudefensie op luchtkwaliteit vandaan kwam.

We waren er met een aantal vooral juridische campagnes in geslaagd om 34 nieuwe weguitbreidingen tegen te houden. Dat begon met het winnen van een zaak tegen de verbreding van de A4 bij Leiderdorp, dat leidde tot het stilleggen van andere, vergelijkbare projecten. Dat deden we door de luchtkwaliteitsmodellen waar de overheid zich aan moest houden vanuit Brussel, verder door te rekenen dan de overheid dat zelf deed. En door aan te tonen dat een verbreding van die weg, door haar aanzuigende werking, op het hele traject van Amsterdam tot Den Haag zou leiden tot meer files en overschrijdingen van de luchtkwaliteitsnormen. Wij vonden voldoende aangetoond dat meer verkeer slecht is en dat files niet worden veroorzaakt door te weinig asfalt, maar door teveel auto’s. En als je dat aanpakt dat je dus niet alleen betere lucht hebt, maar ook minder verkeersdoden en het is beter voor het klimaat, lost parkeerproblemen op, de hele reutemeteut.

Hoewel wij dus succesvol waren, hadden we wel een probleem: we hadden met onze aanpak niet de harten van burgers veroverd. Er werd gezegd in de media dat de economie stil kwam te liggen door ons, en dat wij zelfs voor méér files zorgden door de weguitbreidingen niet door te laten gaan. Platforms zoals GeenStijl kwamen met gefotoshopte borden langs de weg met: “deze file wordt u aangeboden door Milieudefensie.”

Het bleek moeilijk om mensen mee te krijgen in onze bredere visie. Het mobiliseren van mensen bij de Overtoom tegen wegverbreding bij Leiderdorp, die abstractie krijg je er nooit in, mensen leggen die verbanden niet. Dus toen ik campagneleider werd, moest er tegelijk ook bezuinigd worden, en hebben we besloten om al onze aandacht te focussen op één publiekscampagne. Ik besloot toen om die over luchtkwaliteit te laten gaan en om daarbij luchtkwaliteit te branden als gezondheid: dat is veel minder abstract hè. En het is lokaal, er zit veel meer emotie in, en je hebt zeg maar aanwijsbare slachtoffers bij wijze van spreken. Niemand is tegen gezondheid. Ook VVD-ers willen niet dat hun kinderen astma krijgen.

Uiteindelijk gaat het natuurlijk nooit om gelijk hebben, want dat hadden we al, wetenschappelijk was daar geen discussie over. Gelijk krijgen, daar ging het om, via de politiek, en die politiek bereik je weer via mensen en media. En, nou ja, dan moet je dus op zoek naar geschikte campagnemiddelen.

Het lukte ons om mensen te mobiliseren ook mede dankzij een ander campagne-instrument waar we toen voor kozen: we ontdekten de Palmes buisjes als middel om grote groepen mensen direct te betrekken bij het doen van meten. Die buisjes meten NO2, wat indicatief is voor vervuiling. We hebben in de krant aangekondigd dat dat project er zou zijn en samen met het Milieucentrum Amsterdam zijn we op heel veel plekken met mensen één maand gaan meten.

Sjoemelmodellen

We speelden daarmee in op het wantrouwen dat veel mensen hadden richting de modellen en berekeningen die toen werden gehanteerd om luchtkwaliteitsbeleid te voeren, en daar hadden ze soms nog gelijk in ook. Het was veel te makkelijk voor ambtenaren om te sjoemelen met die modellen. Want zo’n model, daar zitten tientallen factoren in en ambtenaren die een probleem hadden omdat de lucht in de buurt die onder hun bestuur viel te vies was, probeerden dat te verhelpen door een beetje te gaan sleutelen aan het model. Als je in dat model honderd vrachtwagens minder laat rijden in je wijk is opeens je probleem weg. En dat soort gesjoemel had weer te maken met de wetgeving die grenswaarden voor bepaalde stoffen stelden. Voor NO2 is dat 40 µg/m3. Iedereen was erop gericht om daaronder te blijven. Dus als je dan een curve maakte voor wat er per straat berekend was, kreeg je een hele harde breuk bij de 39 microgram. Er waren massaal veel straten die 39 microgram hadden en veel minder die meer dan 40 hadden. Terwijl dat wiskundig natuurlijk helemaal niet kan.

Mechanismen om dat te controleren waren er niet. Daar wilden wij voor zorgen: Wij wilden dat er meer werd gemeten en minder gerekend. Je had natuurlijk wel de meetstations van GGD en RIVM, maar dat waren er erg weinig. En wat wij ook deden: overal waar een meetpunt was gingen we kijken wat op dat punt berekend werd door een model. En dan zag je vaak gigantische verschillen. Vooral dat er vaak veel hogere concentraties gemeten werden dan dat er berekend werden. En veel mensen gingen mede vanwege onze campagne de overheidsgegevens wantrouwen. Van: “klopt dat wel?” En heel vaak konden wij niet zeggen of het wel of niet klopte omdat we geen betere data hadden. Er was vaak geen data. En toen kwamen we erop dat we eigenlijk zelf wel wilden weten hoe dat zit met die luchtkwaliteit. Onze campagne leidde tot meerdere Kamermoties en dat leidde tot flinke verbetering: De modellen en controle op de data is nu wel veel beter geworden.

De waarde van meten

Dus uit de meetcampagne die we toen deden met Palmes buisjes kwam een kaart van Nederland met allemaal stippen waar we de waarden van gingen duiden. Maar mensen interpreteerden die stippen niet altijd correct: dan zaten ze in de buurt van een rode stip, met veel NO2, en dan maakten ze zich zorgen, terwijl dat misschien niet terecht was omdat die stip 5 kilometer van hun huis was. Bovendien, waar je woont hoeft überhaupt niet iets te zeggen over hoeveel slechte lucht je inademt. at hangt veel meer samen met waar je werkt, of hoe lang je in de file staat.

En dat was een van de bezwaren van bijvoorbeeld de GGD, dat allerlei mensen zich zorgen gingen maken terwijl daar misschien geen aanleiding voor was. Ze maakten zich verder ook zorgen over het feit dat wij de waarde van het meten naar beneden haalden, dat we het niet op een wetenschappelijke manier deden. Inmiddels heeft ook de GGD de waarde van deze buisjes en het betrekken van burgers ingezien.

Heel goed campagnemiddel

Als campagne-organisatie kun je ook zeggen: “We gaan nu tienduizend handtekeningen verzamelen.” Dan sta je weer met je handtekeningen op dat plein. En dan komen ze allemaal braaf naar buiten en dan zeggen ze: “dankjewel,” en “dat vind ik ook heel belangrijk. Doei!” En dan gaan ze weer naar binnen. Dat is heel on-sexy voor de media en geeft dus relatief weinig druk, het is ongevaarlijk.

Foto: (c) Michiel Wijnbergh

Wat wij wilden aantonen is dat mensen zich echt zorgen maken over die luchtkwaliteit. Dat je dus burgers hebt die iets kunnen doen, iets wat visueel is en iets wat meer autoriteit heeft dan alleen maar zeggen: “ik vind dit nou eenmaal,” of “ik ben hier bang voor.”

Als je zelf meet en data verzamelt, daar kan je foto’s van maken, je kunt die mensen laten interviewen en je kan zo iemand meenemen naar een wethouder en die data aanbieden, waar ze vervolgens inhoudelijk op moeten reageren. Dat was voor ons een heel goed campagne-middel, dat heeft heel goed gewerkt.

Het Air Quality Egg project

Er zitten best wel wat technische beperkingen aan het meten met Palmes-buisjes. Je krijgt pas na een maand een gemiddeld cijfer van de vervuiling. Als je het nog beter wilt doen, ga je een jaar lang meten, maar dat is best een opgave, organisatorisch en voor al die burgers met wie je wilt gaan meten. En het geeft nog steeds geen real-time data. Dus qua moderne communicatiemiddelen, ergens over Tweeten, een grafiekje op de website, dat soort dingen, is ook lastig.

Dus toen hoorden we over het Air Quality Egg project. Dat was nieuw en goedkoop, het zou maar zo’n honderd dollar kosten geloof ik, en het gaat langer mee dan Palmes-buisjes. Het produceert elke vijf minuten een cijfer.

Wij hadden echt al van die visioenen: “Als we er honderd in een stad hebben dan kan je gewoon met kaarten met kleurtjes erop zien hoe in de loop van de dag de vervuiling toeneemt en dan weer minder.” Dat leek ons fantastisch. Zeker op de communicatieafdeling waren ze helemaal happy, van: “ja, dit en dat kun je er mee doen!” Websites ervan maken, en Twitter alerts en de hele mikmak, wat allemaal niet mogelijk is met zo’n suf buisje waar na anderhalf jaar een cijfer uit komt rollen. Dus wij hadden daar echt wel heel veel zin in.

Uiteindelijk hebben we dat Air Quality Egg niet voor onze campagne gebruikt, daarvoor was het niet op tijd functioneel. Daar komt bij dat de GGD en het RIVM soms ook met Palmes-buisjes werken. Dat sloot aan bij hun systeem. Een nieuw experimenteel goedkoop elektronisch metertje werd niet vertrouwd en dat zou onze metingen erg kwetsbaar maken voor kritiek.

Mondige burgers

Maar veel mensen die meedoen aan dat soort metingen hebben natuurlijk een ander doel voor ogen dan jullie. Zij reageren op de belofte dat ze met die technologie direct iets kunnen doen aan vervuiling in hun omgeving.

Ja, daar is een mismatch tussen hoe het luchtkwaliteitsbeleid werkt en wat de verwachtingen zijn. Er waren bijvoorbeeld actiegroepen die dachten: “er wordt hier een weg uitgebreid dus we gaan nu meten en dan laten we zien dat het vies is en dan gaat het vast niet door.” Ja, nou, wel. Dat gaat wel door. Maar je kunt wel meten en daarmee aantonen dat je je kennelijk zorgen maakt. En dát je je zorgen maakt zou een aanleiding kunnen zijn voor politici om er nog een keer over na te denken. Maar als het besluit genomen is, of dat de politici die voor jou bereikbaar zijn daar niet over gaan, dan heeft dat helemaal geen nut. Dus als je wilt bereiken dat een weguitbreiding niet doorgaat kan ik je nu al vertellen dat je straks teleurgesteld bent. Nou ja, er waren toch mensen die gingen het dan toch proberen en werden inderdaad teleurgesteld. Dat is jammer.

 Een andere belofte die je vaak hoort rondom citizen science projecten is dat het mensen handelingsvaardigheid geeft: niet om hun omgeving te veranderen via beleid, maar doordat ze zelf samen betekenisvolle keuzes kunnen maken.

Het is een beetje een D66 ideaal hè, allemaal mondige burgers die zelf de eigen omgeving met elkaar gaan organiseren. Heel veel anarchisten zouden dat ook heel graag willen, maar ik ben het nog niet tegengekomen. Ik ben daar iets te cynisch voor.

Uiteindelijk gaan mensen altijd toch díe keuze maken, die voor hen als individu goed is en niet voor hen als collectief. En daarbij hebben ze ook vaak niet de lange termijn voor ogen. Wij zagen scholen die dan bijvoorbeeld hun speeltuin wilden overdekken en die lucht daarin wilden filteren. Maar ja, weet je… om drie uur worden die kinderen opgehaald. En dan? Dat is gewoon flauwekul. Of iemand had een ding uitgevonden, een metertje die luchtkwaliteit meet, dat kon je zo op het stuur van je fiets klikken. Als je dan fiets en je ziet dat er vervuiling is, dat je dan toch snel rechtsaf gaat. Los van het feit dat het voor jouw gezondheid niks uitmaakt dat je een keer achter een bus staat of een vrachtwagen; dat soort oplossingen zijn lokaal en gaan niet over bredere, systemische oplossingen.

Het gaat óns om lange-termijn en collectieve doelen, die nou eenmaal niet zo snel op het netvlies van het individu staan. Wat wij uiteindelijk wilden is gewoon meer treinen, minder auto’s. En strengere normen voor vrachtwagens en dat soort dingen. Het ging ons niet zozeer om het behagen van het individu zeg maar, met al zijn angsten.

Het commons-dilemma

Die lokale, individuele oplossingen zorgen misschien ook wel voor het afbrokkelen van een gevoel van solidariteit.

 Ja. Ze zorgen een beetje voor een soort van gated community, wat je voor elkaar krijgt door het genereren van aandacht, door middel van de politiek en de media, voor jouw specifieke, lokale probleem. De mensen in Oude Amstel die daar in een villawijk wonen kregen meer aandacht voor hun school die langs de snelweg gebouwd zou worden, dan andere scholen in hetzelfde schuitje. Er zitten drie kinderdagverblijven op de Overtoom met vuilere lucht. De toegang tot media en de politiek is niet democratisch verdeeld.

Ik vind het van ontzettend grote waarde dat je onafhankelijke, wetenschappelijke instituten hebt, met een algemeen geformuleerde, a-politieke opdracht om gewoon vast te stellen hoe het in elkaar zit in Nederland en daar ook zelfstandig over mogen publiceren en communiceren.

Een andere belofte van citizen science is dat mensen op basis van meetwaarden hun eigen gedrag gaan veranderen. Dat ze dan bijvoorbeeld de auto laten staan. Dat het zorgt voor bewustzijnsverandering en zo zorgt voor een schonere leefomgeving.

Dat idee dat als we iedereen zelf laten meten zodat mensen het weten en dat het dan wel goed komt, dat is niet zo. Verreweg de meeste mensen die gingen meten met milieudefensie hadden zelf ook een auto. En die vonden dat, als het erop aan komt, zij wél hun auto voor de deur mogen zetten en dat andere mensen vaker op de fiets moeten.

Het is heel menselijk om een probleem te agenderen dat moet worden opgelost zonder jezelf verantwoordelijk te maken. Dat kun je mensen bijna niet verwijten. De enige oplossing is dus dat je als collectief besluit wat voor het collectief goed is. En dat is soms belastingen, of iets verbieden, of iets subsidiëren wat geld kost, of dat soort dingen. En dat is ontzettend on-liberaal, maar het is het enige dat werkt.

Dat is het commons-dilemma. Dat kun je dus alleen maar regelen met afspraken en dat is wetgeving. Want wat je eigenlijk bij elk maatschappelijk-economisch vraagstuk hebt, het enige wat je kunt doen is zorgen dat we collectief besluiten dat iets een probleem is. En dan vervolgens aan de politiek de opdracht geven om de oplossingen daarvoor op te leggen aan iedereen. Ook al zijn die pijnlijk.

Benzine toevoer afsluiten

Een jaar of vijf geleden zijn we benaderd door Volvo. Die gingen ook zo’n NO2 sensortje inbouwen in de luchtroulatie van de airconditioning. Als de lucht dan té vies was, dan sloten  ze de luchtaanvoer van de airconditioning en ging ‘ie recirculeren. Ze vroegen aan ons of we daar als Milieudefensie onze steun aan wilden geven. Nou ja, zei ik, “ik zou zo’n dingetje in de uitlaat zetten en als het té vies is, dan sluit ‘ie de benzine toevoer af.” Nou, dat vonden ze niet grappig.

Hè, het is de hoop dat er iets wordt uitgevonden wat op een technische manier al onze problemen oplost. Terwijl de meeste dingen gedragsissues zijn. Als ik ga fietsen in plaats van met de auto, dat is veel effectiever. En dat is wat wij wilden. Wij wilden niet ook alleen maar een dingetje die de auto schoner maakt, wij wilden ook gewoon minder auto’s. Want dat is namelijk én goed voor de lucht én voor het klimaat én je kinderen worden niet doodgereden door een fiets onder een auto en al die andere dingen.

Vind hier de andere interviews.